Pagina:WitteHeinrich DriekleurigeViooltje1875.djvu/171

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
153
EEN HOOFDSTUK ALS TOEGIFT.

Om het mooie hiervan goed te doen uitkomen, stellen we ons eens even voor dat dezelfde wet, hier door de menschen aan de Natuur ter uitvoering voorgelegd, door haar ook toegepast werd op den mensch zelven.

De Natuur gaf aan 't Viooltje een symmetrische bloemkroon, evenals ons lichaam symmetrisch is. Neen, zeggen wij, de twee bovenste, de beide zijdelingsche en het benedenste bloemblad moeten alle in vorm en grootte volkomen aan elkaar gelijk zijn. Ware dit nu een wezenlijk schoonheidsvereischte, dan zouden onze armen in vorm en grootte met onze beenen moeten overeenkomen. Dit zou er nu nog mee doorkunnen, maar ons hoofd zou dan, ten behoeve van dien strengen maatregel, mede in die bepaling moeten opgenomen worden! 't Klinkt zeker wel wat vreemd, maar toch is de vergelijking gerechtvaardigd.

Art. 3. De bloemen moeten goed boven de bladeren uitkomen, een flinke houding hebben en goed opgericht zijn;

Wij zouden zeggen: 't hoofd goed rechtop houden en de menschen onbeschroomd in de oogen zien. Te dezen opzichte valt aan het kleinbloemige Viooltje zeker niets te verwijten. —