Proeve eener beschrijving der gemeente en oude vrijheid Duisburg - Deel 2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wannner gansch Europa tegen Napoleon te wapen liep, wierd de beslissende slag op eenige mijlen van Duisburg geleverd. Reeds voor Paschen van het jaar 1815, begonnen de troepen der Vereenigde Mogendheden door ons Dorp te trekken. Zij bleven hier eenige dagen stil en als zij 's morgens vertrokken, waren er 's avonds doorgaans andere mannen in hunne plaats. Zoo heeft men hier maanden lang soldaten uit Rusland, Pruisen, Saxen, Hanover, Brunswijck, enz. zien vernachten.
Den 12 Juni viel Napoleon met een leger van 110,000 man in België en deed den Duitschen veldheer Blücher, te Ligny, eene bloedige nederlaag ondergaan. Bij het losbreken der eerste kanonscheuten waren er nog eenige Brunswijcksche huzaren in ons dorp. Op een bevel van het Slagveld gekomen, haastten zij zich het leger te gaan vervoegen, en Duisburg was nu voor eenigen tijd van soldaten verlost [1]. De landbouwers moesten met hun gespan het voedsel voor mannen en paarden aanvoeren.
In onze gemeende hoorde men zeer duidelijk dat de strijd te Waterloo, op 18 Juni 1815, ten 11 ure voormiddag begon, want de grond daverde hier onder het onophoudend losbranden der kanonnen.... de kleine vensterruiten van de ouderwetsche huizen rammelden in hunne looden raampjes.... Soms was het gerucht zoo oorverdoovend dat de menschen elkander niet verstonden. Vele der inwoners van Duisburg waren met hun vee en eenigen huisraad in het Soniënbosch of in de warande gevlucht. Iedereen wachtte vol angst den uitslag af der schrikkelijke worsteling.
Na den middag begonnen reeds vele wagens en karren met gekwetsten geladen in ons dorp aan te komen en weldra lagen al de huizen vol verminkte strijders.
Benige Duitsche soldaten kwamen langs de Doelstraat te paard aangerend onder het roepen : « Herr Jesus! die Franzosen sind da ! » Op weinige oogenblikken waren al de gekwetsten op rijtuigen geladen en de krijgslieden namen met haast den aardenweg naar Leuven. De gespannen, welke hier nog beschikbaar bleven, wierden opgezocht niet alleen om de gekwetste en verminkte soldaten, maar ook hunne geweren, sabels en ransels te vervoeren. Sommige onzer dorpgenooten hebben alzoo tot in Duitschland moeten reizen, om slechts een halfjaar later in hunne familie terug te keeren. In het pachthofvan Reijnegom wierden elf paarden medegenomen; één enkel kreeg men nog terug.
Het gerucht van de komst der Franzosen was valsch en verspreid door die troepen der Bondgenooten welke tot Waver vervolgd wierden. De Franschen kwamen niet af. Immers, zij ondergingen eene ijselijke nederlaag : vele duizenden bleven er op 't slagveld en Napoleon zelf moest het behoud in de vlucht zoeken. Kort daarna wierd hij naar het eiland St Helena gebannen waar hij stierf, den 5 mei 1821 [2] .
Na den veldslag van Waterloo was ons dorp teenemaal van levensmiddelen beroofd, want de vreemde troepen hadden alles opgegeten of medegenomen.
Iedereen verwachtte met ongeduld eenen volgenden oogst. Maar 't scheen dat men nog op het einde van de beproevingen niet was, en dat de oorlog ons niet genoeg had doen lijden, want de oogst was ten gevolge der aanhoudende regens gansch mislukt. De granen stegen tot eenen nooit gehoorden prijs; de tarwe wierd aan 90 fr. de 100 kilos verkocht.
De algemeene schaarschte van levensmiddelen had gebrek en ellende in talrijke familiën gebracht.
— De vereeniging van België met Holland stelde een einde aan deze reeks van tegenspoed en rampen.
De bewoners der dorpen kloegen echter weldra over de belasting op het gemaal en het slachten.
