R.K. Dagblad Het Huisgezin/Jaargang 42/Nummer 6209/Wijnand Geraedts' kunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wijnand Geraedts’ kunst
Auteur(s) C.K. m. S.C.
Datum Zondag 10 juli 1910
Titel Wijnand Geraedts' kunst
Krant R.K. Dagblad Het Huisgezin
Jg, nr 42, 6209
Editie, pg [Dag], tweede blad, [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


Wijnand Geraedts’ kunst.

      Velen zal de naam van dezen Limburgschen schilder nog nieuw klinken. Wanneer men het geluk heeft van zijn werken te kennen, vraagt men zich af, hoe dat mogelijk is. In de kunstwereld, in de religieuze vooral, is W. Geraedts geen onbekende meer. Zijn „Ecce Homo”, die in Duitschland zoo’n buitengewonen bijval vond en ook in Holland destijds van zeer bevoegde zijde geprezen werd, die thans door Prof. Bauer van de Katholieke Faculteit der Tübingsche Hoogeschool is aangekocht en waarvan eerlang reproducties zullen verschijnen bij Kühlen in M. Gladbach, — heeft zijn naam als kunstenaar voor goed gevestigd.
      Wij zagen tot nog toe van dit meesterwerk slechts een kleine foto, maar voelden reeds daaruit op ons neerkomen het majesteitvolle van dat ideaal-schoon gelaat, het ontroerende van die goedige, smartvolle oogen. Wij dachten aan Q. Matsijs in ’t Antwerpsch museum: daar is ’t meer de verschrikkelijkheid van ’t lijden, hier meer de gelatenheid.
      Wijnand Geraedts, van Swalmen (bij Roermond) geboortig, is nog een jong kunstenaar. Zijne artistieke opleiding ontving hij aan de beroemde academie van Munchen. Door zijn reizen in Italië, Tirol, enz., door ’t copieeren van de oude meesters vooral in het Keulsch museum, voltooide hij zijn academische vorming. Nog eenigen tijd werkte hij bij A. Windhausen te Roermond en vestigde zich toen in de Geldersche buitenplaats Velp. Daar waren wij in de gelegenheid eenige zijner werken te zien.
      W. Geraedts is voor alles een religieus schilder. Met zijn grooten realistischen aanleg en zijn vaardigheid in de techniek, zou het hem niet moeilijk vallen ook als portrettist grooten naam te maken. Wij zagen van zijn hand o.a. een olieverfportret van zijn echtgenoote, dat alhoewel niet geheel afgewerkt, naast volmaakte gelijkenis een heele menschenziel in karakter en voelen te zien gaf, een openbaring was van het diepste persoonlijke, dat hij had gezien in teekens van oogen, mond en trekken, en treffend had weten weer te geven. In een paar crayonportretten was dat karakteristieke van ’s menschen gelaat wellicht nóg krachtiger geprononceerd. Overigens, ook in zijn religieuse werken toont deze kunstenaar altijd een sterk gevoel voor de hartstochtelijke, de bezielde gelaats-lijn en -kleur.
      Geen twijfel, of de religieuze kunst van dezen jongen artist is een goede, een echte. In Holland moge hij tot nog toe zijn eigen opvatting weinig gehuldigd zien in de praktijk der kunstenaars. Hij moge met de artistiek-berekende en modern-gestyleerde lijn van Theo Molkenboer, met diens sobere voornaamheid bijna contrasteeren, hij moge met Toorop’s gansch decoratief, fijn bezield oeuvre en geheimzinnige symbolen-taal, moge zelfs met Dunselman’s oprechte, klare, devote, bloemige kunst niet veel gemeen hebben; hij moge van al deze verdienstelijke kerke schilders hemelsbreed verschillen in opvatting en uitvoering, — hij is en blijft in zijn richting gerechtvaardigd door de redelijkheid zijner princiepen, de voortreffelijkheid zelf zijner kunst en het voorbeeld van groote, oude en nieuwe, meesters.
      Zijn realisme toch, d. w. z. zijn uitbeelding naar ’t leven, naar ’t echte uit- en inwendige gebeuren, wordt thans o.a. door de meeste kunstenaars der Dusseldorfsche school, werd vroeger vooral door de religieuze schilders, de Vlaamsche en Duitsche primitieven, onverdeeld beleden. Als wij spreken van realisme, versta men ons wél. Niet dat Fransche 19eeuwsche nonchalantisme, dat heiligverklaarde personen weer degradeert, — zelfs niet het 17. eeuwsche natuurgetrouwe, van leven tintelend realisme, dat van ’t bovennatuurlijke toch bijna niets begrijpt of voelt, neen, maar dat echte groote ideo-realisme, dat het volle leven weergeeft, dus ook het leven der devote, in God opgaande ziel. Dat ook immers is leven, het fijnste, het reinste, ’t welk bestaat: en om het uit te drukken wordt vereischt een begrijpen en gevoelen van dat leven, een godsdienstig ontwikkelde geest en een godvruchtig gemoed. Dat dubbel vereischte heeft deze schilder, hadden zoo buitengewoon sterk de oude meesters, van Eyck, van der Weyden, Memling, Dürer. En als ik speciaal zijn kunst met die van Matsijs vergelijk, dan noem ik, in de oudheid althans, die kunst, waar de zijne in opvattin het dichtste bij staat. De sterke hartstocht en de innige godsvrucht, de scherpe teekening en het warme koloriet, ze hebben het beiden gemeen.
      „Ik wil, zegt de schilder zelf over zijn kruisweg, ik wil dat het volk in de kerk de historische feiten zie gebeuren, dat het de volle werkelijkheid a. h. w. weer beleve bij het zien mijner staties”. — Ziedaar zijn gansche theorie, zijn volledige opvatting van religieuze kunst! Geen loutere meditatie geeft hij geen Fra Angelico-tafereelen; hij geeft het beeld, het gebeurde weer, waar en levendig, zooals hij ’t in zijn rijke verbeelding zag staan of gebeuren. Omdat hij een religieus man is, die zich van Jesus, Maria en al het heilige een eerbiedige, een ideëele voorstelling maakt, die ze niet verlaagt tot bloot-menschelijke personen, tot profane zaken, daarom is zijn kunst altijd godsdienstig-ontroerend, wordt zij nooit plat-realistisch of gewoon wereldsch. Bij het volk is zulk een kunst bij uitstek geschikt vrome stichting tegelijk en schoonheidsontroering te verwekken. Bloot-decoratieve kunst, zooals die van Beuron, is èn te streng kloosterlijk voor ’t volk èn te geleerd vooral. De uiterlijke stijfheid der figuren valt meer op dan haar esthetisch-volmaakte constructie!
