Silhouetten van Gizeh

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
                  Silhouetten van Gizeh


1.

Van welke kant je het ook bekijkt, door de jaren heen zijn die Egyptenaren toch eigenlijk wel een stelletje aandachttrekkers. Eerst stapelden ze zo’n slordige 4500 jaar geleden met een hoop drukte en gedoe een paar blokken steen op elkaar waar ze tot op de dag van vandaag nog steeds mee lopen te koketteren, een paar jaar later werd op het Tahrirplein met onwaarschijnlijk veel tamtam zo ongeveer de hele Islamitische wereld op z'n kop gezet en in 2012 verzonnen ze alwéér iets nieuws waarmee ze bijna alle beschikbare nieuwsmedia wisten te halen.

Nadat Zijne Heiligheid paus Shenouda III, 117e patriarch van de Koptisch-Orthodoxe kerk, op achtentachtig jarige leeftijd in Caïro was overleden, haalden zijn volgelingen het in hun hoofd om de oude baas zittend en wel in zijn troon op te laten baren. Als een opgezette vogel. Als een opgezette paradijsvogel zat hij in een gigantische mahoniehouten zetel. Een schitterend kunstwerk waarin door creatieve houtbewerkers tal van mythische symbolen waren verwerkt. Zo was in de rug van de troon met zorg een Jezus-figuur gesneden, op beide leuningen het Koptische Ankh-kruis aangebracht en aan het voeteneinde twee strak voor zich uit kijkende leeuwen gebeeldhouwd. De aartsvader maakte aan stuurboordzijde wel een weinig slagzij, ondanks dat er daags tevoren door een team van specialisten een ingewikkelde constructie in zijn lijf was aangebracht om hem rechtop te laten zitten.

En daar zat hij dan op z'n reusachtige, paradijselijke troon die met gezamenlijke mankracht precies in het midden van de St. Bishoy kathedraal was neergezet. Gekleed in een indrukwekkende goud- en roodkleurige mantel, vervaardigd van een peperduur soort Chinese zijde dat was afgezet met zeldzame diamanten en dieprode robijnen die ooit in de groeven van het Birmese Mogok moeten zijn gedolven. Op zijn diep doorgroefde hoofd droeg de overleden paus een gelijk gekleurde mijter en in z'n linkerhand hield hij een staf met een met bladgoud beslagen bovenstuk die tegen zijn linkerschouder rustte. Binnen handbereik van de kerkvorst zwaaiden een tweetal priesters onafgebroken met gouden schalen in het rond. Vette walmen achterlatend, waardoor de immense basiliek na verloop van tijd volledig was volgelopen met een blauwwitte walm van wierook. Ondanks het onophoudelijke geroezemoes van de mensenmassa, dat door de akoestiek van het gebouw nog eens extra werd versterkt, was het schelle geluid van de gouden kettinkjes toch nog duidelijk hoorbaar. Het godshuis was tot aan de nok toe gevuld met volgelingen die de paus hun laatste eer kwamen bewijzen, en in het episch centrum verdrongen zich honderden rouwenden rondom de overledene. Een orgasme aan twiet!-twiet!-twiet! flikkerende twiet!-twiet! witte twiet! schijnsels uit ontelbare mobiele telefoontjes gaven de paus en z'n directe omgeving een sinistere aanblik, maar voor de bezitters van de speeltjes, daarentegen, wél het onomstotelijke bewijsmateriaal bij deze historische gebeurtenis aanwezig te zijn geweest.

Tientallen zwart gesluierde vrouwen wierpen zich hysterisch huilend op de glanzende granieten vloer om vervolgens door de ordedienst tot bedaren te worden gebracht, waarna ze één voor één naar eerste hulpposten werden afgevoerd die met voortschrijdend inzicht waren ingericht. Omdat alleen genodigden in de kathedraal aanwezig mochten zijn, verdrongen zich buiten de basiliek ook nog eens duizenden hevig zwetende Kopten die reikhalzend een laatste glimp van hun paus probeerden op te vangen. Om ongeregeldheden te voorkomen scherp in de gaten gehouden door zwaar bewapende manschappen van het Egyptische leger en politie.


