Radiotoespraak Wilhelmina 2 september 1943

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Radiotoespraak Wilhelmina
2 september 1943 op Radio Oranje

Auteur Wilhelmina der Nederlanden
Genre(s) Radiotoespraak
Brontaal Nederlands
Datering 2 september 1943
Bron
Auteursrecht Publiek domein

Landgenooten in Nederland,

Nadat ik einde April tot u sprak, heb ik de ontwikkeling der gebeurtenis­sen thuis met de meeste aandacht en nauwgezetheid gevolgd. Ik breng hulde aan allen, die in welken vorm ook de heilige zaak onzer vrijheid hebben gediend, steeds met achterstelling van iedere andere overweging.

Hulde aan de helden, die zelfs to hun leven daarvoor veil hadden. Waar ik mij van ganscher harte tracht te verplaatsen in uw bitter lijden en uwe zware beproevingen, daar dank ik met u God voor de eensgezind­heid en de kracht welke thans naar voren komen in dit jongste tijdperk onzer historie, hetwelk zeker niet onderdoet voor onze 80-jarige worste­ling voor gewetensvrijheid in het verleden. Ook in uw voldoening en diepe blijdschap hiervoor deel ik van heler harte.

Met u besef ik, dat zij de vernieuwing voortbrengt, die den grondslag zal vormen, waarop het gebouw onzer toekomstige vrijheid zal rusten en de voortstuwende kracht voor alle verdere ontwikkeling en ontplooiing. Overtuigd, dat alleen hij die strijdend Nederland van eigen aanschouwen en door eigen ondervinding kent, ten volle beoordeelen kan welke maat­regelen voorbereid moeten worden voor het oogenblik der bevrijding, is meester Burger, die Nederland den 5den Mei verliet, als minister zonder portefeuille in het kabinet opgenomen. Zijn voorlichting zal ten opzichte van Nederland op ieder terrein van bijzondere waarde zijn.

Landgenooten, wij voelen de ure onzer bevrijding naderen, en, al kan op dit oogenblik niemand voorspellen wanneer zij zal aanbreken, het is met haar gelijk met de belofte der komende lente met haar nieuwe leven, — vóór zij er nog is, voelen wij haar op ons afkomen en ademen wij haar in met volle teugen en onbeschrijflijk verlangen. Ik wil u thans enkele mededeelingen doen, omtrent hetgeen er hier wordt voorbereid voor het tijdstip uwer bevrijding en omtrent de eerste te treffen maatregelen, voor zoover zulks mogelijk is, omdat ook de vijand mijn woorden beluistert.

Een aanzienlijk aantal landgenooten is opgeleid voor de uitvoering van den reeds eerder door mij genoemden staat van beleg. Zij zullen, onder de leiding van een militair, belast worden met de uit­oefening van het militair gezag. Dit militair gezag zal op het uur der bevrijding aanwezig zijn. Het is voorzien van instructies omtrent de herleving van een gesaneerd burgerlijk gezag.

Gezien hun opleiding en hun geestesgesteldheid zullen zij in den waren zin des woords uwe eerste bevrijders zijn. Zij komen als vrienden en helpers tot u; allen die van goeden wille zijn zullen zich veilig kunnen voelen en aan het werk gaan voor den opbouw van het Vaderland.

Minister Burger is uitgenoodigd zich te belasten met den bouw van een omlijsting, waarin Nederland in burgerlijken zin actief ingepast kan worden. Deze regeling zal — met inbegrip van uw deelname — onmiddellijk in werking treden, waarbij tevens is voorzien de verwijdering van alle ongewenschte elementen, die dadelijk afgezonderd moeten worden, opdat tot snelle doch rechtvaardige berechting der misdadigers kan worden overgegaan.

Landgenooten, ik vertrouw, dat de omstandigheden zullen toelaten, dat zeer spoedig na de overkomst van het militair gezag, voor mij het groote oogenblik zal aanbreken, dat ik in uw midden kan terugkeeren. Ik hoop, dat mij onverwijld tijd en gelegenheid zal geboden zijn om mij onmiddellijk aan de verdere ontwikkeling van den toestand en de be­hartiging van 's lands zaken te wijden. Met groote voldoening gewaag ik voorts van den waren bevrijdersgeest, welke mij ten opzichte van ons schoone Indonesië tegenwaait, zoowel uit Nederland als uit de gebiedsdeelen van ons Rijk op het Westelijk half­rond.

Ons doel is tweeledig; wij moeten met onze bondgenooten optrekken tegen de Japanneezen, teneinde ook dezen vijand te verslaan en zoodoende ge­zamenlijk Indië te bevrijden. Terwijl wij thuis, met alle hens aan dek moeten aanpakken om op te bouwen hetgeen de mof heeft verwoest, zullen wij ons in uw onoverwinnelijken geest verder met alle kracht moeten toebereiden voor de groote worsteling in het Oosten.

Waar ik mij in gedachten verplaats over de verschillende deelen van den aardbol, zoude ik een woord willen spreken tot onze landgenooten die daar overal in vreemde landen en werelddeelen verspreid leven. Met waardeering besef ik hun gevoelens voor Nederland, hetgeen ik herhaaldelijk persoonlijk heb mogen ondervinden. Daaruit mag ik afleiden hun bereidheid tot de nieuwe geestelijke instel­ling, die noodig is om ook in de toekomst één te zijn met het leven en streven in Nederland.

De eensgezindheid en de kracht, die in Nederland zijn ontstaan, betee-kenen immers niet alleen een ,,nooit of te nimmer" toeroepen aan de machten der duisternis, die Nederland en Indië thans in hun greep heb­ben, doch tevens de instelling, welke de scheppende kracht bezit om de toekomst vorm te geven.

Allen, die dit begrijpen en die bereid zijn alles achter te stellen bij dit eene groote doel zullen wij noodig hebben, hetzij in Indië, hetzij in Neder­land, om in Nederland op hechte fundamenten onze bevrijding te bevesti­gen, en in Indië bevrijding te brengen. Die nieuwe instelling is volstrekt noodzakelijk om aan het Koninkrijk de groote en eervolle plaats te blijven waarborgen, die het in de wereld ondanks alle verdrukking, nog steeds inneemt.

En tot u allen thuis zeg ik het woord van een uwer schrijvers na: moedig en onverzettelijk zij onze tegenstand, fier en bedachtzaam ons handelen, onoverwinnelijk ons geloof. Nederland en Indië zullen herrijzen.