Pagina:Witte 1888 Wilde rozen.djvu/220

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
204
WAT VEEL GEVERGD.

Allen zwijgen. A. en B. kijken elkaar eens aan. A, de oudste klopt zijn pijp uit, glimlacht, steekt die in zijn zak, en neemt een sigaar.

— Ik heb daar tot hiertoe nog niet aan gedacht, zegt eindelijk de dokter; ik maak mijn potten schoon als ik de planten in mijn kamer wil zetten, maar dan doe ik het niet zoo zeer voor de planten als wel voor het gezicht, en omdat anders mijn vrouw ....

— 't Is alweer een kletspraatje van die heeren, die zelf nooit hun handen vuil maken, maar toch iedereen de les willen lezen in 't behandelen van planten, valt B. hem in de rede.

— Ik geloof ook, dat men wel eens wat overdrijft, merkt nu de dokter op, maar toch, als ik er goed over nadenk, komt het mij zoo onjuist niet voor.

— 't Is niet alleen niet onjuist, maar de schrijver heeft volkomen gelijk, zegt E.

— 't Zijn allemaal van die nieuwerwetsche fratsen, kan A. zich niet onthouden in het midden te brengen.

Nu is deze op het punt van cultuur zoowat het orakel in dit gezelschap, en terecht. Hij is een joviaal, fatsoenlijk man, met een mooien grijzen kop, een vriendelijk gezicht, en die nooit eigenzinnig op zijn stuk blijft staan; een die goed werkt en van nadenken houdt, maar daarbij een echt exemplaar van den ouden stempel.

— 't Is net—zoo gaat hij voort, of ze vroeger geen verstand van plantenkweeken hadden. Waar ze toen zelfs niet aan dachten, dat wordt nu nummer één genoemd, en toen wisten ze er toch ook wel wat van.

— Met je verlof, ouwe loeres, zegt nu de dokter, je hebt vergeten, of je vergeet nu, een van beiden. Je hebt vergeten