Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/Jaargang 1913/Nummer 171/De vijfde Vierjaarlijksche te Arnhem

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De vijfde Vierjaarlijksche te Arnhem
Auteur(s) B.J.K.
Datum Woensdag 23 juli 1913
Titel De vijfde Vierjaarlijksche te Arnhem
Krant Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant
Jg, nr ?, 171
Editie, pg [Dag], eerste blad, [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


De vijfde Vierjaarlijksche te Arnhem.

      Na de belangrijke kunsttentoonstelling, vorig jaar hier te Nijmegen gehouden, heeft thans Arnhem er eene van nagenoeg gelijken omvang en eenzelfde gehalte. Ze is ondergebracht in de ruime achterzaal van Musis, die opzettelijk hiervoor ingericht, goed aan het doel beantwoordt. Aan den ingang is de afdeeling etsen, teekeningen en aquarellen, in drie daaraangrenzende zalen wordt het schilderwerk geëxposeerd en als stoffeering zijn de beeldhouwwerken over deze ruimten verdeeld.
      Het is een overzichtelijke tentoonstelling geworden, niet te omvangrijk, niet te vermoeiend en toch in hooge mate interessant. Dit niet alleen omdat ze een beeld geeft van onze hedendaagsche schilder- en beeldhouwkunst en daardoor een zeer uiteenloopende productie toont: van de Haagsche school tot het cubisme — maar ook omdat bijna uitsluitend superieur werk aangenomen is, zoodat een gang door de zalen één groot genot is. Behalve Hollanders zijn ook enkele buitenlanders vertegenwoordigd, echter niet om gewicht in de schaal te leggen.
      Van de Nijmeegsche schilders zijn er slechts drie. Mej. M. Robert Janssen, die in de laatste jaren met mooi werk voor den dag komt, exposeert ook hier een doekje, dat een groote bekoring heeft. Twee meisjes in de bloemenweide, omstraald door een zomersche zon, die het gouden licht door de blonde haren sprankelt. Mooi is die lichtschittering in beeld gebracht, echt »buiten« is dit tafereeltje. Kleur en licht, blijheid en levenslust stralen er u uit tegen. Henri Leeuw zond geen nieuwe schepping, zijn koeien in de weide zagen we vorig jaar hier en we hebben toen reeds de voortreffelijke eigenschappen van dit zuiver gestemd werk geprezen. Eug. Lücker vergast ons op een feest van kleur in zijn «Octobernamiddag«. Oranje, rood en paars in verschillende varianten geven een vrij harmonisch en prettig geheel, licht en stralend, niet te diepzinnig, niet van sterkende kracht, maar van een groote frischheid, een breken met den sleur.
      Als we dan verder in volgorde van den alphabetischen catalogus de opmerkelijkste en belangrijkste werken willen noemen, spreekt het vanzelf, dat we daarbij toch nog veel verdienstelijks moeten passeeren. De aandacht vraagt echter dat prachtwerk van mej. Lizzy Ansingh, getiteld »Het gele gevaar«. Het is een poppengezelschap, in het midden een Chinees: het gevaarlijke heerschap. De groote verdienste van dit niet geheel nieuwe doel is de diepe sonore kleur, de samenklinking der kleur en de compositie. Minder de kleur dan wel de stemming inspireerde mr. R. S. Bakels lot zijn dorpsstraat bij winterdag. Intusschen is zijn bedoeling geslaagd en voelen we sterk de expressie van den kouden sneeuwdag.