      Interessant was ’t daarom dezen van nature zoo realistischen kunstenaar een kruisweg te zien schilderen voor de St.-Annakerk te Keulen, een kruisweg, waarbij een blauwe met sterren bezaaide achtergrond werd verlangd van wege de beschildering van ’t entourage. Een absoluut levenlooze achtergrond is nu juist geen bekoring voor ’n realist! Toch heeft hij ’t werk aangevat; de eerste staties, op koperen platen geschilderd, mochten wij bewonderen.
      Waarlijk, het is een grootsch werk, niet om zijn afmetingen, die betrekkelijk gering zijn, maar om de voorstelling en de bewerking. Met vijf, zes figuren weet hij de gansche statie te composeeren, niet op de alledaagsche wijze van stereotype kruiswegen, maar op een zeer oorspronkelijke en toch natuurlijke manier: ’t geen veél zegt voor de fantasie en het compositie-talent van dezen artist, gegeven het onnoemelijk aantal keeren, dat de lijdensweg des Heeren reeds werd voorgesteld.
      Die mooie groepeering was des te moeilijker, waar van den eentonig-blauwen achtergrond geen heil te verwachten viel. Anders kunnen een poort, een boom, een bergrug op den achtergrond het hunne bijdragen tot een evenwichtige verdeeling der ruimte; nú moest alleen van de figuren zelf partij worden getrokken. Die grootere moeilijkheid, overwonnen, werd een grootere verdienste!
      Naast de groepeering is het de handeling der figuren, die opvalt: alle leven zij eigen leven. Hoe waardig staat daar bijv. in de eerste statie die groote Christus, in zijn lang wit kleed, met den ernstigen gelaten blik, alsof Hij tot Zijn Vader bad: „Ik ben bereid, Vader, Uw wil geschiede!” Hoe onrustig integendeel is Pilatus, hoe bang over zich zelf niet tevreden, nu hij dien man heeft veroordeeld, alleen te slotte om den haat der Joden; dat gevoel van onrust ligt zoo echt in zijn gelaatstrekken, in zijn houding. Een paar groote rijkbemantelde Pharizeeën, met lange grijze baarden staan te grijnslachen en te spotten; een beul doet zijn onmenschelijk werk met onmenschelijke hardvochtigheid en dierlijke ruwheid. — Bewonder in dat alles de rake lijn, de sprekende trekken; hoe de hartstocht tintelt en beeft om den mond, om de lippen, in de oogen, op ’t voorhoofd, in de vuisten soms; hoe hij uitslaat in het felle rood des gelaats. Bewonder de vinding van dat alles, het grootsche dier geestesschepping, en in de uitvoering de volstrekt-juiste teekening en modeleering, het schitterend koloriet; het koloriet b v. van dien deftigen soldatenmantel (in de 3e statie), met dat groen, dat geel, dat rood, dien zilverglans van ’t zwaard. Waarlijk, wat hier méér treft, de sterksprekende lijn of de harmonisch sterke kleur, ’t is moeielijk te zeggen. Gelukkig wellicht, want een groot schilder moet in beide uitmunten!
      Zeer treffend van religieuze stemming en altijd even volmaakt van detail was ook de twaalfde statie, waarvan wij echter slechts een foto zagen. Het dieptragische van Jesus’ dood, alleen aan Zijn kruis tusschen de arme moeder en den goeden leerling, werd door den maker diep gevoeld, sterk uitgedrukt.
      Een eer is ’t zeker voor zoo’n jeugdig kunstenaar, van uit Keulen, het kunstrijke Keulen, over Dusseldorf en zijn gansche school heen, als niet-Duitscher voor een zoo voornaam werk als ’n kruisweg te worden aangezocht, doch als men dit kunstwerk aanschouwt, denke men daar niet aan, benijde men veeleer die buitenlandsche kerk het veel grooter voorrecht dezen kruisweg te bezitten. Moge in alle geval ook ons land, op ’t voorbeeld nog onlangs van Wagenberg, zich van deze echte, frissche kunst niet afkeerig toonen. —
      Nog zagen wij van Geraedts’ hand een tamelijk groote schilderij, voorstellende „de Geboorte van Christus”. Hier is ’t vooral de mooie dispositie der figuren, die treft. Maria in ’t midden zoowat, slanke, jonge, beminnelijke maagd, het Kindje op haren schoot aanbiddend, afwisselend en toch evenwichtig omgeven van herders en engelen, waartusschen Sint Joseph met veel gevoel voor juiste schikking is aangebracht, „een lastig man anders,” zeide de kunstenaar lachend, „want hij moet altijd wat afzonderlijk staan en mag de compositie toch niet verstoren”. Boven links zweeft tegen de lucht een engelengroep, rechts a. h. w. gecontrabalanceerd door enkele boomen. Het geheel geeft een liefelijken, poëtischen, een Kerstnaeht-indruk.
      Iets anders weer zagen wij in „Caecilia’s Droom,” een salonstuk, idyllisch opgevat, doch niet wereldsch. Een eigenaardige zilveren toon, over ’t geheel gespreid, verhoogt het geheimzinnige van de droomende maagd, de zingende engeltjes op den achtergrond en het ideale landschap.
      Van „Driekoningen,” een schilderij die thans in bezit is van Z. D. H. Mgr. Van de Ven, zagen wij ook slechts een reproductie. De groote koninggestalten op den voorgrond en de fantastische


