Sicco Ernst Willem Roorda van Eysinga/Ingenieurs-herinneringen/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ingenieurs-herinneringen [4]
Auteur(s) [R.v.E.]
Datum Zaterdag 31 januari 1874
Titel Ingenieurs-herinneringen. IV.
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 9, 5, [1-2]
Opmerkingen Vervolg op Ingenieurs-herinneringen [3]; Charles Darwin vermeld als Darwin, Emil Selenka als Von Selenka, Jacob Badon Ghijben als Badon Ghyben
Brontaal Nederlands
Bron [1], [2]
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


INGENIEURS-HERINNERINGEN


IV.


(Vervolg van No. 4.)


      Q. was eene Europeesche stad van elf huizen, bewoond door eenige officieren, die het opzicht hielden over den bouw van een fort, dat nimmer aangevallen en nimmer verdedigd zal worden, of belast waren met de betaling van het werkvolk, de verantwoording van gereedschap en andere artikelen in het landsmagazijn, het bevel over de kompagnie sappeurs enz. Toen het fort een half millioen gulden gekost had, werd de bouw, op last uit Holland, gestaakt. Terwijl de Oostersche krijgswetenschap ja zeide, antwoordde de Westersche neen. Vérité en deça des Pyrénées, erreur au-delà. Het fort behoorde, gelijk de vesting Y., tot de »buitengewone genie-werken” volgens den artillerie-kolonel v. D. vermoedelijk aldus geheeten, omdat zij zoo »curieus” waren. Het fort te Q. behoort althans tot de opmerkelijkste in den vestingbouw. Het heeft bomvrije gewelven, maar breede, prachtige, halfcirkelvormige glasramen, in plaats van schietgaten. Het heeft geene vooruitgeschovene werken, bastions, lunetten, ravelijnen, wallen of grachten, zoodat een vijand, die mal genoeg was er om te willen stilhouden, op schoenen en kousen zoude kunnen binnenkomen.
      Aan die »buitengewone” werken scheen nooit een einde te zullen komen, want men wekte de geldzucht en ijdelheid der officieren op, als prikkels om den bouw te doen duren tot den ondergang der wereld, althans onzer heer schappij. Ieder, die bij deze buitengewone werken ingedeeld was, ontving buitengewone geldelijke toelagen. De menschelijke zwakheid, waarvan zelfs de »mannen van eer” niet vrij zijn, werd alzoo verleid om de werken tot in het oneindige uit te breiden en te versterken. De zucht van iederen eerstaanwezenden ingenieur om in de hem toevertrouwde sterkte »den sleutel der stelling” te zien, ontving hier buitengewoon voedsel. Bovendien werd de naam van iederen officier, die er diensten bij bewezen had, al was het maar de uitbetaling van het werkvolk, voor de eeuwigheid bewaard, alsof hij een buitengewoon mensch was. Zijn naam prijkte dan met vergulde letters op een ijzeren plaat boven een poort of brug of poterne of zoo iets. Maar niet altijd was het standpunt van den onsterfelijke even hoog. Tengevolge van den overvloed van beroemdheden was men verplicht geweest enkele namen te doen schitteren aan den teen van het glacis. In den letterlijken zin van het woord, men viel over de buitengewone mannen.
      De majoor, eerstaanwezend ingenieur te Q., heette Rakker. Hij was een »inlandsch kind” of kleurling en had met het blanke en het donkere ras alle ondeugden gemeen. Naar de deugden bleef men zoeken. Hij was onwetender dan de onwetendste Europeesche korporaal. Zelfs bij het leger van Soulouque zou hij voor den rang van tweede-luitenant zijn afgekeurd.
      De generaal-majoor Van der Wijck had drie maanden lang moeten pleiten om hem den majoorsrang deelachtig te doen worden. En toch had die directeur meer invloed dan iemand anders. Men dacht, bij het vernemen van de benoeming, onwillekeurig aan het vonnis van zekere jury: »Overwegende, dat de verdediger van den aangeklaagde drie uren noodig heeft gehad om zijne onschuld te willen bewijzen, wordt deze schuldig verklaard.”
      Wat den generaal bewoog tot zulk eene onwaardige voordracht, lag in het duister. De »Chineesche kerk” sprak van zekere »coprolithische verwantschap”, gelijk die van den ouden heer Kopperlith tot zijn knecht Gerrit, in de geswchiedenis van Woutertje.
      De generaal was zelf meer dan iemand overtuigd van Rakker’s onwaarde. Wanneer hij te Q. de jaarlijksche inspectie kwam houden, sprak hij over de »zaken” uitsluitend met den luitenant, die het opzicht over den bouw had. En als de majoor meende, toch ook een duit in het zakje te moeten leggen, duwde de inspecteur, in de hem eigene jonkheerlijke taal, hem toe:
      »G...v.... Rakker! hoú je smoel; je weet er immers geen bliksem van.”
      Niettemin was de generaal er bijzonder op gesteld, dat Rakker’s onderhoorige officieren op den besten voet met hem verkeerden en geene tooneelen aanrichtten, die te Batavia en Buitenzorg ruchtbaarheid verkregen. Hij zag in elk geschil met zijn beschermeling eene zijdelingsche aanmerking op zijn schandelijk gunstbetoon.