*

Vertaalt naar onze westerse cultuur is het wel wat lastig om voor te stellen dat een prominente dode op deze wijze aan het volk zou worden tentoongesteld. Maar stel. Stel dat Pim Fortuyn door zijn volgelingen in z'n favoriete Chesterfield zou zijn opgebaard. At your service saluerend en ondeugend, maar tegelijkertijd ook behoorlijk dwingend de Laurentius- en Elizabeth kathedraal inkijkend. Boven hem was het wapen van de familie Fortuyn opgehangen, links en rechts geflankeerd door foto's van de door hem bewonderde JFK en J. den Uyl. Een twaalftal heetgebakerde Marokkaanse jongetjes in strakke, modieuze T-shirts fungeerden als erewacht en z’n onafscheidelijke hondjes Kenneth en Clara zaten ongeduldig keffend bij hem op schoot. De twee moesten zo nu en dan wel even door z'n privéchauffeur in een naburig park worden uitgelaten, zodat Fortuyn na z'n dood niet nóg een keer met uitwerpselen zou worden geconfronteerd.

Fuck it, dachten de organisatoren van het evenement in hun onmetelijke wijsheid, nu we toch zo lekker bezig zijn gaan we gewoon nog een stapje verder. We verduisteren de hele tent om de gebeurtenis nog een extra persoonlijk tintje mee te geven, teneinde de goegemeente ook een beetje een indruk te geven op welke locaties professor Pim naar eigen zeggen aardig wat glibberige uurtjes zou hebben doorgebracht. Met veel gevoel voor het detail hadden bevriende insiders uit de homoscene daags tevoren tal van bijbehorende attributen op speciale plekjes neergehangen binnen het excentrieke decor. Bandages, knevels, halsbanden, kettingen, hand- en voetklemmen, zwart lederen maskers en allerhande zweepjes waren kris kras in de indrukwekkende entourage gerangschikt. En dit alles, zoals fotograaf Robert Maplethorpe dat ooit zo beeldend in zijn biografie heeft weten te verwoorden, onder het motto van: Schoonheid en de duivel zijn een en dezelfde. Geëmotioneerde bewonderaars van Fortuyn gooiden witte bloemetjes over hem heen, zoals dat de laatste jaren steeds meer in zwang geraakt is om tijdens begrafenissen op een kist te strooien. Vanwege de almaar groeiende bloemenpracht was professor Pim al vrij snel zo goed als onzichtbaar geworden, zodat er een team van schoonmakers aan te pas moest komen om hem met roze kleurige plumeaus opnieuw toonbaar te maken voor de voorbijtrekkende mensenmassa. De happening liep door de enorme belangstelling volledig uit de hand; om iedereen de kans te geven deelgenoot te laten zijn van deze bijzondere gebeurtenis, duurden deze magische uren zeker nog een half etmaal langer dan aanvankelijk door de organisatie was gepland.

De bijzondere gebeurtenis zou het land nog wekenlang in z'n greep blijven houden. Op radio, televisie en god mag weten wat voor media nog meer raakte men maar niet uitgepraat en geschreven over wat er zich allemaal in Rotterdam had afgespeeld. In der haast opgetrommelde pseudo-deskundologen rolden over elkaar heen om tijdens de diverse ingelaste televisieprogramma's hun gevoelens te verwoorden in de meest uiteenlopende bewoordingen, zoals: 'een hoogst ongebruikelijke performance', 'waar zijn we met z’n allen nu eigenlijk mee bezig?,' 'te bizar voor woorden', 'dit is toch echt de schaamte voorbij', 'een slechte smaak is ook een smaak', 'hoe leggen we in Jezusnaam dit nu toch weer uit aan de rest van de wereld?' en 'had je hem moeten zien zitten op z'n Chesterfield.' Het hield maar niet op met het leveren van commentaren. En tot overmaat van ramp stortten Christelijk georiënteerde dag- en weekbladen in voor hun gepaste bewoordingen ook nog eens hel en verdoemenis uit over de organisatoren van deze 'wel zeer ongepaste vertoning'. Televisiekijkend Nederland was live getuige van uren durende vragenrondjes in de Tweede Kamer, Europarlementariërs schoten hun Nederlandse collega’s in de Brusselse wandelgangen aan en informeerden langdurig over het hoe, maar vooral ook waaróm van deze buitenissige uitvaartplechtigheid. Maar hoe het ook zij, bij leven was 'De Goddelijke Kale' (zoals Theo van Gogh hem altijd noemde) nou ook niet bepaald vies van wat theatrale experimenten en een beetje extra aandacht op z'n tijd, en zou hij alle commotie met terugwerkende kracht misschien wel naar waarde weten te schatten, en was er, wie het weet mag het zeggen, van pure trots misschien nog wel even bij gaan zitten in z'n Italiaanse graf.

