Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1916/Nummer 118/Kunst in de Hofstad

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kunst in de Hofstad
Auteur(s) B. van Hasselt
Datum Zaterdag 20 mei 1916
Titel Kunst en Letteren. Kunst in de Hofstad
Krant Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Jg, nr ?, 118
Editie, pg [Dag], Derde Blad, [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Kunst en Letteren.

Kunst in de Hofstad.

      In de kunstzalen van d’Audretsch zijn 3 exposities te zien van zeer verschillend karakter.
      In een gedeelte der benedenzalen is werk van Rik Wouters opgesteld, bestaande uit schilderijen, aquarellen, etsen en beeldhouwwerk.
      Deze Belg toont zich een virtuoos in zijn vak, een kunstenaar, die zich met groote knapheid en handigheid in al die verschillende technieken uit. Zijn schilderijen, meest groote doeken, geven landschap, figuur, stilleven te zien, impressionistisch, vlot behandeld, de meeste in lichte kleuren zonder schaduw, helder blauw, roze, licht paarsch, etc. ’t Doek is niet bedachtzaam gevuld, de indruk is levendig, in vlugge toetsen neergeschreven.
      Enkele portretten boeiden me ’t meest, goed van karakteristiek en houding, een dame in een licht-blauw kleed, in een stoel gezeten, een heele entourage van gebloemd behang, etc. Goed is in enkele streken ’t stille doen der handen uitgedrukt. Een dame aan een tafel met een kindje, dat bonte plaatjes kijkt, ook een groot stuk van ’t vertrek erbij, een heele durf! Mooi is het aandachtig beschouwen in ’t kind uitgedrukt, mooi is ook de samemstemming van de verschillende plekken rood, donkerder in de gordijnen en ’t kleed der moeder, licht, steenrood bij ’t blonde kindje.
      Pittig, tintelend, levend is al ’t werk, fijn is ’t niet, en diep al evenmin, innerlijk moeten we er niet in zoeken, maar wàt ’t geeft, geeft ’t spontaan en echt en met groote knapheid.
      Onder de beelden, waarvan enkele in brons, andere in gips, zijn eenige vrouwenmodellen, de volle zware vormen, forsch uitgebeeld, met diezelfde raakheid die ook de schilderijen kenmerkt. Dit geldt ook van de pleisterbuste van een heer, een groote figuur, tot de heupen toe gegeven, heel sprekend van houding en karakteristiek, mooier dunkt me dan de buste van Ensor.
      In de bovenzalen is ’t werk van een nieuwe vereeniging van beeldende kunstenaars: „de Anderen”, opgericht door Theo van Doesburg en Erich Wichman, en waar zich bij hebben aangesloten: Denier, Djurre Duursma, Fokkens, Huszár, Laurens van Kuik, Louis Zaalborn, Joh. Tielens, mevrouw Wegerif—Gravestein, en zuster Bertha de Boer.
      Zij brengen ons nieuwe kunst in allerlei vormen; de heer Van Doesburg schreef een voorwoord als inleiding tot dit soort werk, en ook had hij in ’t Meinummer van De Beweging hierover een uitgebreid artikel. ’t Is goed en duidelijk geschreven en kan, dunkt me, zeer opvoedend zijn voor al degenen die zich hardnekkig op ’t standpunt houden dat de schilderkunst een of anderen natuurvorm moet weergeven en dat kunst zonder bepaalde voorstelling niet is gepermitteerd.
      En toch is ’t eenigszins wonderlijk wat hier wordt uiteengezet. Zoo zegt de heer v. D.: Waar ’t afwijken, ’t veranderen van de natuurvorm begint, begint pas de kunst, de kunstwaarde wint met ’t afnemen van de natuurwaarde; wordt de natuurvorm eerst geheel vervangen door een beeldenden vorm, dan eerst hebben we een zuiver beeldend kunstwerk; landschap, portret, stilleven zijn uit den aard als kunstwerk onzuiver.