      Dit belette niet, dat hij hem soms zelfs in dienstbrieven grof bejegende. Zoo schreef hij hem eens officieel, in antwoord op een onnoozel verzoek om opheldering omtrent eene lastgeving, die hij door zijne geringe kennis van het Hollandsch niet begrepen had, slechts deze woorden: »Uedelgestrenge is een domkop.”
      Rakker had, als vergoeding voor zijn zeldzaam gemis van menschelijk verstand, van de Natuur eene ruime mate van instinkt of sluwheid ontvangen, op de manier der vossen en apen. Hij was een nieuw bewijs voor de juistheid van Darwin’s afstammingsleer. Ik beveel hem aan voor de zoölogische proefnemingen bij de lessen van Prof. Von Selenka. Hij is in staat zelfs den geloover Van Nispen tot een monist te maken.
      Elken morgen om tien uur moest hij de dagelijksche stukken onderteekenen. Voor dien hoofdbrekenden arbeid sloot onze mandril zich op, teneinde zich niet te vergissen in de volgorde der letteren van zijn naam. Hij wilde niet gestoord worden door de beslommeringen der wereld, gevormd door de elf huizen. Hij had zijn wijfje dikwerf den regel opgedreund: »Van tien tot elf jij mij niet stoor, want dan ik denk.” De juistheid dezer bewering was aan twijfel onderworpen, maar het is zeker, dat hij in de andere drie en twintig uren van het etmaal niet dacht.
      Voor ’t oogenblik slechts één staaltje van zijne schranderheid. Hij moest eens den inhoud berekenen van eene kolom. Men had hem beduid, dat hij daarvoor in zijne Gemeene Meetkunst van Badon Ghyben de formule van den inhoud eens afgeknotte kegels moest opzoeken. Werkelijk had hij gevonden:
                  1 = h = (R2 + Rr + r2),
en voor de letters getallenwaarden in de plaats gezet. Maar met dat natuurlijke wantrouwen aan vele menschenschuwe dieren eigen, vreesde hij, dat Badon hem een koopje wilde geven en in de val laten loopen. Gelukkig vond hij eenige regels later de identieke vergelijking:
            1 = h π
      Hij beproefde het nu eens langs dezen boeg. En, hoe toevallig! hij kreeg voor 1 hetzelfde cijfer. Nu eerst was hij gerust gesteld. Badon had hem niet gefopt. Hij wreef zich de handen van blijdschap, dat het zoo »mooi uitkwam.” De generaal zou hem althans nu niet schrijven, dat hij een domkop was.
      Hij was vrekkig als Harpagon. Het zou onbillijk zijn te beweren, dat hij valsch was, want zijn gezicht was eene ernstige, onheilspellende waarschuwing voor ieder, die slechts een greintje gelaatkennis bezat. Maar onze X. naderde pas den leeftijd der sweet two and twenty en was even onvoorzichtig als afkeerig van achterdocht. Het bleef de fout van zijn leven, ieder te vertrouwen. Hij heeft er zwaar voor geboet.
      Over kleinere ondeugden, zooals verwaandheid, zwijg ik, want zij is onafscheidelijk van de apensoort, waartoe Rakker behoorde.
      Het is onnoodig te vermelden, dat hij een voorstander was van de àdat in de ruimste beteekenis van het woord. Gelijk enkele Javaansche bedienden den eigendom van de familie, waar zij lang in huis zijn geweest, als den hunnen beschouwden, zag ook Rakker in het brandhout van ’s Lands bosschen, in de geneesmiddelen van ’s Lands apotheken, enz. een deel van zijne eigene bezitting.
      Van zijn maandelijksch inkomen, groot ƒ550, verteerde hij slechts een elfde. De overige tien elfden werden belegd bij de wèlbekende firma Droopstoppel en Cie.
      Straks kom ik op het monster terug. De lezers van De Opmerker zullen er wel niet veel uit leeren voor hun vak, maar zij zullen zich eenigszins een denkbeeld kunnen vormen van het gehalte van enkele genie-officieren vóór meer dan vijf en twintig jaren.
      De tweede in rang onder de militaire ingenieurs te Q. was de kapitein Smeer, een liefhebber van het geven van vuile »koopjes”, eene aardigheid, die in zijn tijd in Indië in zwang was, vooral op Sumatra’s Westkust.
      De kieschheid verbiedt verdere uitweiding.
      De generaal Van der Wijck had hem eens bij eene inspectie te Q., in tegenwoordigheid van al zijne onderhoorige officieren, gevraagd:
      – »Hoeveel heeft die proef omtrent het weerstandsvermogen van onze baksteenen gekost?
      – Vijf en twintig honderd gulden.
      – Daarvan heb gij er G..v... tweeduizend gestolen.”
      En daarbij was de zaak gebleven.
      Smeer’s kundigheden vormden met zijn eergevoel en rechtschapenheid een harmonisch geheel.
      Men kan zich voorstellen, met welk een tegenzin X. naar Q. toog, want Rakker en Smeer waren bij het geheele korps bekend.
      Nauwelijks was bij daar aangekomen, of hij richtte zijne schreden naar de sociëteit, de gewone vereenigingsplaats op alle kleine Indische buitenposten. Hij vond daar dan ook al de luitenants bijeen. Met gulheid werd hij ontvangen. Onmiddellijk werden eenige flesschen Champagne besteld om hem welkom te heeten. De duurzaamste vriendschap werd bezworen met den vluchtigsten aller dranken. Een ongunstig, maar juist voorteeken! Zij, die het niet ver brachten, bleven elkander getrouw. Maar de anderen bevestigden later de opmerking, dat men doorgaans in karakter daalt naarmate men