Dus ja, waarom ook niet? Waarom zou je een overledene dus niet zittend in een stoel op mogen baren en zijn die Kopten eigenlijk wel van die vreemde vogels zoals er wellicht van ze wordt gedacht door hun paus een gehele dag behoorlijk dood op zijn troon te laten verpozen? Hoewel het in Egypte nog maar zelden voorkomt, schijnt dit verschijnsel in de tijd van de farao's toch een traditie te zijn geweest. En laten we nou toch wel wezen: tradities moet je in ere worden houden, het is gewoon een kwestie van even wennen aan het idee. Zo zou je met een klein beetje fantasie oma met een breiwerkje in haar vertrouwde art deco bankje voor het raam op kunnen laten baren, nadat ze bij de bejaardenhuiskapper nog één keer een lichtblauw spoelinkje heeft ondergaan. Of ome Henk de duivenmelker, op z'n knieën in het duivenhok waarin hij dag-in-dag-uit te vinden was, terwijl hij z'n prijzen winnende doffer teder over z'n vleugels streelt. Of desnoods een circusartiest, nadat hij tijdens een uitverkochte matineevoorstelling halsbrekende toeren had uitgehaald en ongelukkigerwijs de uitgestoken hand van een collega-acrobaat op een haar na had gemist, lekker zwevend opgebaard in de nok van de circustent waar z'n werkend leven zich voornamelijk had afgespeeld. Het zou zomaar kunnen, de mogelijkheden voor deze ongewone rituelen zijn nu eenmaal legio.

Het alternatieve opbaren van dierbaren zou mogelijk ook een fonkelnieuwe bedrijfstak tot gevolg kunnen hebben, zoals dat aan het eind van de vorige eeuw met het beschilderen van doodskisten ook min of meer het geval is geweest. Op de diverse branche-beurzen werd door ruimdenkende begrafenisondernemers met een surplus aan commercieel inzicht voor hun potentiële klanten een bont scala aan mogelijkheden gepresenteerd en dit alles onder de trendy slogan: 'Laat ook uw eigen doodskist pimpen, juist nu het nog kán'. Nadat de Brabantse kunstenares Tjikkie Kreuger begin jaren negentig het creatieve, maar vooral ook taboedoorbrekende voorwerk had gedaan, was er qua de nieuwe uitvaart plotseling voor elk wat wils te bespeuren. Bij een groot aantal kunstschilders, die bij gebrek aan reguliere opdrachten als een dolle in het nieuwe gat in de markt waren gedoken, was er een ruim assortiment aan beschilderde doodskisten voor billijke prijzen te koop. Op hun websites worden tot op de dag van vandaag alle mogelijke kisten met pseudofilosofisch getinte titels als 'Dagpauwoog', 'Engelen', 'Dankbaar’, 'Trots' en 'Vlinderdans' met foto en al aangeboden. Jazeker, zelfs een extravagant beschilderde kist die als benaming 'Michael Jackson' heeft meegekregen is uit voorraad leverbaar. Voor de diehard Ajaxsupporter kwam er ook al gauw een beschilderde kist met het oorspronkelijke Ajaxembleem op de markt, voor de reislustige vrijbuiters van deze wereld eentje waarop een volkomen uit de klauwen gelopen Amerikaanse camper was afgebeeld, maar ook een vrolijk versierde lijkkist met een Caraïbisch palmenstrand, inclusief een adembenemend vergezicht op de Atlantische oceaan. Je kunt het werkelijk zo gek niet bedenken, de inventieve ZZP'ers schilderen er naar harte lust op los om het de dode medemens in spe zo aangenaam mogelijk te maken.


