Radiotoespraak Wilhelmina 24 april 1943

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Radiotoespraak Wilhelmina 24 April 1943 op Radio Oranje

Auteur Wilhelmina der Nederlanden
Genre(s) Radiotoespraak
Brontaal Nederlands
Datering 24 april 1943
Bron
Auteursrecht Publiek domein

Landgenooten,

Alvorens over verschillende aangelegenheden het woord tot u te richten, wensch ik een vlammend protest te doen weerklinken tegen de listig op­gezette, en steeds erger wordende, menschenjacht, welke door de moffen-benden, geholpen door de landverraders, over geheel ons land gehouden wordt.

Voor deze schandelijke praktijken bestaat in onze taal zelfs geen woord. Allen, wier gezin uiteengerukt is, geef ik de verzekering, dat, zoodra wij vrij zijn, het uiterste gedaan zal worden, om deze nieuwe slachtoffers van het schrikbewind ten spoedigste te doen terugkeeren en hun leed en dat hunner zoo zwaar beproefde gezinnen zooveel mogelijk te ver­zachten. Plannen liggen gereed om hun terugkeer zoo doeltreffend en zoo vlug mogelijk te doen verloopen en hen gezond en wel naar hun woonplaatsen terug te voeren.

Ons aller gedachten en wenschen gaan naar hen uit, die, met allen thuis en met het vaderland, van heeler harte uit de verte daar in hun lijden blijven medeleven.

Het is vóór alles noodig, dat ieder onzer zich rekenschap geeft van de laffe en laaghartige drijfveeren van den overweldiger en begrijpt waar het in den diepsten zin om gaat, wilt gij u zoo goed mogelijk tegen die schurken kunnen verweren. Ik meen, dat wij tot geen andere slotsom kunnen komen, dan dat wij te doen hebben met den meest onbeschaamden aanslag op Gods plaats in ons volksleven, en daarmede Gods plaats in ons eigen leven, die ooit gepleegd is.

Zij zullen niet rusten, voordat zij bereikt hebben, dat God verdwijnt uit ons denken en handelen, uit iederen vorm van beschaving, dien het Christendom ons bracht, uit onze wetenschap, uit onze liefdadigheid, uit onze sociale instellingen, uit de opvoeding onzer kinderen, uit onze woningen. Welk een verdwazing!

Zij kennen de eenvoudige waarheid niet, dat geloof en diepe overtuiging niet uitgeroeid kunnen worden door dwingelandij en vervolging, ja, dat ons geloof en onze overtuiging onder dien druk alleen kunnen groeien en in kracht toenemen.

Neen! Aan al wat ons heilig is, daar komen de vijanden van God en van ons niet aan; dat blijft ons onvervreemdbaar erfdeel. Wij zullen dit erfdeel verdedigen, ieder op zijne wijze, tot het uiterste. Ondanks de doorloopende onrust en de gedachten aan het heden, die u geheel in beslag nemen, vraag ik voor een kort oogenblik uw aandacht voor ons toekomstbeeld. Ik weet, wat door den Nederlandschen geest bij u thuis in uw midden wordt voortgebracht, waarvan veel onmiddellijk of later de bouwstoffen zal leveren voor het nieuwe Nederland.

Ik heb langs verschillende wegen gelegenheid gehad de ontwikkeling uwer gedachten ook op staatkundig gebied te volgen, en zal mij bij thuis­komst ook op dit terrein geen vreemdeling onder u gevoelen. Mijn vorige redevoeringen door de radio hebben daarvan, meen ik, getuigenis afgelegd.

Ik weet, dat ik uw weloverwogen overtuiging uitspreek, wanneer ik zeg: „bij het eerste vrijheidsgloren verrijst het nieuw en herboren vader­land".

Er zal aanvankelijk een regeering noodig zijn, die met krachtige hand het bewind voert, echter met vermijding van alles wat zweemt naar dicta­tuur. Ter handhaving van orde en rust, en niet in de laatste plaats ter bescher­ming van allen, die van goeden wille zijn, zal de staat van beleg aan­vankelijk noodzakelijk zijn. Daarnaast zal snel recht gedaan moeten worden over landverraders en andere misdadigers. Bij de bevrijding zal onverwijld een begin gemaakt moeten worden met den toevoer van voedsel.