Geen zwijn mocht er gedood worden, alvorens de schatters een bewijs hadden afgeleverd dat de tol betaald was. Dan wierden er vele zwijnen des nachts met hamerslagen afgewerkt en in huis onder de schouw gebrand. Om de minste hoeveelheid rogge of tarwe naar den molen te dragen moest men voorzien zijn van een biljet, indien men, liever dan deze belasting te betalen, zich niet wilde blootstellen, onderwege zijn graan door de beambten van 't Bestier, Commiesen genoemd, te worden ontnomen en ter plaatse te zien uitgieten.
De onwenteling van 1830 barstte uit. De Duisburgenaars hebben aan deze worsteling voor de Vrijheid van het Vaderland een werkzaam deel genomen.
Ook vernamen zij met eene zekere teleurstelling dat zij vergeten waren in de uitdeeling der standaards of eerevaandels, welke het Staatsbestuur, den 27 September 1832, uitreikte aan de gemeenten, die zich in den strijd voor 's lands onafhankelijkheid onderscheiden hadden.
Ziehier, de vertaling van eenen brief waarin het gemeente bestuur van Duisburg, zich daarover aan den heer Arrondissements Commissaris bekloeg.

De volksgeest onzer gemeente is aangedaan, bij het zien dat zij uitgesloten geweest is in het ontvangen van een eerevaandel, tot hetwelk zij meer recht had dan de naburige gemeente van Tervuren.
Wij zijn in alle omstandigheden de eerste geweest om blijken onzer vaderlandsliefde en burgerlijke dapperheid te geven.
Nooit is er een oproep gedaan geweest, bij denwelken wij niet gereed waren alles te wagen, zelfs het leven.
Wij zijn het middenpunt der petitionarissen tegen het vervallen stamhuis geweest, wij zijn de eenige gemeente, die langen tijd voor de bombardeering van Brussel, boven op den klokkentoren, de drijkleurige vlag heeft durven uitsteken, hetgeen toegejuicht geworden is door M. Roussel, commissaris, en de Leuvenaars, die onder zijn bevel door onze gemeente trokken, om hunne broeders van Brussel ter hulp te gaan. Verscheidene jongelingen hebben er met de Brusselaars gevochten. Gansch de gemeente is tijdens den slag van Brussel, eene maand lang, dag en nacht onder de wapens geweest. 't Is aan hare nachtwacht dat men 't behoud van het kasteel en de warande van Tervuren te danken heeft. Het is onze gemeente, die van het begin der omwenteling zich ontdaan heeft van het bestuur uit Oranjegezinden samengesteld en voorloopig een ander gekozen heeft onder de goedkeuring van Mr Roussel, district commissaris [3].
Het is onze gemeente, die, na aan het onderstands comiteit van Leuven de inzameling van 190 frank en 100 zakken aardappelen besteld te hebben, het bevel gehad heeft boven op den kerktoren van Vossem, een drijkleurig vaandel te planten, dat wij ten geschenke ontvangen hadden, hetgeen met de innigste vaderlandsliefde, zelfs in 't gevaar des levens, is verricht geworden.
Het is de heer Guill. Van Hamme, die de bevelen uitgevoerd heeft van Mr Deneef, Commandant der stad Leuven, om de Burgemeesters van verscheidene gemeenten aan te zetten zich met hunne inwoners naar Hamme te begeven, ten einde er, met de Leuvenaars, de Hollanders aan te randen, die er verbleven. Het is onder de bevelen van den heer Jh Dunion, vrijwilliger der stad Leuven, dat onze gemeente zich aangeboden heeft te Hamme, te Neerijsche, enz. waar de Hollanders zoo even doorgetrokken waren en het is in dit laatste dorp dat zij eenen Hollandschen ruiter krijgsgevangen gemaakt hebben, die naar Leuven vervoerd geworden is.
Eindelijk het zou te lang zijn al de daadzaken te verhalen door de welke onze gemeente gelooft recht te hebben tot het ontvangen van een eerevaandel dat zij verdiend heeft. (Arch. I. B. 15.)

Een deel van het Fransch leger, dat ons land ter hulp kwam, bleef in onze gemeente stil van 17 tot 18 Augustus 1831.
De inwoners van Duisburg leverden aan hetzelve 116 1/2 zisters tarwe voor 757 guldens.
Onze gemeente archieven spreken nog van de volgende inlegeringen te Duisburg.