2.

Een dag later werd de drie dagen durende uitvaartdienst in de kathedraal van Caïro voortgezet, paus Shenouda III was inmiddels uit zijn zittende lijden verlost en lag in een sneeuwwitte doodkist opgebaard. Schier eindeloze gebeden werden in een dermate hoog tempo over de kist uitgesproken, dat de doorsnee rapper er een voorbeeld aan zou kunnen nemen. Priesters met donkerbruine stemmen, lange grijze baarden en gekleed in witte gewaden met identiek gekleurde kappen die diep over hun ogen waren getrokken, stonden druk gebarend rond de overleden paus opgesteld en gaven elkaar signalen die alleen zij maar zullen begrijpen. De kist waarin de paus lag opgebaard was op een verhoging geplaatst, zodat men helemaal achterin de kathedraal ook kon zien wat er zich allemaal in het centrum afspeelde. Rondom de kist werd de druk van de mensenmassa met de minuut groter, met vereende fysieke krachten kon de merendeels geblokte ordedienst de menigte maar nauwelijks in bedwang houden. De voorgeschreven rituelen leken eindeloos te duren, terwijl een onafgebroken stroom van in het zwart geklede priesters uit het hele land in gebogen houding maar rond de zes plankjes bleef trekken. Een stokoude geestelijke met een gebroken stem las voor uit oude geschriften. Hij knikte telkens met zijn hoofd als er door een jongere collega een bladzijde moest worden omgeslagen, op een manier zoals dat bij het optreden van een concertpianist ook wel gebeurt. Aan het eind van de dienst werd de kist door de geëmotioneerde priesters hermetisch gesloten, alvorens één van hen de paus naar beneden weg liet zakken middels een ingenieus draaimechanisme.

De uitvaartplechtigheid werd daags daarna met het nodige ceremonieel in het Koptische klooster van Wadi Natrun afgesloten. Een monnikenverblijf dat ooit, ver weg van de bewoonde wereld, op zo'n slordige 80 kilometer ten noordwesten van Caïro, op last van andersdenkende Egyptische autoriteiten in de onafzienbare Sahara was neergezet. Een plek waar een normaal mens alleen maar naartoe gaat om als aankomend antropoloog de bijzondere leefgewoonten van Bedoeïenen families van dichtbij te bestuderen, desnoods voor het maken van artistiek verantwoorde foto's van door Saharastormen opgewaaide zandheuvels, of, zoals in ons geval, we hier in 1986 als 3-mans filmploeg een paar dagen te midden van de kloosterlingen door mochten brengen, kort nadat dezelfde paus Shenouda III, na een jarenlange verbanning naar deze abdij, van president Hosni Mubarak zijn functie weer uit mocht oefenen.

Eenmaal in het klooster gearriveerd werd de witte kist onder de onophoudelijke klanken van beierende kerkklokken door honderden en nog eens honderden handen in de richting van het graf gedragen. Totale chaos en gekrijs van alle kanten. Volwassen mannen schreeuwden het uit van verdriet. Tientallen mensen werden onder de voet gelopen, ambulances reden met gillende sirenes af en aan. Terwijl de kist hoog boven de hoofden voortging zongen priesters weer hun eindeloze gebeden, die door de verhitte menigte al snel werden overgenomen. Angstaanjagend gezoem uit niet te tellen kelen. Iedere parochiaan probeerde de kist nog één keer aan te raken, wat een niet te beschrijven desorganisatie tot gevolg had. Hortend en stotend en soms angstig scheef hangend vervolgde de populaire paus z'n laatste reis. Soldaten met rode baretten op hun hoofd probeerden de oprukkende mensenzee op afstand te houden, wat slechts ten dele lukte vanwege de gigantische druk die er gedurende de processie was ontstaan. Cameramensen hielden hun onafscheidelijke fallussen hoog boven hun hoofd op de kist gericht, om toch nog een paar shots te kunnen maken voor de eerstvolgende journaaluitzending. Een verdrietige presentatrice van de Egyptische televisie deed live verslag op camera en kon haar emoties maar nauwelijks bedwingen. Ook hier weer honderden mobiele telefoontjes in de aanslag, waarvan het gedraaide beeldmateriaal daags na de begrafenis massaal op YouTube werd gezet. Kort voor het definitieve afscheid werden een twaalftal witte bloemenkransen op de kist gelegd. Het opgewonden geluid van even eerder ging naadloos over in indrukwekkende, zoemende gebeden, die ter afsluiting van de ceremonie door de uitgeputte aanwezigen andermaal werden overgenomen. Het einde van een tijdperk binnen de Koptische kerk.