      Grootscher, wijdscher is »de Kruisdraging« van M. Bauer. Klein van afmeting, maar rijk van inhoud en bovenal verheven; het is het Oostersch romantische, het beheerscht-fantastische en tevens het fijn-kleurgevoelige, wat ons in dit werk zoo aantrekt. Een ander doekje hier, »de Poort«, is eveneens grootsch van kleur en bouw. Rijke kleuren, maar dieper en zwaarder door het glacis, heeft ook W. van den Berg in zijn »Kind met fruitschaal«, al moet dit in brillante schildering ook weer ver achterslaan bij de twee werken, welke mevr. S. Bisschop—Robertson hier exposeert. Van deze schilderes is ieder werk even belangwekkend, die warme hartstocht der zware donkere kleuren, die gloed en die kracht zijn de zeer eigen uitingen van haar kunstenaarstemperament. »Oude Hanna« en »Ernstige Lectuur« zijn hier geëxposeerd, beide ontroerend door kleur en schildering.
      Richard Bisschop zendt betrekkelijk weinig in op tentoonstellingen en het is dan ook een voorrecht, hier een mooi kerkinterieur van hem te zien. Interessant valt het licht door de lage ramen, intiem en rijk van kleur is dit oude kerkje weergegeven. F. Bobeldijk moet met eere genoemd worden: zoowel zijn portret van den violist, als zijn Amsterdamsch stadsgezicht heeft veel goeds en bovenal de zeer verdienstelijke eigenschap, vreemd te zijn aan alles, wat zweeft naar zoetelijkheid en slapheid. Gezonde kunst is dit. Kracht van kleur maar een minder juiste vormduiding heeft mej. M. de Boer, die blijkbaar een bewonderaarster is van mevr. Bisschop—Robertson.
      Een kunstwerk kan ons om verschillende eigenschap ontroeren, en niet dezelfde kwaliteit treft alle aanschouwers. Bij den een doet het de kleur, bij een ander weer de stemming, het licht of de voorstelling; deze laatste — helaas — weegt bij velen te zwaar. En voor al dezulken, wien het weergeven der stof of het weergegevene zelf, het voornaamste is, moet het stilleven van mej. Braam wel een bizondere waarde hebben. Met de grootste nauwkeurigheid heeft deze elk barstje in een antiek bordje, elke reflex in een glas op de meest natuurgetrouwe wijze weergegeven. Is dit wel niet het hoogste — verdienste heeft het zeker. Niet de werkelijkheid, maar meer dan deze, geeft Co Breman, de pointillist-luminist. De zon brandt en maakt het koren goudgeel, het landschap blaakt onder de zenging en op den voorgrond staat de stoere vrouw met twee schoven — groot gezien, magistraal geschilderd. Breitner is in zijn grijze huizenrij en sleeperspaarden wel zeer interessant, maar zijn werken hebben ons toch wel eens sterker ontroerd. Max Cramer zond een meisjesportret, een combinatie van aquarel en krijtteekening. Zeer veel zorg is daaraan betoond en met groote liefde is dit in beeld gebracht, men lette maar eens op dien achtergrond van oude tegeltjes. Bij de aquarellen treft ons ook nog een decoratief-ornamentale compositie van dr. Dee. Zwarte irissen, witte lelies en roode papavers bracht hij tot een kleurrijk en evenwichtig tableau. G. W. Dijsselhof zond twee mooie