Eene wacht van het 12 regt 2 batn linietroepen, van 16 tot 18 November 1832.
Eene wacht van het 3° batn 6° compie der burgerwacht van Oostvlaanderen van l tot 6 December 1832.
De 2e compie le bate van het 12e linieregt, tellende 134 man van 7 tot 31 December 1832.
De 2e compie der partisans, van 24 Januari tot 4 Februari 1833.
De Belgen hadden reeds de eerste vruchten der wijze regeering van Leopold I mogen smaken, toen de aardappelziekte aan de algemeene welvaart des landmans een' ruwen slag toebracht. Deze plaag, welke zich hier de eerste maal in 1845 vertoonde, richt nog bijna jaarlijks groote verwoestingen aan. En tot overmaat van ongeluk was de oogst van 1846, eene der gemeenste, waarvan men gedenkenis heeft, zoo dat er in dien tijd ook weer armoede in het dorp heerschte.
Den 10 Januari 1855 was gansch de gemeente in feest om de plechtige inhuldiging van haren nieuwen Burgemeester, den heer P. F. Decoster te vieren.
Den 21 Juni 1861 woedde er over Duisburg een schrikkelijk onweder dat groote schade toebracht aan den klokkentoren en op twee andere plaatsen nog brand veroorzaakte. (Zie beschrijving der Kerk.)
In 1866 leed onze gemeente veel aan een verhageling, die plaats had op het oogenblik dat het sloorzaad gesneden lag. [4]
Doch het was vooral in 1871 dat eene nieuwe ramp den akkerbouw kwam treffen. In den nacht tusschen 11 en 12 Februari vroor het zoo geweldig dat bijna al de graangewassen vernietigd werden en men in de lente tot eene algemeene herzaaiing moest overgaan.
Dewijl het jaargetijde te ver gevorderd was om granen onzer streek te zaaien, verschafte men zich eene soort van zomertarwe, welke twee inwoners dezer gemeente gingen koopen te Heyst en te Knocke, bij Blankenbergh en die daarom Blankenbergsche tarwe genoemd wierd.
Men zal een gedacht hebben van de schade, welke de strenge vorst den landlieden veroorzaakte, als men weet dat men voor Duisburg alleen, ruim 70 zakken van 100 kilos dergelijk zaaigraan aankocht, dat hier van 50 tot 53 frank den zak betaald wierd. Gelukkiglijk bracht deze tarwe, ofschoon wat laat rijp geworden, een redelijk voldoenden oogst op, zoo dat al de landbouwers zich beloond zagen voor hunne moeite en onkosten eener dubbele zaaiing en zich het geheele jaar rond met tarwebrood mochten vergasten.
Onze gemeente leed zooveel niet als de omliggende plaatsen aan het tempeest, dat in den namiddag van Zondag, 12 Maart 1876, woedde, ofschoon dit hier ook wel is waar, ettelijke boomen omverwierp en vele gebouwen beschadigde.
In 1880, vierde België de vijftigste verjaring zijner onafhankelijkheid. Onze gemeente wierd op het Vaderlandsch feest van 10 Augustus vertegenwoordigd door den Burgemeester en den Secretaris, hiertoe door den Gemeenteraad, in zitting van 5 Augustus aangewezen.
Reeds vroeger had deze raad het aandeel van de gemeente gestemd in het uitrusten van eenen ruiter, die ons kanton in den historischen omgang van 18 Augustus vertegenwoordigde.
Deze feesten waren eene welvierende hulde door de Belgische natie bewezen aan de grondwettelijke instellingen en het vorstelijk stamhuis, die ons land eene halve eeuw van rust en vrede, van geluk en voorspoed hebben weten te schenken.
Het geschiedkundig overzicht, dat men komt te lezen, bewijst dit genoegzaam voor wat ons dorp betreft.
Immers vóór 1830 was de oorlog om zoo te zeggen bestendig. Hoe dikwijls heeft deze plaag onze gemeente niet bezocht. Op een vijftigjarigen leeftijd zagen de inwoners van Duisburg meer dan eens de vreemde troepen hunnen grond betreden. Nauwelijks had de vijand onzen bodem verlaten en begonnen de huizen weer uit hunne puinen op te rijzen, of een nieuwe oorlog kwam andermaal onze streek verwoesten.