*

Tijdens de dagen dat wij als filmploeg in het klooster van Wadi Natrun verbleven, was de paus zelf niet aanwezig. Bij hem mochten we een dag of vijf later op audiëntie komen, alwaar onze verslaggever van dienst hem een aantal niet mis te verstane vragen voorschotelde. Het gebeurde allemaal ergens in een buitenwijk van Caïro, waar we nog lange tijd in de snikhete zon hebben moeten wachten tot we uiteindelijk van de geblokte bewakingsheren toestemming kregen om het monumentale pand binnen te gaan. Een half bataljon nerveus knipmessende mannetjes in lange gewaden draaiden constant om de paus heen, geflankeerd door een ander deel van het bewakingspersoneel dat ons op gepaste afstand en met argusogen observeerde, maar de paus zelf was opvallend relaxed en vriendelijk. Volgens mij zag hij in onze blonde reporter wel iemand waar hij zijn boodschap aan kwijt kon, om in het belang van de goede zaak z'n frustraties over de onderdrukking van de Kopten in Egypte kenbaar maken, opdat het Vrije Westen hem een handje zou helpen in z'n strijd tegen de onrechtvaardigheid die hem van hogerhand nog steeds werd opgelegd. Paus Shenouda III keek belangstellend om zich heen en bestudeerde ons op een manier die een beetje deed denken aan een autohandelaar die een nieuwe aankoop inspecteert. Ook nu zat hij op een soort zetel, al was deze wel minder uitbundig van uitvoering dan die op zondag 18 maart 2012 in de kathedraal van Caïro. Wel droeg hij de opvallend grote ringen aan z'n vingers, ongetwijfeld dezelfde als hij 27 jaar later zou dragen tijdens zijn uitvaartdienst. Bij elke vraag die hem werd voorgelegd ging hij telkens een heel klein beetje verzitten, waarmee hij middels z'n lichaamstaal aangaf goed over het aangegeven thema na te denken. Alvorens hij met een antwoord kwam nam hij ruim de tijd, slaakte iedere keer weer een diepe zucht alsof zijn laatste uur toen al reeds geslagen had, waarna hij met een gedragen stem uitgebreid zijn visie kenbaar maakte aangaande de aan hem te berde gebrachte kwestie betreffende. Tot zichtbare opluchting van de paus raakte onze verslaggever na verloop van enige tijd wel zo ongeveer door zijn vragen heen en bedankte de aartsvader vriendelijk voor de tijd die hij voor ons had vrijgemaakt, nam met een stevige handdruk afscheid en verlieten we gedrieën achteruit lopend de immens grote marmeren zaal, zoals dat door de Koptische kerk nu eenmaal is voorgeschreven. Na afloop van het interview, dat toch nog, inclusief het tijdrovende voorstellen en dito afscheid nemen, zo'n slordige drie kwartier had geduurd, hebben we ons in het hotel maar eens prettig op de drank gestort om weer enigszins bij de mensen te komen van al het lange wachten in de verzengende hitte, de hinderlijk priemende blikken der pauselijke bewakers en opgebouwde spanning die achteraf gezien eigenlijk nergens voor nodig bleek te zijn.