[2]


[...]


aquariumstukken in, die zich echter niet ten gunste van vroeger werk onderscheiden.
      Een bizonder doek hangt hier van Ed. Gerdes. Opmerkelijk om kleur en techniek. Bijna geheel wit is het gehouden, maar een mooi wit is het en even mooi is het blauw daarbij sober toegepast. Zeer los van schildering en toch zoo sterk van vormduiding is dit portret een ware oogenlust. Reëel weliswaar, maar een vermooide realiteit. Een contrast vormt hiermede Theod. Goedvriend, die in zware gloeiende, maar tooverachtige kleuren een groot stilleven van roode paddesltoelen met groene hagedisjes in een mysterieus stukje natuur schilderde. H. J. Haverman gaf een moeder met kind van ontroerende innigheid, en G. Hogerwaard trekt onze aandacht door een liggende jongen met een boek in de handen. Felheid van kleur in die roode trui en dat zwarte broekje naast een juiste houding en knappe schildering brengen ons in bewondering voor dit ongemeene kunstwerk. Van Th. van Hoytema is er een mooie litho met zwanen en eenden in een watervlakte vol cirkelende deining. A. Hijner openbaart een buitengewone techniek in zijn paardenkoppen en H. A. van Ingen geeft de rijpe vruchten van zijn rijk kunstenaarsleven in een landschap met koeien, waarin breede rust en sereniteit den nerveuzen toeschouwer weldadig beroeren. Van J. Israëls is »St. Catharine« een zeer geslaagd werk. Uitstekend zijn die twee jonge meisjes met haar guitige snuitjes onder die papieren mutsen op doek gebracht en hoe verbaast ons telkens weer die ingehoudenheid van zijn kleur bij zooveel kracht. C. Kuijpers is hier schitterend vertegenwoordigd met een fijn tonig winterlandschap, dat ruim en rustig is.
      Een voldragen kunstwerk, zij het slechts een potloodkrabbel of studie, moet steeds de verheven rust in zich dragen. Heeft het niet de grootsche stilte, dan kan het slechts tijdelijk bevredigen. Enkele doeken op deze tentoonstelling geven blijk van zoo’n tijdelijke glorie, het zijn de ongave, onbezonken werken van overigens dikwijls knappe schilders, maar die nog niet zijn gekomen tot een volledigheid, nog niet ontrukt zijn aan het kleine in het groote, aan het detail in hun object. Deze opmerking kan b.v. gemaakt worden bij het verdienstelijk kleurproduct van den Belg J. Lemayeur. Het is schitterend, brillant en de zon zet het oude stadje in een tooverachtigen schijn, maar het doek mist de gebondenheid, er is niet de groote eenheid in: het is onrustig. Hetzelfde gebrek heeft »De Ophaalbrug« van J. H. van Mastenbroek: de groote lijn ontbreekt er in, de breede visie speurt men niet.
      Een zeer mooi portret in pastel zond W. Maris Jbzn. Maar sterker boeit Monnickendam ons met zijn »Levensvreugd«. Deze schilder grijpt in het volle menschenleven en dat is altijd interessant. Hij geeft ons hier een vruchtenstilleven van een buitengewone weelde, zinnelijk-weelderig, wereldsch-bekorend, maar sterk van expressie. Faunen en bacchanten dragen de groote schaal met heerlijkheden, alles sensueel voorgesteld, gloeiend van natuur en hartstocht.
      Goede romantiek toont S. Moulijn in zijn »Tuin« en monumentaal geeft ons W. O. J. Nieuwenkamp dien geweldigen, ouden toren.
      Fr. Oerder is een van de schilders, die ons hier het meest verrassen. Hij zond een moeder met kindje in en heeft ons daar ineens mee gewonnen. We bewonderen de innigheid, de mooie rustige handeling en de fraaie schildering in het doek. Wat onrijp van kleur en onvoldoende in de schaduwen, maar niettemin interessant om het krachtige leven en den koenen durf, die er uit spreken, is het groote kleurrijke doek van Willem E. Roelofs Jr. Mooi geschilderde druiven in een onverbeterlijke stofuitdrukking toont G. A. F. Roukes in no. 193 en Lod. Schelfhout trekt de aandacht als eenig cubist op deze tentoonstelling. Willy Sluiter geeft een mooi romantisch hoekje uit Rijnsburg en Jan Sluijters is wel zeer sensueel en bizar in zijn naaktschildering, waarmee hij menig »fatsoendelijke« burgerjuffrouw op de vlucht zal jagen.
      De Haven van St. Tropez door C. Vreedenburg is een werk met goede kleurkwaliteiten, zoowel het rustige even rimpelende water en de vorm der groene schepen, als de strakblauwe lucht, de klaarheid en lichtheid van het geheel, maken dit doek tot een oogenstreeling. We noemen verder nog de beschaafde crimson ramblers van mej. Wandscheer, de blanke watergezichten van J. H. Weijns, de wondermooie rozen in diepklinkende koloriet van mej. C. A. van der Willigen en de kleurkrachtige studie van V. L. Wirix, die in een enkele aanduiding zoo’n juiste stoftypeering bereikte.
      Er zijn eenige interessante beeldhouwwerken. De heerlijkheid van den vorm heeft mevr. Tollenaar—Ermeling getoond in haar »Perséphone dit adieu à la terre«. Het is een zeer verdienstelijk stuk werk, fijn en zorgvol behandeld, mooi van vorm en plastiek. Tot krachtiger karakteristiek bracht het echter W. F. H. van Golberdinge, die een kop inzond vol uitdrukking, edel van lijn, een product van dieper schouwen, van grooter geestdrift. Theo van Doesburg geeft in zijn »kop van een zwaarmoedige« eveneens een sterke expressie, zij het dan ook min of meer een charge. Toon Dupuis is er door drie bronzen vertegenwoordigd, waarvan vooral de vrouwenkoppen ons bekoren, no. 57 om de fijnheid, no. 56 om den jongen gezonden levenslust. Falise maakt zijn trekkende koeien dikwijls zeer belangrijk en het paardje van no. 72 is wel rank van leden. Mej. S. de Swart laat een aardigie Javaansche danseres in brons zien en Tjijpke Visser toont een persoonlijk talent in enkele gesneden houten beeldjes, die wel verdienste hebben.

B. J. K.