Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1921/Nummer 213/Kunst en Letteren

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kunst en Letteren
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 12 september 1921
Titel Kunst en Letteren
Krant Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Jg, nr ?, 213
Editie, pg [Dag], Tweede Blad, [3]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Kunst en Letteren.

      Vrije Arbeid. In de Augustus-aflevering wijdt H. F. Tillema de idealistische bevorderaar van de betrekkingen tusschen Nederland en Indië”, een artikel aan „Werkrachten voor Indië” en klaagt over het gebrek aan belangstelling in ons land voor alles wat Indië betreft, een klacht, die wij in ons Overzicht van 20 Augustus eveneens geuit hebben.
      „Zuiderzee-vraagstukken” noemt het Kamerlid E. M. Teenstra een opstel over de kwestie van de droogmaking van de Zuiderzee in verband met zijn interpellatie over de kostenberekening, de vraag, die sedert dr. Van Gijn’s opzienbarend artikel een brandende gebleven is. F. Perdok schrijft een uitvoerig stuk over „Waarom is regeling van de verhouding tusschen Overheid en Ambtenaar noodig?”
      Voorts Overzichten en politieke beschouwingen.

      De Stijl. In den vierden jaargang no. 7 zet Aldo Camini zijn „Caminoscropie” voort. I. K. Bonset geeft „Grondslagen tot een nieuwe versbeelding”, waarin geen feitelijk nieuws wordt verteld, doch allitteratie en klanknabootsing als uitgangspunt worden genomen.
      De heer Bonset vindt tevens gelegenheid inlichtingen te geven over de wijze, waarop men zijn nieuwste „letterklankbeelden” moet opvatten en lezen, waarvan eenige voorbeelden zijn opgenomen, evenals „verzen” van Kurt Schwitters. Men ziet er uit, dat typografische verzorging de hoofdzaak is bij deze poëzie, die wat Bonset betreft uit niets anders bestaat dan uit onder elkaar geplaatste hoofdletters van verschillende grootte, afgewisseld met enkele kleine letters, voornamelijk consonanten, en een enkele vocaal. De gedichten van Schwitters zijn samengesteld uit naast elkaar geplaatste cijfers, of uit het woord „Wand” dertienmaal in verschillende grootte gedrukt.
      Hans Richter schrijft over „Bewegungskunst”, waarbij bijlagen zijn opgenomen.

      Le Monde Nouveau. Het Augustusnummer bevat een met veel kennis van het onderwerp geschreven opstel van Renée Dunan over La Hollande et son distin, waarin de schrijfster zeer waardeerend spreekt over onze historische verdraagzaamheid en gastvrijheid jegens vervolgden.
      Enkele onnauwkeurigheden, zooals dat de Amstel en de Vecht ontstaan uit den Rijn, en dat onze hier verbouwde tabak een goeden naam heeft, verwaarloost men gaarne tegenover het vele juist geziene en uitstekend meegedeelde, zooals omtrent de verhouding der stadhouders tegenover de raadpensionarissen, die den moeilijksten en meest blootgestelden post innamen in de republiek. En het doet goed, in dit tijdschrift, dat toenadering wil brengen, te lezen, hoe ons land een voorbeeld is voor andere en ons volk voor andere volken.
      „Zijn energieke zeevaarders, ervaren en ondernemend, zijn industrieelen en financiers, wier namen terug te vinden zijn in alle landen van den aardbol, op de lijsten der bestuurders van de machtigste maatschappijen, zijn handelslieden, zijn volk, moedig, joviaal, schilderachtig en krachtig, zijn intellectueele elite, die een lichtend spoor heeft getrokken in de geschiedenis der menschelijke ontwikkeling, hebben van dit kleine Nederland een van die landen gemaakt, waarvan men gerust met de geringste reserve kan zeggen, dat zij gediend hebben en dienen de menschelijke beschaving.
      „Indien te eeniger tijd de menschen moreel en rechtvaardig zijn, gelukkig en ontdaan van hun gebreken, als zij een weinig „menschen” zullen zijn, dan zal Nederland kunnen zeggen: „zonder het volk dat mijn nederigen grond bewoonde, en dat zoo vaak veracht werd door groote koningen, zou dit niet zoo geworden zijn.” En dat is ter wereld het eenige, dat het waard maakt, dat het smartelijke leven der menschen op aarde wordt geleefd”.
      Clément-Janith vervolgt zijn opstel over „Victor Hugo en exil”, generaal Rampon dat over „La grande pitié du peuple russe”. Voorts politieke en artistieke opstellen.