Nooit zag België eene halve eeuw van rust, zoo als die welke het van 1830 tot 1880 beleefd heeft.
Er is reeds gezegd hoe het vroeger met de police gelegen was. Niet alleen in 't veld en op de baan, maar zelfs in huis was er altijd geene veiligheid. Gansche benden knevelaars, voetschroeiers en Egyptenaars, hier genoemd binders, teensnijders, en sipbenessen, liepen de dorpen af tot dus verre dat de inwoners zelven hier bij dage en nachte patrouillie moesten maken. De geweldenarijen door de eerste in de omliggende pachthoeven gepleegd, zijn nog in afschuw bij onze bevolking. Meestal bleven deze misdadigers ongestraft: de police en het gerecht waren machteloos.
Dank aan onze nationale instellingen en wettelijke verordeningen is deze staat van zaken merkelijk gebeterd. De arme, zoowel als de rijke, is koning in zijn huis; de minste aanslag op zijnen eigendom, zijnen persoon of zijne eer, wordt met de grootste zorg onderzocht en volgens de wet gestraft.
Ook onder opzicht der lasten moet de goede oude tijd niet zoo zeer boven den tegenwoordigen verkozen worden.
Men heeft reeds gezien in wat al schulden ons dorp gevallen was. In een ander hoofdstuk staan de belastingen aangeduid, welke de inwoners van Duisburg moesten betalen.
En dit alles om den oorlog te voeden of zijne rampen te herstellen, weinig of niets voor werken van openbaar nut of algemeen voordeel.
Dan was er b. v. geene quaestie van steenwegen te leggen. In het midden van het Dorp, vóór de kerk, was de baan met slecht weder een oprechte modderkuil waarin niet alleen de gespannen, maar ook de ledige trekbeesten, ja zelfs de menschen vast staken.
En langs zulke wegen moesten de Duisburgenaars hun graan naar afgelegene molens, hunne waren op de naburige markten brengen; en de bewoners der gehuchten, bij donker en klaar, naar het Dorp ter kerke komen en, met alle weder, hunne kinderen ter school en catechismus zenden.
Men verbeelde zich hoe dikwijls menschen en dieren zich op deze banen hebben afgeslaafd.
Om dan eene kar granen of aardappelen naar Brussel te vervrachten moest men doorvoeren, dat is daags te voren, bij middel van een groot getal paarden, zijne waren tot Tervuren brengen. Men achtte zich gelukkig wanneer men onderwege in de diepe kuilen van den modderigen aardenweg niet bleef sleken. Na dan alles aan stukken gevoerd te hebben, was men verplicht de kar of den wagen te ontladen, de zakken op den rug door het slechte deel van den weg te dragen, om ze verder weer op het rijtuig te plaatsen.
Dit wierd te Tervuren aan deze of gene herberg uitgespannen en voerlieden en paarden keerden weer naar huis.
'S anderendaags 's morgens ging men terug om het gespan naar Brussel te voeren.
Was dit in 't wederkomen met steenkolen of iets dergelijks geladen, dan moest men het 's avonds nog eens te Tervuren verlaten, om den derden dag met een aantal paarden af te halen.
In dien tijd kende men hier het gebruik van den paraplu niet : 'bij regen of sneeuw hing rijk en arm zich eenen zak op hoofd en rug. In ons dorp wierd de eerste paraplu gebezigd door pastoor Bruylants, rond het begin dezer eeuw.
Men aanzag den regenscherm eerst als een voor¬werp van weelde en meer dan een dorpeling was verlegen hem in de tegewoordigheid zijner kennissen te gebruiken.
Dewijl er thans gesproken wordt over den vroegeren toestand der bewoners onzes dorps, zal het niet ongepast zijn dit tafereel ook onder opzicht der woning, kleeding, enz. te volledigen.
Vroeger trof men hier maar weinige steenengebouwen aan. De groote meerderheid der woningen warenleemen huizen met stroo gedekt, oprechte hutten, waarin men nauwelijks tegen het gure weder of de kwaaddoeners bevrijd was, en die maar al te gemakkelijk aanleiding gaven tot groote brandrampen.