Sedert ik voor het eerst over de plannen voor de voedselvoorziening sprak, is dit vraagstuk er niet eenvoudiger op geworden. Eenerzijds zijn landen, welke vroeger verschillende soorten levensmiddelen leverden, in 's vijands handen gevallen; anderzijds is het aantal verhongerden in Europa toe­genomen.

Wij kunnen de oogen niet sluiten voor de behoeften van onze bondgenooten. Samenwerking met hen, die schouder aan schouder met ons strijden, is aangewezen. Onzerzijds wordt het uiterste gedaan om de voedselvoorziening zoo goed mogelijk te verzorgen. Als ieder, die dit kan, rustig aan het werk gaat of blijft, mogen wij hopen, dat binnen niet te langen tijd een meer dragelijke toestand zich zal kunnen ontwikkelen. Thans richt ik mij in het bijzonder tot de jongeren, die thans in de voor­ste lijn van het gevaar staan, waardoor de nooden van het heden zich aan hen in den scherpsten vorm voordoen.

Met veel hoop en goede verwachting voor de toekomst vervult mij uw goede wil en de sterkte van karakter, waarvan gij thans dagelijks door uwe daden blijk geeft.

Het is een lichtpunt in dezen donkeren tijd, dat het jongere geslacht overal door dien goeden wil bezield is. Door de heldhaftige daden van onze martelaren en de schitterende voor­beelden van geestelijk leiderschap in de bezette landen zijn millioenen en millioenen zich thans bewust geworden, dat Gods geest werkt te midden van onze huidige menschelijke ellende en nood. Overal, waar de jeugd niet door misdadigers wordt opgeleid, geeft zij blijk zich de groote verantwoordelijkheid, die op haar rust, bewust te zijn, en toont zij groote vastbeslotenheid om, het koste wat het kost, een betere toekomst in het leven te roepen, overtuigd als zij is, dat het ontstellend wereldgebeuren voor haar een roepstem is voor het ont­wikkelen van een onweerstaanbare stuwkracht teneinde die vernieuwing te bewerkstelligen.

Hetzelfde vertrouwen, dat onze dappere strijders bezielt, kan en moet daarbij de kracht van de jongeren zijn, willen wij niet alleen den oorlog maar ook den vrede winnen.

Nederlandsche jongeren, het Vaderland en Indië heeft u allen noodig, op u rust zelfs een veelomvattender taak dan op de jeugd van andere lan­den, want na de bevrijding van Nederland volgt die van Indië, dat zoo­zeer met u medeleefde, en waaraan, ik weet het, gij u zoo nauw ver­bonden voelt. Hoeveel jonge krachten zal het niet vragen, om onze driekleur weer voor­uit te dragen, voor opbouw op ieder gebied, zoodra het bevrijd is.

Landgenooten, als de dag der bevrijding is aangebroken zullen wij staan voor de zeker niet gemakkelijke taak van het herstel en van het opbouwen van ons land, temidden van een verarmd, verwoest en ontwricht Europa. Er zal een aanzienlijke tijd mede gemoeid zijn voor en aleer wij het ons gestelde doel geheel zullen kunnen bereiken.

Doch één ding is zeker: zoodra onze boeien verbroken zijn en de hand van den folteraar machteloos neervalt, en de jagende onrust, de dwingelandij en het onrecht niet meer zijn, dan zullen dadelijk allerwege liefdevolle handen de geslagen wonden trachten te helen en begrijpende harten uwe doorstane smarten willen verzachten, dan zal er rust in u kunnen weder-keeren en zich weer vrijelijk kunnen ontplooien al hetgeen als hoog en heilig in u leeft, engij weer echt mensch zult kunnen zijn, gelijk gijzelf begrijpt en zelf begeert: burgers van het nieuwe, herboren Vader­land, in eensgezindheid en waren gemeenschapszin aan die weder­geboorte het beste gevend, wat gij geven kunt.

En thans, bij de nadering van paschen besluit ik met u allen een gezegend paasch­ feest toe te wenschen.