Provinciale Drentsche en Asser Courant/Jaargang 99/Nummer 30/Van de Boekenplank

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Van de Boekenplank
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 4 februari 1922
Titel Van de Boekenplank
Krant Provinciale Drentsche en Asser Courant
Jg, nr 99, 30
Editie, pg [Dag], tweede blad, [3]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Van de Boekenplank.

      „HET GETIJ” brengt wel altijd iets belangrijks, iets waarbij het zich onderscheidt van alle andere periodieken; het is jong en heeft toch een wijsheid der ouden, want deze jongheid is niet de zoozeer geroemde spontaniteit, die per slot van rekening niet meer weet hoe zij het met zichzelven heeft, doch de jeugdgroei zelve, zonder geforceerdheid, zonder raffinement, openbloeiende in alle richtingen, doch van uit den gemeenzamer hartklop. Dat blijkt ditmaal zeer duidelijk uit het antwoord aan Carel Scharten, die de rondedans in het November-nummer van „Het Getij” noemde: „kwajongensgrappen, waaraan toch een verklaarbaar ongeduld ten grondslag ligt” en verder schreef, dat deze rondedans is: „een overmoedig jeugd-spel met de zeer groote talenten eener vorige generatie, gespeeld door jongeren.... die goeddeels hun talent nog toonen moeten!” De redactie van „Het Getij” vraagt nu maar: wat zal de heer Scharten als bewijs van ons talent accepteeren?
      „Romans, d. w. z. een volgens de traditioneele opvatting tot lijvig literatuur-stuk gecomponeerde roman, zullen wij niet meer ter tafel brengen” en verder: „door de afmetingen van ons werk zullen wij helaas voor den heer Scharten wel geen blijk van ons talent kunnen geven. Laat ons duidelijk zijn. Ten eerste: Wij tornen niet aan de genialiteit als zoodanig, maar aan de standaard-genialiteit, waartoe zekere figuren bij ons verheven zijn en die ons willen dwingen als zoete discipelen alleen boeken te schrijven, ad majoram gloriam van deze genieën, zoodat zij kunnen zeggen: Mijn woord is in u vleesch geworden. Ja, hoe oneerbiedig het ook moge klinken: de schoenen van onze genieën zijn ons te groot. Wij moeten ze uittrappen om zelf beter te kunnen dansen. Maar dit is toCh niet het hoofdbestanddeel van onze werkzaamheid. Onze werkzaamheid, die naar buiten spuiend lijkt, is naar binnen synthetisch, op centraliseerende wijze samenvattend. Daartoe willen wij eerst in de literatuur het proza van zijn „literatuur” ontdoen en in de verskunst het gedicht van zijn „poëzie”
      Na deze vergelijkende beschouwingswijze, gaat de redactie dan voort het eigen werk te verklaren en samenvattend is de verklaring te vinden in dezen éénen slotzin: Het wezen zelf moet geheel zijn in wat er over gezegd wordt”.
      Verschillende antwoorden op de Enquête zijn ingekomen. Belangrijk zijn deze niet zoo zeer – behoudens een enkele uitzondering – om de antwoorden zelve, als wel om de wijze waarop de verschillende eilandbewoners zich in hun eenzame opsluiting hebben ingedacht. In ’t algemeen wordt die opsluiting wel met gejuich begroet. Door Van Zanten – ik meen in zijn „Insel der Verfluchten” – is het geval al reeds eerder op een geestige wijze onder de oogen gezien en de kok, die meeging, kwam er nog het beste af.
      Hondius begint een nieuw verhaal „Sebastiaan”, C. v. W. bespreekt Picasso naar aanleiding van het bij de Delphin-Verlag te Munchen (1921) verschenen werk van Maurice Raynal over dezen baanbreker in de schilderkunst, uit het Fransch vertaald en verlucht met 8 koperdrukken en 95 reproducties van zijn teekeningen, gravures, beeldhouwwerk en schilderijen, waarvan „Les Baladins” en „Les Maisonneurs” zeer goed in „Het Getij” zijn gereproduceerd. Van J. Slaverhoff „Het Doodeneiland”, van Frederik Chasalte „De Clowns” en de Fantasten, van Hendrik de Vries „Het Weezen”, Tooneelkroniek door E. Renso Telger. C. J. Kelk bespreekt het nieuwe in de poëzie, Theo van Doesburg geeft een revue der avant-garde. Een jongere (M. B.) staat een deel van zijn manifest af, Hübner schrijft een als altijd zeer interessanten Duitschen brief „Simultane Lyrik”. Ten slotte aanteekeningen en boekbeoordeelingen.

      – In de bekende editie Nederlandsche Staatswetten Schuurman Jordens, uitgave van W. E. J. Tjeenk Willink te Zwolle, zijn verschenen de Schepenwet en Scheepvaart (verdrags) wet, benevens de Telegraaf- en Telefoonwet 1904. Beide wetten zijn verzorgd door Dr. L. Leydesdorff, referendaris ter gemeentesecretarie van Utrecht.

      NETSCHER’s REVUE. Wij ontvingen ter aankondiging no. 1 van den tweeden jaargang van „Netscher’s Revue”.
      Netscher, die gedurende vele jaren de Nederlandsche Revue redigeerde, maar die door het onhebbelijk optreden van een collega „er uit gewerkt” werd, zet thans in een Revue, die zijn naam draagt, zijn werkzaamheden voort. Het tijdschrift ziet er typografisch uitstekend uit en geeft de gewone artikelen, die zoo bijzonder in den smaak vielen, op dezelfde wijze als vroeger. De wereldgeschiedenis in ernst en karikatuur; belangrijke onderwerpen; karakterschets; revue der Tijdschriften en „het boek van de maand” vullen dit eerste nummer. Wij verheugen ons, dat Frans Netscher, op de hem zoo eigene manier, het Nederlandsche publiek voorlicht in zijn Revue.