Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/Jaargang 136/Nummer 60/Romeinsche verzamelingen te Nijmegen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Romeinsche verzamelingen te Nijmegen
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 11 maart 1936
Titel Romeinsche verzamelingen te Nijmegen. Gemeentemuseum en Rijksmuseum Kam vereenigd? Uiteenzetting van prof. Holwerda.
Krant Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant
Jg, nr 136, 60
Editie, pg [Dag], eerste blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

ROMEINSCHE VERZAMELINGEN TE NIJMEGEN

Gemeentemuseum en Rijksmuseum Kam vereenigd? Uiteenzetting van prof. Holwerda.

      Zooals men weet bestaan er plannen om de Romeinsche verzamelingen, welke zich bevinden in het Rijksmuseum Kam en in het gemeentemuseum hier ter stede samen te voegen. Althans: prof. dr. J. H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum Kam heeft tot het gemeentebestuur van Nijmegen een schrijven gericht, waarin hij deze samenvoeging bepleit, terwijl hij daarbij tevens mededeelde, dat de minister van Onderwijs met de plannen instemt. De vereenigde verzameling zou dan worden ondergebracht in het Rijksmuseum Kam en de gemeente Nijmegen zou daartoe haar Romeinsche verzameling in bruikleen aan het Rijk moeten afstaan. Deze aangelegenheid is reeds in den gemeenteraad ter sprake gekomen, doch een definitieve beslissing werd nog niet genomen. Wordt de samenvoeging n.l. een feit, dan zullen in het gemeentemuseum verschillende veranderingen moeten plaats vinden, die 1000 gulden zullen kosten. De gemeente heeft nu aan het Rijk verzocht dit bedrag voor zijn rekening te nemen. Het antwoord van het Rijk is nog niet binnengekomen.
      Hangende deze quaestie nu is er gistermiddag in het Rijksmuseum Kam een bijeenkomst gehouden van leden van den gemeenteraad, waarin prof. dr. J. H. Holwerda een uiteenzetting heeft gegeven van zijn plannen. Prof. Holwerda wees daarbij op het z.i. dwaze van den huidigen toestand, waarbij een deel van de Romeinsche verzameling op Nijmegen betrekking hebbend, ondergebracht is bij het Rijksmuseum en een ander deel in het gemeentemuseum. Een goed overzicht is hierdoor niet te verkrijgen. Door vereeniging van beide collecties zou een unieke verzameling verkregen worden, die een aantrekkelijkheid voor Nijmegen zou blijken. En, zoo betoogde prof. Holwerda terloops, in verband met de opening der Waalbrug is men er immers op uit om Nijmegen zooveel mogelijk attracties te geven. Deze vereeniging moet niet beschouwd worden als het stokpaardje van den een of den ander of van het Rijk; zij is zoowel uit wetenschappelijk als uit een oogpunt van attractie beschouwd, van groot belang voor de stad. Prof. Holwerda zette voorts uiteen, dat het zijn bedoeling is om in één groote zaal bijeen te brengen alles wat op de Romeinsche geschiedenis van Nijmegen betrekking heeft. Het overige deel der collectie zal o.m. in de groote hall worden opgesteld om de bezoekers reeds aanstonds bij het binnenkomen een indruk te geven van de fraaie voorwerpen, welke de Romeinen wisten te vervaardigen. Het is de bedoeling om in het museum ook een maquette van Romeinsch Nijmegen op te stellen, die 9 Meter lang zal zijn.
      Het gezelschap heeft vervolgens het museum bezichtigd, voorgelicht door prof. Holwerda, waarbij bleek, dat het Rijk reeds veel medewerking heeft verleend om door prof. Holwerda gewenschte veranderingen of verbeteringen te doen aanbrengen. Tevens vond prof. Holwerda daarbij gelegenheid om meer tot in onderdeelen uiteen te zetten hoe z.i. in de toekomst de opstelling worden moet.
      Met belangstelling heeft het gezelschap van een en ander kennis genomen en tot velen sprak het nog weer eens te meer, welk een belangwekkende collectie hier is tezamen gebracht. De loco-burgemeester, wethouder mr. P. I. J. M. v. d. Velden, bracht prof. Holwerda aan ’t eind dank voor zijn voorlichting.