Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant/Jaargang 1923/Nummer 20/Ingezonden stukken

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ingezonden stukken
Auteur(s) Een lid van den Kunstkring en Herman Moerkerk
Datum Donderdag 25 januari 1923
Titel Ingezonden stukken
Krant Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant
Jg, nr ?, 20
Editie, pg [Dag], eerste blad, [3]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

INGEZONDEN STUKKEN.

M. de R.

      Wanneer wij in het laatst verschenen nummer van de „Haagsche Post” het artikel lezen van den heer Kurt Schwitters over het Dadaïsme, dan rijst gerechtvaardigde twijfel in ons op of de schrijver van dat artikel wel kennis draagt van de onsmakelijke wijze waarop de heer Kl. voor zijn persoonlijk optreden hier ter stede reclame meent te mogen maken.
      Doch dit daargelaten, vragen wij ons af: laat het Bestuur van den Kunstkring (voor den naam zijner Vereeniging) en de heer Moerkerk (voor zich persoonlijk) zonder eenig protest toe, dat zij ook nu nog, in dergelijk verband door den heer Kl. geëxploiteerd worden? Willem zij inderdaad hunne medewerking verleenen tot het organiseeren van dezen „vroolijken avond van ontspanning en gul lachen; geen kunst doch ontspanning” (zooals de advertentie luidt!), ten koste van een hongerlijdenden Duitschen kunstenaar?
      Ik ben er zeker van ook uit naam van andere ernstige leden te spreken, wanneer ik verklaar mij met deze handelwijze niet te kunnen vereenigen. Mocht het optreden van den „President” van den Kunstkring in het Luxor-Theater heden-avond toch doorgaan, dan zou zijn verschijnen daarna bij de eventueele huldiging onzer groote tooneelspeelster Rika Hopper in het Casino op de toehoorders dáár een zeer twijfelachtigen indruk maken en zeker weinig gewaardeerd worden. Hij late echter liever den heer Kl. het financieele succes van eenige kabaal-minnende derderangers, zonder zich of den naam zijner vereeniging daarin te mengen.
      Voor een weerlooze als de heer Schwitters past slechts een woord van medegevoelen.

EEN LID VAN DEN KUNSTKRING.

      (De heer H. Moerkerk, dien wij de gelegenheid gaven van bovengenoemd stuk kennis te nemen, schrijft ons als antwoord daarop:
      Er bestaat een richting, die zich kunstrichting noemt, genaamd Dadaïsme. De propagandist daarvan, Kurt Schwitters, werd door het Luxor-Theater uitgenoodigd in een lezing deze richting te verklaren.
      Den ondergeteekende werd verzocht dezen lezer aan het publiek voor te stellen en verklaarde zich daartoe bereid, overtuigd, dat er niets on-artistieks gelegen is in het feit dat men een kunstrichting aanbiedt ter kennismaking.
      Zóó zijn de feiten.
      Wanneer het auditorium als naar gewoonte rustig aanhoort wat de lezer vertellen zal en daarna zijn besluit neemt en zijn houding voor de toekomst bepaalt ten opzichte van de gedemonstreerde richting, verloopt ook deze avond zonder eenig incident.
      Men kan van het publiek dezer stad slechts een behoorlijke houding verwachten.
      Met andere woorden: een uiteenzetting met een debat dat naarmate de inhoud der lezing gelegenheid geeft, meer of minder krachtig kan zijn.
      Alles wat als reclame gebeurd is ligt buiten de verantwoordelijkheid van den Kunstkring en den ondergeteekende. Is deze reclame eventueel minder tactvol, dit kan den ondergeteekende niet afbrengen van zijn beginsel dat hij een, zij ’t ook hyper-moderne richting, introduceeren mag.
      Het samenvallen met een tooneeluitvoering elders is voor den ondergeteekende een toevallige omstandigheid, die hij betreurt.
      Voor de zooveelste maal zij ’t me door de redactie nog eens vergund te verklaren dat ik alle geheimzinnigheid veroordeel en mij niet kan verklaren hoe iemand een protest kan schrijven, waarin hij zelfs anderen bij naam noemt, zonder frank en vrij zijn eigen naam er onder te plaatsen.
      Wie gaarne critiseert trede in alle oprechtheid naar voren om zelf critiek te kunnen ondergaan.

HERMAN MOERKERK.