Radiotoespraak Wilhelmina 25 december 1943

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Radiotoespraak Wilhelmina
25 december 1943 op Radio Oranje

Auteur Wilhelmina der Nederlanden
Genre(s) Radiotoespraak
Brontaal Nederlands
Datering 25 december 1943
Bron
Auteursrecht Publiek domein

Landgenooten in Nederland,

Nog is het donker, heel donker op uw en mijn kerstfeest, doch zien wij door het zware weer heen, dat ons thans nog zoozeer benauwt en drukt, dan bespeuren wij daar, waar het licht van een betere toekomst door­breekt, vele teekenen van de naderende overwinning. Moedige onvermoeibare strijders voor vrijheid en voor recht, nog een laatste worsteling en de vijand van al wat den mensch heilig is, zal ver­slagen zijn.

Christus kwam tot ons om ons de hoogste waarden van het leven te doen kennen en deze binnen ons bereik te brengen, en thans strijden wij om het bezit van diezelfde goederen, die ons tijdelijk door de dienstknechten van de duivelsche machten zijn ontnomen. Want, verscholen achter al wat wij beleven, ligt die ontzaglijke geestelijke worsteling, waarvoor gij letterlijk alles over hebt. Neen, als eenmaal de zege behaald zal zijn over al onze wederpartijders, onverschillig tot welk werelddeel zij behooren, dan zult gij geen genoegen nemen met een vrede die niet verder gaat dan het neerleggen van de wapenen, doch uw verlangen zal veeleer uitgaan naar één die gedragen wordt door al hetgeen het door u doorstane in u heeft opgebouwd, opdat dit kostbare geestelijke erfdeel niet verloren ga, doch rijpe vruchten drage tot heil van ons volk en van geheel de mensch­heid in lengte van jaren, en het een vrede zij, die in overeenstemming is met dien welke ons in den kerstnacht wordt verkondigd. Doch nog is die tijd niet aangebroken, en nog herdenken wij ons kerst­feest onder de schaduw van het schrikbewind. Ongetwijfeld heeft menigeen van u vaak gezongen:

Er is een kindetje geboren op d'aard,
Er is een kindetje geboren op d'aard,
't Kwam op de aarde en 't had geen huis,
't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis.

Gij hebt dit wellicht aangeheven zonder er u rekenschap van te geven, dat in die enkele woorden heel Gods ontfermende liefde en macht om ons te verlossen besloten liggen. En men noemt zijnen naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst... Ja, Sterke God! Vergis ik mij niet, dan is de weg naar Bethlehem, die met onze geestes­gesteldheid van dit oogenblik het meest overeenkomt, die, welke ons voert langs des Heilands kruis. Dat Hij zich zoozeer met ons vereenzelvigd heeft dat Hij reeds bij zijn komst op aarde het kruis droeg, geeft ons de zeker­heid, dat Hij ons nabij is, of zal zijn, in de donkerste uren van ons leven en in onze diepste verlatenheid.

Zelfs als wij tijdelijk niets van zijne na­bijheid merken, ja, als het is of Hij onze gebeden niet hoort, ook dan heeft zijne liefde ons niet verlaten en als wij niet versagen maar vol­houden zoo zullen wij ons weldra gedragen voelen door het kruis en op­geheven boven ons zelf, en boven al hetgeen ons dreigt te verslinden. Ongetwijfeld hebben zij, die bereid waren hun leven te geven voor hun volk en voor de heilige zaak die zij dienden, gelijk de velen die hen in vroegere tijden op het martelaarspad zijn voorgegaan, onder hun weer-galooze folteringen, lijden en sterven, ondervonden, dat zich een wonder voltrokken heeft, waardoor alles is veranderd, en door God is omgezet in heerlijkheid voor hen. Wij danken God daar voor. Hun leven en hun ster­ven zij ons tot een lichtend voorbeeld.

Hoe meer berichten mij langs verschillende wegen bereiken over al het­geen deze tijd in u heeft doen ontstaan en groeien, des te meer deel ik in uw blijdschap daarover. Uwe eensgezindheid en vastberaden staan als één man voor één en hetzelfde doel, uw groote liefde tot den naaste en gul betoon van onderlinge hulpvaardigheid, uw gemeenschapszin en het op­sporen van dat wat gij gemeenschappelijk bezit en u saambindt, waardoor vele scheidsmuren wegvielen en gij elkander leerdet begrijpen en de hand reiken ... en nog zoo veel meer zijn u en mij zoovele bewijzen, dat God zelf in onze harten werkt teneinde al datgene uit ons te doen voortkomen waaruit wij ene betere toekomst kunnen bouwen. Mochten wij God ook voor dit alles danken. Daarvoor is rijke stof! Mocht het besef van de veel­omvattende taak welke voor de jongeren is weggelegd bij het vorm geven aan de toekomst en van hun roeping daarbij, ook in geestelijk opzicht, de geheime bron van hun kracht zijn, nu, en als zij eenmaal aan den slag gaan.

Alvorens te eindigen wil ik nog eens met u terugkeeren tot den kerst­nacht. In minder bewogen tijden reeds worden wij door de heerlijkheid, die daarvan uitgaat, gegrepen. Dichters hebben hem bezongen, op aan­grijpende wijze, en zij hebben weergegeven wat in ons leefde. De indruk, dien hij op ons maakt, neemt een blijvende plaats bij ons in. Zelfs heeft iemand eens gezegd, van de meest innige en diepste persoonlijke er­varingen van Christus' nabijheid: „dan is het kerstnacht voor mij". En toch, nu wij leven in eene duisternis, die ons door menschen wordt opgelegd, waarin een ieder reikhalzend uitziet naar uitredding, daar is de kerstnacht, indien mogelijk, nog meer in het middelpunt van het leven komen te staan.

Het feit, dat in den nacht waarin de wereld thans ver­zonken is, het licht uit die andere wereld, die wereld van God, doorbreekt, met zijn heilsboodschap aan een uitgeputte, en afgematte menschheid, is in geheel bijzonderen zin het teeken, dat God geeft aan de volken in hun huidigen nood, aan de volken en aan ieder persoonlijk. In menschen een welbehagen, ook in dezen door menschen veroorzaakten nacht. Het licht van den kerstnacht, dit is Gods liefde en Gods leven zooals deze in Christus tot ons inkomen. Het is of wij iets meer begrijpen van de ,,groote blijdschap", waarvan de boodschapper op Bethlehem's velden kond doet; of die blijdschap dieper tot ons doordringt. Zij vindt haar oorsprong in diezelfde innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, waarmee één, die een moeilijk lijdenspad, waar telkens kruisen stonden, gegaan is, 't persoon­lijk kan nazeggen: „dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen mede­werken ten goede".

Dat Gods liefde, zelfs uit het kwade, heil en zegen voor menschen wil doen voortkomen, daarvoor dankt en jubelt heel zijn hemel mede. In afwachting van moeilijke oogenblikken, die wellicht nog komen zullen, doch bovenal van het oogenblik, dat wij weer vrije menschen zijn, een oogenblik in uw en mijn leven dat niemand vermag te beschrij­ven, mocht het ons gegeven zijn, dit kerstfeest te herdenken in heel diepgaand besef van zijn beteekenis voor ons, en mocht mijn wensch in vervulling gaan: dat het voor u en voor mij in heel persoonlijken zin kerstnacht zij.