[2]


verte met de ster en den stal, getuigen wederom van eigen vinding en visie.
      Onder de teekeningen viel ons nog vooral op een ontwerp van „het H. Hart”. Typeerend voor onzen kunstenaar! Geestdriftig vooruitdringend, met vrijen, krachtigen blik, met een ruk bijna Zijn kleed losscheurend om Zijn Hart te toonen, is ’t alsof de Godmensch Zijn liefde ons met geweld wil opdringen: dàt juist wilde de schilder ook geven. En ofschoon ons persoonlijk deze ietwat harde uitdrukking, ook al om de vermenging van symbolische en natuurlijke elementen, niet geheel sympathiek is, konden wij toch ook hier niet ontkomen aan de kracht dezer spontane kunst: wat zij wil uitdrukken, dat drukt ze onfeilbaar uit. Ziel en lichaam beide lijkt deze schilder in karakter- en anatomie-studie diep te hebben doorgrond.
      Van alles wat wij thans zagen, blijft echter de kruisweg voor Keulen het meest indrukwekkende werk. Wat W. Geraedts daarin geeft, is veel, zeer veel, en voor de toekomst draagt het de belofte in zich van nòg meer, een belofte voorzeker, die iederen minnaar van kunst, meer bizonder van Roomsche kunst met blijdschap moet vervullen.

Arnhem. C. K. m. S. C.