Eene halve deur, eene venster met kleine ruiten, een aarden vloer, eene groote ouderwetsche schouw en eene zwartgerookte zoldering, volledigden meestal den bouwkundigen aanblik dezer woningen.
Stoven waren er niet. In de pastorij en eenige bemiddelde huisgezinnen stond een kachel, waarin men niets dan hout kon branden. Rond het jaar 1816 bezigde Franc. De Coster, bijgenaamd Sussen Oom, hier het eerst eene stoof, die met houillie gestookt wierd.
Doch over het algemeen wierd er met hout of turf onder de schouw een groot vuur aangelegd, rond hetwelk de familie zich des winters in een halven cirkel plaatste. Terwijl de hitte van dezen gloed het voorste deel van het lichaam schier verzengde, leed het overige dikwijls aan koude. Daarom maakten sommigen gebruik van lederen scheenlappen en hield men zich achter beweegbare schutsels verborgen [5].
Moeder en dochters sponnen des avonds bij het licht eener kleine ijzeren lamp, die met eene beweegbare lat, neuss geheeten, aan den schoorsteenmantel hing en nauwelijks klaarte genoeg gaf om elkanderen op weinigen afstand te herkennen. Van carcels of quinquets, petrol of bougies had men toen nog geen gedacht. In de herbergen brandden roeten kaarsen op hooge houten kandelaars. Zelfs in de kerk was er geen ander licht.
Des middags zat de gansche familie rond eene kleine tafel, om uit eenen en dezelfden aarden schotel te eten. 's Morgens at men, in den zomer, melk, in den winter, pap, met of zonder brokken. Elkeen nam zijne teil op den schoot of plaatste die waar 't hem lustte.
Tot in 't begin dezer eeuw dronk men hier weinig of geenen koffie.
Ook het kleedsel droeg de kenteekens van dit eenvoudig leven. Der vrouwen opschik bestond uit rok, jak en koof. Op de werkdagen was het bij vele, een keurslijf ook met korte mouwen, waarbij zij armhandschoenen droegen. Een katoenen manteltje, dat langs voren tot aan de knieën afhing en verder slechts den rug bedekte, later eene mantilje van dezelfde stof, was het zondagsgewaad van meestal de vrouwspersonen. Het gewoon overkleedsel der mannen was eene witte, later eene blauwe fuik of kiel met korte slippen, bijna in den vorm van een hemd gemaakt. Hun hoofddeksel was een schoteltje van witten baai of een zwarte hoed met opgeslagen boord. De beste ingezetenen alleen droegen eene lange gekleurde jas, met zeer enge mouwen en grooten rechtstaanden kraag. Uit sterk laken vervaardigd, had zij veel geld gekost en diende zij voor gansch het leven. Zij wierd zorgvuldig in de kist bewaard en kwam alleenlijk bij groote plechtigheden onder de zon. Het was de man zijne trouwjas. Eene korte broek, zwarte kousen en schoenen met zilveren gespen volledigden gewoonlijk deze kleeding.
Met kermissen en feesten danste men op de toonen eener viool en het verdoovend gebons eener trommel. Het kermisbal of « 't Spel » begon onmiddellijk na het lof en er wierd gevedeld, getrommeld en gedanst tot tien ure 's avonds, wanneer alle deftige lieden huiswaarts keerden. Deze vereenigingen gaven maar al te dikwijls aanleiding tot bloedige worstelingen; daarom wierd de tegenwoordigheid der gendarmen op elk feest vereischt.
Niet alleen de stoffelijke toestand maar ook de verstandelijke ontwikkeling der bevolking heeft in deze eeuw groote vorderingen gedaan. Voordezen was de onwetendheid bijna algemeen. Het kosteloos onderwijs bestond niet: de minstgegoede burgers van Duisburg moesten schoolgeld betalen. Nu mag men kosteloos de dagschool, avondschool en naaischool bijwonen. De geleerdheid zal weldra de regel, de onwetendheid eene zeldzame uitzondering wezen.
Vóór het jaar 1830 ontving men in Duisburg geen enkel nieuwsblad. Nu en dan kwam een liedjeszanger het een of ander buitengewoon voorval in het Dorp verkondigen. Men vrage niet of hij en zijn nieuws er gretig ontvangen wierden.
