Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1923/Nummer 11/Dada

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dada
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 13 januari 1923
Titel Kunst en Letteren. Dada
Krant Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Jg, nr ?, 11
Editie, pg [Dag], Tweede Blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Kunst en Letteren.

      Dada. Onder leiding van den heer A. Heijting, voorzitter der tooneelafdeeling van den Haagschen Kunstkring, is in Den Haag een soirée gehouden, gewijd aan Dada. Theo van Doesburg leidde het onderwerp in, de Duitsche Dadaïst Kurt Schwitters gaf practische toelichting.
      De inleider betoogde, dat wij ons opnieuw in de onnoozelheid van het kind moeten begeven. Geraffineerd als zijn uiterlijke verschijning was, met de monocle, de witte zijden kousen, het zwarte front met witte das, viel dat aan de hand van allerlei mallotige paradoxen vrij moeilijk, meent de N. R. Crt.
      De Tel., die een zeer uitvoerig verslag gaf, vermeldt, dat Kurt Schwitters achter uit de zaal de verhandeling spontaan verduidelijkte met geluiden als oeoeoeoe, rrrr, hiii, fetsfets, tantantan, ééé, wat daverend applaus en onbedaarlijke vroolijkheid uitlokte.
      De heer v. Doesburg lichtte toe:
      Da-Da is een vogel op vier pooten, een ladder zonder sporten en een quadraat zonder hoeken.
      Da-Da voert den strijd tegen het vuil, tegen den franjedrek dezer maatschappij en daarbij onderscheidt het zich van het impressionisme, dat zich bij dat vuil aanpast. Het is niets – niets – niets! Weet u nu wat Da-Da is.
      In de pauze bleek het auditorium de Dadaïstische geluiden reeds zoo goed te hebben aangeleerd, dat men niet anders hoorde dan deze kattenmuziek.
      Na de pauze ving Kurt Schwitters zijn voordracht aan over zijn Dadaistisch werk „Anne Blume”, en zijn satyre „Ursachen und Begin der grossen glorreichen Revolution in Revon”.
      ’t Was een aaneenschakeling van – voor gewone begrippen – den meest denkbaren onzin nog wel door poppetjes op een doek toegelicht, waarbij hij honderdmaal achtereen herhaalde „da steht ein Mann”, gesproken, gezongen en gegild! Zoo tusschendoor floot hij, maakte muziek, en alles met het meest ernstige gezicht van de wereld. Het succes was groot. De toehoorders brulden en deden de zaal daveren van allerlei krankzinnige geluiden.
      Na een muzikaal intermezzo droeg de heer Kurt Schwitters eigen gedichten voor in den trant van: wende, wende, wende, want, want, want, 54, 58, 56 (geroep van 57, 58 en „mijn”) toen de dichter het alfabet van voren naar achteren en omgekeerd ging zeggen, zingend en schreeuwend, was het publiek niet meer te houden. Iedereen schaterde van het lachen en een luid hoerageroep weerklonk. De heer Heijting trachtte te vergeefs zich verstaanbaar te maken.
      Ten slotte gelukte het hem stilte te verkrijgen en bracht hij den Duitschen Dadaist dank in het Dadaneesch: „Dom, dom, dom, heel dom, heel dom, dom, dommer, domst” waarmee hij uitstekend den indruk der aanwezigen weergaf.