*

Slechts een handvol, veelal academisch geschoolde, monniken leefden op de verlaten plek in het Koptenklooster van Wadi Natrun, die zo'n beetje alle aardse geneugten achter zich hadden gelaten en zichzelf in leven hielden door het verbouwen van groenten en graan en het houden van een paar stuks vee. Zoals wel te verwachten was, was er in het klooster voor ons als ongeduldig heen en weer hoppende televisie-types maar bitter weinig te beleven, laat staan dat we ter lering ende vermaak ergens even gezellig aan de lampen konden gaan hangen. De monniken zelf hadden daar echter geen enkele moeite mee en vulden hun dagen met het cultiveren van hun groentetuinen, fijnstampen der graanstengels en tweemaal daags melken van hun zwart-wit gevlekte koeien. Maar het was vooral toch ook wel bidden wat ze deden, zelfs tijdens het boenen van de schier eindeloze gangenstelsels en wassen van hun donkerbruine pijen werd er door de kloosterbroeders hardop gebeden. De kloosterlingen baden van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Al op de eerste dag van ons verblijf opperde de oudste kloosterling het idee om het ochtendgebed in het belendend kapelletje in al z'n serene schoonheid te laten filmen, en liet ons, godbetert, om half vier 's morgens wekken door een van de monniken die op dat moment de nachtdienst had. De opnamen hadden overigens nog wel wat voeten in aarde, dit omdat filmen op deze locatie eigenlijk als heiligschennis werd beschouwd door de Koptische broedergemeenschap. Maar na rijp beraad en intensief overleg met het hoofdkantoor in Caïro kwam uiteindelijk dan toch het groene licht, werd het voor ons de hoogste tijd om de slaap maar eens uit onze oogjes te wrijven en half dommelend aan de slag te gaan. En het moet gezegd, er heerste een aangenaam soort rust in het kapelletje en ook hier werd weer driftig met wierook in het rond gewapperd. Dit alles onder de klanken van het prachtige gezang van een viertal broeders, die vanwege de nog heersende duisternis en zwarte kappen die diep over hun gezichten waren getrokken nauwelijks zichtbaar waren. De opperkloosterling ging voor in het gebed en nam daarvoor alle tijd, terwijl wij ons als filmploeg zo omzichtig mogelijk door de kapel trachtten te bewegen om het nodige filmmateriaal te verzamelen dat nu eenmaal onvermijdelijk was voor onze documentaire die t.z.t. op Nederland 1 zou worden uitgezonden. Eigenlijk waren onze wandelingen tijdens de dienst niet conform de vooraf gemaakte afspraken, maar als brutale nieuwsjagertjes vonden we dat wij toch van de unieke gelegenheid gebruik moesten zien te maken om de broodnodige montageshots op film en tape vast te leggen. Wel leverden onze sneaky acties meerdere boze blikken op van onze contactpersoon, die speciaal uit Caïro was komen rijden en zich achter in het kapelletje ophield om de handel en wandel van het stelletje ongeregeld uit Holland een beetje in de peiling te houden. Maar omdat de situatie van het moment zich niet zo heel erg leende voor een onverhoedse onderbreking, hield de man zich wijselijk afzijdig en deed aan z'n omgeving doen voorkomen alsof zijn neus hevig aan het bloeden was. In mijn herinnering heeft het ochtendgebed toch zeker een uurtje of twee-drie geduurd alvorens er weer wat beweging kwam bij de twee jongste broeders, die zorg droegen voor lopende zaken als het omslaan van de bladzijden van de Nag Hammadi-geschriften en aandragen van brandende en met Koptische symbolen bewerkte kaarsen, die de monniken in hun schaarse vrije tijd zelf hadden gefabriceerd van bijenwas.

Maar zoals dat nu eenmaal altijd pleegt te gaan kwam er zélfs aan deze ochtenddienst een eind zodat we ons boeltje dus weer in konden pakken, ik nog dezelfde ochtend hoogstpersoonlijk in het kurkdroge Saharazand een aantal oren van stenen kopjes en/of schaaltjes heb weten op te graven en ze voor het gemak meteen ook maar gepromoveerd tot archeologische vondsten van formaat. Tot op de dag van vandaag liggen mijn unieke vondsten nog steeds uitgestald in mijn stulpje, bezijden het ivoren schildpadje dewelke ooit door onze verslaggever van dienst uit een streng bewaakt depot op Schiphol, alwaar in beslag genomen zeldzame en dus beschermde plant- en dierensoorten schapsgewijs waren opgeslagen, was ontvreemd op het moment dat een ambtenaar in functie heel even een andere kant op keek.