Dewijl er noch post, noch brievendrager bestond, was er ook bijna geene briefwisseling. Wilde men iemand eene schriftelijke mededeeling zenden, dan moest men die zelf ter bestemming doen geworden. Ook wierden meestal de boodschappen, zoowel naar de steden als omliggende dorpen, in persoon en mondelings afgelegd.
De post op den buiten wierd ingericht door regle¬ment van 20 Aug. 1836, krachtens hetwelk in iedere gemeente eene brievenbus moest geplaatst worden [6].
Na de inrichting van den postdienst kwam er een of meermaals op de week, een brievendrager, die vooral met de stukken betrekkelijk het gemeentebestuur belast was. Hij had den Hoorn, alsdan bewoond door den Secretaris Van Hamme, tot zoogezegde poststatie gekozen. Daar brachten of haalden de inwoners de weinige brieven die zij toen verzonden of ontvingen. Daar plaatste men ook de eerste brievenbus, die rond het jaar 1845 overgebracht wierd naar het gemeentehuis van dien tijd, alwaar zij tot heden toe gebleven is [7] .
Sedert dan heeft de briefwisseling zich op eene wonderbare wijze ontwikkeld. Buiten de telegrammen ontvangt men thans in Duisburg gemiddeld 7 a 8 brieven en 5 a 6 kaartjes per dag, en niet minder dan 54 dag- en weekbladeren van allen aard waaronder 20 in de Fransche taal.
Deze blik op het verledene is niet zonder belang; hij leert ons den nederigen toestand onzer voorzaten kennen en bewijst ten klaarste dat de halve eeuw van onafhankelijkheid ons onder meer dan eene betrekking zeer voordeelig geweest is.
Dat de Voorzienigheid ons Vaderland blijve beschermen en den bewoners van Stad en Dorp nog meer zulke tijdperken van rust en vrede schenke.

Proeve eener beschrijving der gemeente en oude vrijheid Duisburg - Deel 3

Voetnoten[bewerken]

  1. Men zegt dat de Brunswijckers in een klein bosch dezer omstreken een gouden afgod bedolven en achtergelaten hebben.
  2. De oude soldaten van Napoleon, die hier in 1859 nog leefden en de medaille van Ste-Helena ontvingen waren :
    1° Vandenplas, Jozef, overleden in 1861
    2° Michiels, Engel, id. 1865
    3° De Coster, Joannes, id. 1865
    4° Van Aerschot, J. B., id. 1866
    5° Servaes, J. B., id. 1867
    6° Bontemps, Guill. id. 1877
    7° Vanobbergen, Guill., id. 1878
    8° Puyts, Jan Jozef, id. 1879
    Deze bronzen medaille draagt de beeltenis des keizers met het randschrift : Napoléon I empereur. Op de andere zijde leest men : A ses compagnons de gloire, sa dernière pensee. Ste-Hé-lène, 5 Mai 1821.
  3. Zie gemeentebestuur
  4. Den 28 juni ll. is een orkaan over onze gemeente losgeborsten en de hagel heeft de velden verwoest; vooral het sloorzaad en de aardappelen hebben er veel aan geleden, geheele parceelen zijn zwaar geteisterd en de onderstane schade is zeer aanzienlijk (Gemeente arch.)
  5. In dien tijd mocht elkeen van Kersmis tot Lichtmis in het bosch hout halen.
  6. Deze zoo nuttige instelling schijnt in den beginne niet veel bijval ontmoet te hebben, want den 2 November kloeg de minister van openbare werken " over den weinigen iever die sommige burgemeesters aan den dag leggen tot het helpen invoeren van den dienst der buitenposterijen, wijl er in vele gemeenten nog geene brievenbus geplaatst is. " (Mem. van Adm.)
  7. Ondertusschen waren brievendrager in Duisburg :
    • Forton, die een groot getal gemeenten bediende.
    • Ernest Lambert van tot 1844
    • Neefs van 1844 tot 1845
    • Vandenplas J.B van 1845 tot 1850
    • Danhieux Ch. van 1850 tot 1865
    • Vandenplas J.B. (tweedemaal) van 1866 tot heden