Petrus Herman Scheltema/Zonder titel/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nu de heer Weissman ons, als ware het, de pen uit de hand neemt [...]
Auteur(s) Red.
Datum Zaterdag 5 maart 1904
Titel ‘Nu de heer Weissman ons, als ware het, de pen uit de hand neemt [...]’
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 39, 10, 77-78
Opmerkingen Adriaan Willem Weissman vermeld als Weissman, Eugène Viollet-le-Duc als Viollet le Duc
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron [1] en [2]
Auteursrecht Publiek domein

[77]

77

[...]

      Nu de heer Weissman ons, als ware het, de pen uit de hand neemt, waar wij ons nederzetten, om een laatste woord te schrijven in antwoord op een uitdagend derde artikeltje van den heer Berden in het weekblad „Architectura” van 27 dezer, willen wij aan het bovenstaande slechts weinig toevoegen, om daarmede tevens het onvruchtbaar debat te sluiten.
      In het geval van de Karolingische kapel treedt de persoonlijkheid van den restaurator zoo weinig op den voorgrond, dat wij niet begrijpen met welke bedoeling de heer B. deze in dit verband ter sprake brengt.
      „Dit betoog raakt onze zaak niet” zeggen wij hem gaarne na, maar wat de zaak wel raakt is het beginsel, waarvan men bij herstelling van monumenten uitgaat.
      Ofschoon wij niet in alle opzichten de meening zijn toegedaan, dat men de monumenten der bouwkunst uitsluitend als historische documenten heeft te beschouwen, zoo is toch o. i. elke opvatting, waarbij de documentaire waarde van een monument op den achtergrond wordt geschoven, ter wille van een waan, waardoor alleen een leekenpubliek zich zal laten verschalken, uit den booze. Zulk een waan is op het tooneel, in een panopticum, enz. op zijn plaats; in de bouwkunst is dergelijk comediespel te veroordeelen.
      Dat onze Rijksrestorators de beginselen, die, na het verschijnen der geschriften van Vitet, Marimée en Viollet-le-Duc, ook hier te lande ingang hebben gevonden, vooreerst nog niet zullen loslaten, ligt voor de hand.
      In ’t algemeen zijn wij Nederlanders op het punt van beginselen nog al vasthoudend en blijven wij liever in een eenmaal aangenomen richting voortgaan,


[78]

78

dan, dat wij door het verzetten der bakens blijk zouden geven van inzicht te zijn veranderd.
      Maar men moet wel struisvogelpolitiek in toepassing brengen, om niet te bemerken, dat een kentering van denkbeelden in zake restauratie niet verre meer is.
      Overdrijving werkt steeds de reactie in de hand.
      „Plus royaliste que le roi”, hebben de aanhangers van Viollet le Duc zich van overdrijving niet vrij weten te houden en vaak te weinig acht geslagen op een door den meester voorop gestelde uitspraak: „Les principes absolus en ces matières peuvent conduire à l’absurde”; een uitspraak, te dikwijls helaas reeds door de feiten bevestigd.
      Zes jaren geleden werd in ons blad door Luctor een artikel gewijd aan Viollet le Duc’s restauratieleer en daarmede een vrijwel vergeefsche poging gedaan, om de strijdende partijen nader tot elkander te brengen.*
      Onze Rijksrestorators zijn gebleven bij hunne opvatting van die leer, die van den aanvang af hun richtsnoer geweest is.
      Dit is moeilijk te ontkennen, al tracht de heer B. ons te doen gelooven, dat voor hem de Dicionnaire nooit meer geweest is, dan een voor de studie van iederen architect noodzakelijk boek.

RED.      

[...]

      * Zie „De Opmerker”, jaargang 1898, Nos. 3 en 4.