3.

In het kader van de reeds genoemde documentaire trokken we drie weken lang door het fascinerende Egyptische land. Van hier naar daar en van zus naar zo en gebruik makend van alle mogelijke vervoermiddelen, zoals een nogal luxueus uitgevallen cruiseschip waarmee we gedurende twee dagen stroomafwaarts de Nijl afzakten. Het mocht wat kosten in die tijd. Overheerlijke gerechten waren ons deel, terwijl we achterover leunend in comfortabele rieten stoeltjes uitkeken over de op één na langste rivier ter wereld. Drankje erbij, de splinternieuw aangeschafte zonnebrillen op onze nogal groot uitgevallen neuzen gezet, want wat kon ons het toch allemaal schelen, zo nu en dan een sigaretje opgestoken en op de koop toe sliepen de heren vanwege de kille Egyptische nachten onder donzen dekbedden in ledikanten van palissanderhout. Kortom, het was, op kosten van de nietsvermoedende belastingbetaler thuis op de bank, voor ons gewoon ongelooflijk genieten geblazen.

Tot het weer de hoogste tijd werd om maar eens van boord te stappen en ons door een lokaal pontje naar de oostkant van de Nijl te laten varen, naarstig op zoek naar het ongewisse dat ons ongetwijfeld weer te wachten zou staan. En ongewis bleek het al gauw te zijn, want we hadden nog maar nauwelijks voet aan wal gezet, of we werden geconfronteerd met Bijbelse taferelen waarvan we het bestaan op dat moment maar nauwelijks konden bevatten. Alsof we met een duizelingwekkende snelheid tweeduizend jaar terug in de tijd werden gekatapulteerd. Sidderingen maakten zich van ons meester. Ogen en oren te kort. Niet meer weten waar te moeten kijken. Zou Hij het zijn? Daar op die hoek, bij dat lemen huisje! Kijk dan, daar op die ezel! Momenten van grote twijfel. Beelden die altijd bij zullen blijven. Een haan die kraait. Kippen stuiven in het rond. Stof. Een koe schurkt met z'n kont tegen een waterpomp. Palmen die zich laven aan het water van de Nijl en de hele entourage adembenemend roodgekleurd door het prachtige late middaglicht. Zo moet het ooit zijn geweest. Lang geleden.

Een paar dagen later waren we te gast op een meisjesinternaat in Caïro. Om de rechten van deze toekomstige vrouwen onder de loep te nemen en die van de Kopten in het bijzonder, want daar was het niet zo heel erg geweldig mee gesteld hadden we inmiddels wel begrepen. Hoewel daar tijdens het speelkwartier op dit internaat maar bitter weinig van te merken was, want voor we het goed en wel in de gaten hadden werden we zo ongeveer besprongen door pakweg tweehonderd blauwwitte schooluniformendragende bakvisjes, die allemaal tegelijk een handtekening wilden hebben van de drie leden van een filmploeg uit Holland. Een land waarvan ze tijdens de aardrijkskundelessen hadden geleerd dat de inwoners allemaal op houten klompen lopen, dus was hun reactie wel enigszins verbaasd dat we gympies droegen waarvan ze de merken maar al te goed kenden uit de trendy modebladen. Omdat de hoeveelheid meisjes in geen enkele verhouding stond met ons als verbaasde vreemdelingen, zagen we ons dus wel genoodzaakt aan hun dwingende verzoeken te voldoen teneinde te worden verlost van deze kortstondige jonge meisjesplaag. Door het gegil van de losgeslagen hittepetitjes bereikte ik al snel het stadium van verregaande balorigheid en vond het nodig om in plaats van mijn eigen signatuur slechte imitaties van Jopie Cruijff de Verlosser Zelve in de honderden schriftjes neer te krassen, wisten die tienermeiden immers veel. Opdat ik ook een héél klein beetje een indruk zou kunnen krijgen hoe het toch was om je ganse leven een Verlosser te moeten zijn en onophoudelijk, maar áltijd zonder morren, handtekeningen uit te delen aan mensen die je nooit en te nimmer in je leven hebt gezien.


