Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/Jaargang 134/Nummer 24/Gedenkstukken van geschiedenis en kunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gedenkstukken van geschiedenis en kunst
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 29 januari 1934
Titel Gedenkstukken van geschiedenis en kunst. Overblijfselen van Romeinsch Nijmegen.
Krant Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant
Jg, nr 134, 24
Editie, pg [Dag], eerste blad, 2
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

GEDENKSTUKKEN VAN GESCHIEDENIS EN KUNST.

Overblijfselen van Romeinsch Nijmegen.

      Aan het verslag van de commissie ter verzekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis en kunst te Nijmegen over het jaar 1932, is het volgende ontleend:
      De heer J. H. Schmidt, plantagemeester dezer gemeente bezorgde ons in 1927 enkele onoogelijke, doch duidelijk-Romeinsche en karakteristiek 4e-eeuwsche aardewerkscherfjes, die, naar wij tot onze groote verwondering vernamen, bij wegenverbetering op het aan de gemeente Nijmegen toebehoorende, doch onder Malden gelegen terrein Heumensoord waren gevonden. Romeinsche vondsten uit deze buurt waren ons tot dan toe in het geheel niet bekend.
      Nog meer stonden we echter verbaasd toen we, bij een bezoek aan de op ongeveer 6 K.M. hemelsbreedte ten Zuiden van het Valkhof, aan den Westrand van het perceel de Rauwschans gelegen vindplaats, daar, ondanks de ingrijpende veranderingen die dit voormalige heideveld sinds zijn ontginning in de veertiger jaren der vorige eeuw heeft ondergaan, toch nog onder oud hakhout duidelijk een laag, door de resten eener gracht, omgeven heuveltje konden waarnemen dat, in verband ook met de ter plaatse nog rondom verspreid liggende scherven en brokken bouwmateriaal, terstond aan een wachttoren of klein castellum van zéér-laat-Romeinschen oorsprong deed denken.
      De directeur van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, dr. J. H. Holwerda, bleek bij een al spoedig gevolgde inspectie van gelijke meening, en, daar wij zelve nu eenmaal ongeveer alles missen wat voor een onderzoek als hier noodig zou zijn, wordt vereischt, gingen wij gaarne op zijn voorstel in om óók dit overblijfsel van — eenigszins ruim genomen — het Romeinsche Nijmegen met de hem ten dienste staande geldelijke en andere hulpmiddelen te doen onderzoeken. Voor dit onderzoek kon eerst in den zomer van 1931 tijd en gelegenheid worden gevonden, terwijl het ook toen nog na het graven van eenige proefsleuven, tengevolge van door de beplanting van het terrein veroorzaakte moeilijkheden, moest worden afgebroken. Nadat deze door de goede zorgen van den dienst der gemeente-plantsoenen waren opgeruimd, werd dan in den zomer van het verslagjaar het onderzoek voortgezet en beëindigd.
      Het resultaat bleek werkelijk een klein Romeinsch castellum, omgeven door een zeer eigenaardige dubbele gracht, met deze mede ongeveer 40 bij 40 Meter groot, en blijkens een zeer homogeen vondst-materiaal van scherven en munten te dateeren tot in het laatst van de 4e eeuw.
Van de vier perioden, waarin na het onderzoek der laatste twintig jaren het, vroeger chaotische, Romeinsche hoofdstuk van de geschiedenis onzer stad gevoegelijk kan worden onderverdeeld, waren er tot nu toe slechts drie — de drie eerste — met een aanleg, een bouwsel van militairen of anderen aard in verband te brengen: achtereenvolgens het Oppidum Batavorum, de Romeinsche legerplaats en de Bataafsch-Romeinsche stad Ulpia Noviomagus. Door de nieuwe ontdekking is de reeks nu tot op zekere hoogte compleet, en hebben we ook voor de aanwezigheid van overblijfselen uit den laat-Romeinschen tijd althans het begin eener verklaring. Daarenboven belooft deze vondst voor de historische topographie der stad van beteekenis te zullen worden. Zeer waarschijnlijk was de vroegere wijde heide ten Zuiden [v]an Nijmegen, ook blijkens het reeds vermelde, overigens totale gebrek aan vondsten in den R[o]meinschen tijd geheel woest en verlaten, terwijl toch de groote Romeinsche weg naar het Zuiden haar moest hebben doorsneden. Reeds in 1927 begonnen wij er dus rekening mede te houden dat een ter plaatse te vinden wachttoren of castellum bezwaarlijk tot iets anders dan tot bescherming van dien grooten verkeersweg zou hebben kunnen dienen, en dus een uitgangspunt zou zijn voor een nieuw onderzoek naar den juisten loop van de uit het Zuiden naar onze stad voerende Romeinsche heerbaan. Wij zijn toen wederom aan het zoeken gegaan, en, alhoewel dit onderzoek nog niet is beëindigd, meenen wij toch, dank zij het nieuwe gegeven, reeds nu een plausibele oplossing voor het oude raadsel, en, daarbij aansluitend, een nieuwen kijk op den topographischen ontwikkelingsgang onzer stad te mogen beloven. Tezijnertijd zullen wij hieromtrent nadere mededeelingen doen.