Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1921/Nummer 127/Kunst in Berlijn

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kunst in Berlijn
Auteur(s) H.
Datum Vrijdag 3 juni 1921
Titel Kunst en Letteren. Kunst in Berlijn
Krant Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Jg, nr ?, 127
Editie, pg [Dag], Derde Blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Kunst en Letteren.

Kunst in Berlijn.

      Men heeft hier in Berlijn permanente tentoonstellingen van „der Sturm” en van Paul Cassirer. Beide geven in hoofdzaak nieuwe kunst; der Sturm, die ook wel eens in Holland is verschenen, geeft cubisme, futurisme en hoe men het allermodernste verder noemen wil.
      ’t Is alles heel erg wat men te slikken krijgt, en na de tamelijk uitvoerige beschrijving van de groote tentoonstelling hier, zal ik over „der Sturm” maar kort zijn.
      Enkele aquarellen (zonder herkenbare voorstelling) van Robert Delaunay leken me een zekere fijnheid te hebben; ze zijn in lichte tonen behandeld en door vertikalen en horizontalen beheerscht. Mooi is een kleine bronzen tors van Archipenko, lang gerekt en plat gehouden. Voornaam gevoeld. De eenige compositie hier van onze landgenoote Jacoba van Heemskerk, in sterke kleuren, uitgaand van een boschmotief, leek me tamelijk grof. Soms treft in een stilleven van Louis Marcoussin een zekere eigenheid en iets fijns in den toon. Klein-plastiek van William Wauer, figuurtjes met vierkante blokjes als hoofd en de rest gegeven als platte gebogen vormen. Van „der Schlittschuhläufer” trof ’t me, zoo goed als de beweging daarin was getypeerd. Dat is hier het eenige waar het om gaat. Toch zijn het wonderlijke gedrochtjes, zulke beelden. En meer wonderlijk dan sterk doen ook zijn portretbustes aan (die van Herwarth Walden b.v., den hoofdman van „der Sturm”), met vele, sterk uitgeschepte vlakken tegen elkaar.
      In ’t werk van Kurt Schwitters zijn allerlei hulpmiddelen buiten de verf om aangebracht. In het schilderij „das Kreisen” is touw gespannen en zijn spijkers en klossen bevestigd. Hij heeft een serie kleine werkjes aangeduid als: Murzzeichnung no. zooveel. Daar is niets in geteekend of geschilderd, maar allerlei is over en tegen elkaar geplakt: cigarettenpapiertjes, entree-kaartjes (met opschriften), stukjes schilderlinnen, lapjes in allerlei kleuren en dessins. ’t Klinkt bespottelijk, nietwaar, ik denk ook erbij: waar moet het heen met de kunst, en toch geven sommige van die dingen een fijn kleureffect en heeft de maker zeker kleurgevoel en fantasie. Au fond maakt het ook geen verschil of men aquarelleert of dat men met iets anders een dergelijk effect bereikt. Alleen, waar is langzamerhand de grens! Men gaat toch met een gevoel van verwildering uit zoo’n expositie vandaan.
      Zoo wild als bij „der Sturm” is ’t bij Paul Cassirer niet. Er is nu voornamelijk werk van Eugen von Rahler (een voor ons onbekende), in 1911 gestorven. Ik zal het niet uitvoerig bespreken, zóó belangrijk leek het me niet. Wel trof me in vele dingen de kleur, soms fijn en blank, teergroen en blauw (zooals in „Reiter im Park”), soms diep en somber, als in sommige stillevens. Hier en daar is een bijzonder mooi diep rood. Er is ook een stilleven geheel in de kleur van de Perzische schilderingen: zwarte fond, groen, geel, diep bruin, bloemen erbij als wonderlijke vegetaties, heel fantastisch gevoeld. Hij heeft blijkbaar sterk den invloed van het Oosten ondergaan, geeft ook onderwerpen als: Scheherezade, Bazar in Tunis etc. Toch is er ook veel grofs en ruws om te slikken; zulke kunst, gelijk bij de meeste modernen, is per slot zoo weinig rustig gegroeid, zoo weinig tot bezinning gekomen.
      Buiten deze expositie om, zijn er in andere kamers enkele dingen die me meer interesseerden; prettig is het ook om eens werk van Duitschers te zien, wat ons in Holland zoo goed als nooit overkomt.
      ’t Werk van Purrmann is cru en grof. Het meisje dat haar kousen aantrekt, door Lovis Corinth is in dezelfde soort opvatting vrij wat minder gevoelig van kleur dan Isaak Israels.
      Van Schuch een stilleven van een tinnen pot met roode en gele appelen, zwarte fond, impressionistisch breed gedaan, met diepe krachten erin.
      Van Wilhelm Trübner een mansportret, dat in zijn bruin-rood en donkere kleuren het meest nadert aan wat Breitner bij ons maakte. Maar Breitner is genialer, machtiger. Ook een gevlekte wit-zwarte hond in een park met grijzig-groene boomen, een ingetogen, sober en fijn ding; eenvoudig, ernstig van studie, niet pakkend of geniaal; een les voor alle brutale moderne klodderaars.
      Een duinschets door Max Liebermann, den Duitschen impressionist bij uitnemendheid, die veel hier in Holland werkte en ook verscheidene der Frans Halsen gecopiëerd heeft. Ik voor mij vind dat onze impressionisten hem altijd overtreffen, ze zijn zuiverder aesthetisch en gevoeliger van toon.
      Er is een klein beeldje van Lehmbruck (van wien o. a. in het museum Kröller een mooie vrouwefiguur is), een staand meisje, wat droef en melancholiek met opzij gebogen hoofd. Een fijn ding.
      Van Signac is er een park, in kteine vierkante toetsen, sterk en lichtend, hoewel niet zoo fijn als hij het wel eens maakte.
      Een blanke en lichte, maar niet heel sterke Claude Monet, een stadje aan het water.
      Een meisjeskopje van Gauguin is heel treffend. ’t Gezicht is blank met teere en matte schaduwen. Ook is het psychologisch fijn, en op echt Fransche wijze vlot en sierlijk geschilderd.
      Van Vincent van Gogh een bloemstuk, ponpon-dahlia’s in een groene pot, tegen wit fond. Blank en gevoelig van kleur, mooi ’t gebroken wit van den achtergrond en de fijne nuanceeringen in ’t dof-rood en groen.

H.