Petrus Herman Scheltema/Jan Springer

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jan Springer
Auteur(s) P.H.S.
Datum Zaterdag 5 juni 1915
Titel Jan Springer. †
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 50, 23, 89-90
Opmerkingen Rudolf Adriaan van Sandick vermeld als R.A. van Sandick
Brontaal Nederlands
Bron [1], [2]
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Jan Springer op Wikipedia

[89]


[...]


Jan Springer. †


      Toen wij verleden week een bezoek brachten aan de jaarlijksche tentoonstelling in de Haagsche Teekenacademie vermoedden wij niet, dat wij reeds Dinsdag 1 Juni aan de groeve zouden staan, om mede de laatste eer te bewijzen aan den man, die gedurende de laatste negen jaren de directie over deze inrichting heeft gevoerd.
      Jan Springer is 26 Mei op vijf-en-zestig jarigen leeftijd overleden, met hem is een architect van groote begaafdheid heengegaan en aan de oude harde van het bouwmeestersgild een lid ontvallen, wiens naam ook bij het jonger geslacht in eere zal blijven. Dat jonger geslacht, met uitzondering dan misschien van de leerlingen der Haagsche Academie, kende hem weinig meer en het was, zooals de heer Paul de Jongh, als afgevaardigde van Architectura et Amicitia, bij de teraardebestelling terecht opmerkte, bij die droeve plechtigheid waren slechts weinigen, die Jan Springer in zijn kracht gekend hebben en weinigen ook, die uit eigen ervaring weten, wat hij voor het Genootschap A. et A. geweest is.
      De lofredenen, namens den Raad van Bestuur der Academie, de Commissie van het Museum van Kunstnijverheid, Pulchri Studio en namens de leeraren en leerlingen uitgesproken, mogen welgemeend zijn geweest, daarin kwam nergens de beteekenis uit van den man, die men hier naar zijn laatste rustplaats gebracht had. Men heeft hem in den Haag alleen gekend als Directeur der Academie en hij heeft zich doen kennen als een verdienstelijk directeur, tot niet geringe verwondering van zijn oude vrienden, die zich vroeger wel nimmer hebben kunnen voorstellen, dat een kunstenaar van zoo onafhankelijke natuur, die altijd de vrijheid beschouwd had als het hoogste goed, zijn leven zou eindigen als gestreng directeur eener inrichting van onderwijs, leeraren en leerlingen voorgaande in plichtsbesef en volharding.
      Het was de civiel-ingenieur R. A. van Sandick, een van Springer’s oudste vrienden, die meende te dezer plaatse hierop te moeten wijzen. Het uitvoerigst en het best werden de verdiensten van den overledene evenwel geschetst door zijn vriend en kunstbroeder Prof. Henri Evers. Diens woorden kwamen uit het hart.
      Hij herinnerde eraan, hoe Jan Springer reeds op jeugdigen leeftijd, door zijn groot talent de aandacht op zich vestigde, hoe hij reeds vroeg als architect naam maakte en om zijn persoonlijkheid, ofscheen geen „charmant causeur” in vele kringen te Amsterdam zeer gezien was, zeker niet het minst in den kring zijner vakgenooten.
      Er ging van zijn optreden een eigenaardige bezieling uit naar zijn omgeving, een invloed, die moeilijk te beschrijven is, maar die men vooral gevoeld heeft, toen hij in het Genootschap A. et A. de leiding op zich nam en, door tal van moeilijkheden en bezwaren heen, deze vereeniging opvoerde tot een vroeger niet gekenden bloei. Zestien jaren is hij er, in den volsten zin van het woord, de ziel van geweest en in die jaren was hij een der vooraanstaande figuren in de bouwwereld en in de hoofdstad. Toen heeft hij ook wel waardeering gevonden voor zijn arbeid en toonde men bij herhaling, zijn groot talent voor het decoratieve op prijs te stellen, maar over het algemeen heeft zijn kunstenaarsloopbaan hem niet die voldoening geschonken, waarop zijn groote begaafdheid hem


[90]


recht schenen te geven. Gedeeltelijk was dit een gevolg van zijn karakter en de daaruit voortvloeiende opvattingen, die zich nu niet juist altijd voegden naar de gangbare opvattingen in het millieu, waarin hij arbeiden moest.
      Of Jan Springer zich ergens anders beter op zijn plaats gevoeld zou hebben dan in Amsterdam en in Nederland, is moeilijk te zeggen. Toen hij de Hoofdstad vaarwel zeide, was dit zeker niet, omdat het verblijf in de Residentie hem aanlokkelijker scheen, en wat er in iemand van zijn karakter moet zijn omgegaan, toen hij de vrijheid verwisselde tegen een gebonden werkkring, waarin hooge eischen van orde en nauwgezetheid werden gesteld, zullen wij niet trachten na te vorschen.
      „Si l’on n’a pas ce qu’on aime, on aime ce qu’on a”, zegt een Fransch spreekwoord en dit heeft Springer bij het aanvaarden zijner betrekking aan de Academie in toepassing gebracht.
      Het viel hem natuurlijk niet moeilijk, zich in te werken in de veelsoortige bemoeiïngen, die de directie eener uitgebreide inrichting van technische en kunstonderwijs medebrengt. Maar hij was hiermede niet tevreden; zijn organiseerend talent bij andere gelegenheden zoo schitterend aan den dag getreden, vond hier een vruchtbaar arbeidsveld en er is bij het Bestuur der Academie nu inderdaad reden tot dankbaarheid, voor de vele verbeteringen, door Springer in betrekkelijk weinige jaren in de organisatie van het onderwijs aangebracht.
      Het spreekt vanzelf, dat dit niet mogelijk was zonder groote toewijding aan de eenmaal aanvaarde taak. De vruchten van die toewijding heeft hij niet mogen zien, maar zij zullen zijn nagedachtenis bij de achterblijvenden levendig houden, ten minste in den Haag.
      Amsterdam heeft andere herinneringen. Daar is o. a. zijn naam verbonden aan den Stadsschouwburg op het Leidsche Plein; aan dit bouwwerk waren voor hem echter geen onverdeeld aangename herinneringen verbonden. Met meér voldoening kon hij terugdenken aan hetgeen hij daar in het algemeen voor de bevordering der bouwkunst gedaan heeft. Wij noemden hem straks een lid der oude garde, maar het is juist deze oude garde, die indertijd den zwaarsten strijd te voeren heeft gehad, om de Nederlandsche bouwkunst in nieuwe banen te leiden. Jan Springer heeft zich in dien strijd niet onbetuigd gelaten, zijn voorbeeld heeft vooral de jongeren opgewekt; het werkt nog na, onder degenen, die hem niet in zijn volle kracht hebben gekend.
      Eerst later zal blijken, welke plaats aan Jan Springer onder de architecten van de negentiende en twintigste eeuw moet worden aangewezen; hij vertegenwoordigde een type, dat zeker niet alledaagsch, thans zelfs vrij zeldzaam is, het type van den onafhankelijken kunstenaar, wien zijn kunst voor alles gaat en die den moed heeft, een opdracht te weigeren, waarbij hem niet zijn volle kunstenaarsvrijheid gewaarborgd is.
      „La mort est une amie, qui rend la liberté”.
      Hij ruste in vrede.


P. H. S.