      Tot op zekere hoogte gaat dit op; wie zonder ontroering als een fotografie precies een stuk werkelijkheid weergeeft, geeft nog geen kunst; en in een landschap, portret etc. verhindert juist ’t landschap of ’t portret, dus de voorstelling, vele menschen om tot ’t wezen van de schilderij door te dringen. Maar tot welke wonderlijke conclusies zouden we komen, indien we de kunst werkelijk afrekenden naar deze stelregel! Immers dan zouden deze modernen meer beeldend vermogen bezitten dan de Delftsche Vermeer, die de zuivere harmonie van zijn ziel en zijn diepe schoonheidsontroering uitsprak in een simpel baksteengeveltje, steentje voor steentje gevolgd. Met ’t wezen der kunst heeft dit immers niets te maken! Wat doet ’t ertoe of een kunstenaar een landschap, een portret of een complex van lijnen en kleuren gebruikt om zijn ontroering in uit te zeggen; niet op de uiterlijke vorm, maar op de ontroering zelf komt het immers aan. Niet omdat een schilderij zonder voorstelling is, is zij goed of slecht, dat doet in ’t geheel niets ter zake, ’t is geen bezwaar en ’t is geen voordeel, tegenover ’t wezen der kunst is dit geheel bijkomstig. Zij kan zich uiten in welken vorm ook en om haar te leeren kennen moeten we nimmer den vorm voor ’t wezenlijke houden.
      We krijgen tegenwoordig veel nieuwe kunst te zien, zoo pas nog de Sturm, nu de anderen. De Sturm was beter. Hoeveel onvermogen vinden we hier, hoeveel holle fantasie, getuigend van armoede. Vele werken zoo hard en ongevoelig omlijnd, zoo verstandelijk in elkaar gezet en niet als een noodwendigheid uit ’t innerlijk gegroeid, zoo weinig echt doorleefd.
      Er is een mannekop van Fokkens, die wel sterk is en expressief; ’t werk van Huszár heeft meer ernst dan de overigen, meer distinctie; er is een klein schilderij van hem in tempera, eigenaardig fijn gevoeld van kleur; er is een krijtschets voor een schilderij; van uit donkere tinten wielen lijnen omhoog en stralen weer uit in lichte kleuren: helder geel en oranje, als de uitbeelding van een ziel, die zich van uit ’t donker opwerkt naar ’t licht.
      Enkele stillevens van Van Doesburg zijn fijn van toon; zijn „Mouvement heroïque” lijkt me verstandswerk. Mevrouw Wegerif heeft er enkele heel decoratieve batik-paneelen, in blauw en geel, paarsch en geel etc.; vooral ’t groote is mooi, nr. 61.
      De 3e expositie omvat ’t werk van Hildo Krop uit Amsterdam, die voornamelijk architectonisch beeldhouwwerk maakt, hoek- en gevelsteenen, topversieringen, meubelbekroningen. Er zit veel moois en persoonlijks in.
      ’t Grootste stuk is een gipsafgietsel van een Eva, gemaakt voor een tentoonstelling van architectonische beeldhouwkunst in Amsterdam, een rechtopstaande figuur, als hoekversiering van een gebouw gedacht. Dit beeld heeft in zijn gesloten, kolomachtigen vorm een sterk decoratieve werking; de rechtafhangende haren, in kleine, regelmatige golvingen en de grootere golven van het slangelijf, doen mooi in het geheel. Het zal een vooruitgang zijn als zulk soort werk meer en meer aan onze gebouwen verschijnt.
      Er zijn reliefs van de Centrale in Nijmegen, kleine baksteenen boekversieringen van ’t Bankgebouw in Doetinchem, heel eenvoudig in aardige sprekende vormen aangegeven, een leeuw, een wolf, gecombineerd met allerlei vegetaties, 2 leeuwtjes van een wapen, etc.
      Er is een in gips gestoken tegeltje, een hertje, dat in zijn geestige, vlugge omtrekelijnen herinnert aan de beesten, die we geschilderd of gegrift vinden op Grieksch vaatwerk. En ten slotte dient nog vermeld een kop in purperhout, misschien bedoeld als trap- of meubelversiering, in een gesloten ronden vorm gegeven, sober en eenvoudig en met dat zekere sfinxachtige in de uitdrukking dat ons ’t werk van Redon voor den geest roept.

B. van Hasselt.