[2]


in rang of inkomen stijgt. Wie tot de hoogere sferen der maatschappij opklimt, laat gewoonlijk zijn zelfgevoel buiten staan als een wandelstok, waarop men niet langer behoeft te steunen.
      Terwijl allen dapper dronken en toasten sloegen en zich vroolijk maakten ten koste van Rakker, verscheen op den weg eene gestalte, waarvan alles grijs was: de hoed, de jas, het vest, de broek, de schoenen en de haren. Alleen het gezicht en de handen waren als koffie.
      Een schaterend gelach weergalmde door de zaal. Uit éénen mond klonk het: »Dat is-i nou! dat is-i nou!”
      Het was Rakker, die gelijk een tijger uit zijn hol te voorschijn kwam, om de koelte vóór zonsondergang te genieten.
      – »Zou ik mij nu bij den vent gaan melden?” vroeg X.
      – Wel zeker!
      – Ja, ,aar ik ben in politiek.
      – Wat kan ’t jou schelen, wat die kerel daarover zegt?”
      X. kon zijn ongeduld niet langer bedwingen en ging op het vreemde dier af.
      – »Heb ik de eer den majoor Rakker te ontmoeten?
      – Ik ben dezelve.
      – Ik ben de luitenant X. en onder uwe orders geplaatst.
      – Heb u geen uniform?
      – Ja, wel twee.
      – Waarom heb u er dan ten minste niet één aangetrokken?
      – Omdat zij beide nog achter zijn met het andere goed, dat de koelies dragen.
      – Kom dan binnen.”
      Men ging zitten. De majoor legde zijn rechter wijsvinger tegen zijn voorhoofd, een gebaar, dat bij hem het denken verving, en vroeg:
      – »Heb u voor mij ook nieuws meegebracht?
      – Voor u heb ik niets meegebracht dan schoenen, die ik, op verzoek van kapitein S., voor u hab meegenomen.
      – U verruk mij. Ik loop hier sinds een jaar met soldaten-schoenen Morgen ik zal heb officiersschoen. Nu, kom u morgen nog eens melden, maar in uniform.”
      Een paar dagen later kwam Rakker bij X. binnenloopen en hield zijn hoed op het hoofd. Vol verbazing gaapte hij den grooten stapel boeken aan, die, bij gebrek aan kasten, nog op den vloer lagen uitgespreid.
      – »Hoeveel koelies u heb noodig gehad voor uw bibliotheek?
      – Twaalf.
      – Hé! ik ook.”
      De ezel was bang voor minder knap door te gaan dan anderen, zoo zijne boeken minder wogen aan papier dan de hunne.
      – »Heb u ook teekeningen gemaakt?
      – Ja wel.
      – Ik mag zien?”
      X toonde hem, onder andere, het ontwerp eener manège. Tegen een der smalle binnenwanden was eene tribune aangebracht voor toeschouwers van een assaut, oefeningen in het rijden, enz. Tegen een der smalle buitenwanden stond een stal voor de bezweete paarden. Zij ontvingen hun hooi uit halfbolvormige ijzeren ruiven, die in gemeenschap stonden met den hooizolder door in den muur gespaarde kokers.
      Rakker vroeg:
      – »Wat is een tribune?
      – Dat is een bank voor heeren en dames.”
      X. legde hem eene tweede maal alles uit. Rakker streek weer met den rechter wijsvinger tegen zijn voorhoofd, wees met zijn linker naar de hooikokers en vroeg:
      – »Zitten daar de heeren en dames?
      – Neen, daar wandelt het hooi.
      – Ik u zal zeg, ik stel belang in die teekening, want ik vroeger ook een manège geprojecteer.
      – Het schijnt, dat u nog nooit een bank voor heeren en dames geprojecteerd hebt.
      – Neen”, antwoordde de botterik in vollen ernst.


(Wordt vervolgd).