*

Dus in het belang van vadertje tijd, maar zéker ook onze reportage, dan maar gauw door naar de te filmen meneer Al-Shahid bijenman, die zijn unieke farm even ten zuiden van de Egyptische hoofdstad met een aantal trouwe medewerkers bestierde. In een gehuurde auto dit keer en worstelden ons met ware doodsverachting door het chaotische verkeer van Caïro, wat een zo goed als onmogelijke opgave bleek te zijn. Alles en iedereen scheurde kriskras door elkaar heen. Zonder mededogen. Voorrang geven? Nooit van gehoord. Rode stoplichten? Geen sprake van. Maximum snelheid? Niet aanwezig. Remlichten? Niet gezien. Reparaties en/of verzekeringen? Zég, doe ons een lol! Caïro telde op dat moment zo'n 8 miljoen inwoners, waarvan naar schatting ruim 2 miljoen de beschikking hadden over een vierwielig vehikel. Een complete teringzooi was dus het gevolg. En iedere automobilist maar claxonneren. Niet één uitgezonderd. Ruim twee miljoen toeterende automobilisten op een heel klein stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor. Dag en nacht, 24 uur per etmaal toeteren in je auto. Alsof die Caïronezen werkelijk niks anders te doen hadden, iedere automobilist met z'n kop op de claxon in slaap gevallen was en de rest van de dag gewoon lekker door was blijven pitten. Veelal afgedankte vehikels waren het en illegaal uit West-Europa geïmporteerd, met de Nederlandse of Franse kentekenplaten er nog op. Als zijnde statussymbool. Het is maar dat u het weet en bent dus gewaarschuwd, voor als u ooit van plan bent naar Egypte af te reizen en in Caïro bij Hertz of Avis een Japanse middenklasser huurt.

Het bedrijf van meneer Al-Shahid de bijenman was vele generaties lang van vader op zoon overgegaan. Hónderden jaren van bijen telen, ga er maar aanstaan. We filmden hier omdat de man in kwestie het grootste bedrijf in z'n soort van Egypte runde en aan de industrie eerste klas honing, maar vooral toch ook bijenwas leverde voor het maken van kaarsen. Ontiegelijk veel kaarsen werden er van zijn bijenwas gemaakt. Een goeie business, zo vertelde meneer Al-Shahid trots en liet ons alle uithoeken van z'n bedrijf zien. Hij had een blaaspijpje, dat met een soort van keteltje verbonden was, in zijn mond, waarmee hij doorlopend rook in het rond blies om de bijen op afstand te houden. Tweeduizendmiljard bijen hield meneer Al-Shahid erop na, samengebracht in keurig gerangschikte kasten die in rijen van twintig stonden opgesteld. Zover onze ogen konden reiken bijenkasten, bijenkasten en nog veel meer bijenkasten. En waar we ook liepen op deze onafzienbare farm, overal gezoem om ons heen zzziiioooeeemmm.... zzziiioooeeemmm.... zzziiioooeeemmm........ Voorzichtigheid was dus geboden, wist Al-Shahid ons als ervaringsdeskundige bij uitstek te vertellen. Het was ook duidelijk te zien dat hij tijdens z'n leven meerdere keren was bestookt door die steekgrage krengen, want zijn armen hadden erg veel weg van het maanlandschap zoals Neil Armstrong dat destijds tijdens z'n wandelingen heeft weten te fotograferen. Dus hadden we uit voorzorg alle drie speciale pakken van onze gastheer te leen gekregen. Speciale bijenpakken met een grote kap om onze gezichten te beschermen en extra lange handschoenen die aan een jasje waren vastgenaaid om de zzzioemmmende indringers buiten te houden. Wit van couleur. Want daar schijnen die bijen een hekel aan te hebben, aan de couleur wit. Bedacht door de slimme oude Egyptenaren, die, naar het schijnt, de eerste waren die zich met het telen van bijen hebben beziggehouden.


*

Maar alvorens we bij meneer Al-Shahid's bijenfarm op bezoek gingen, hebben we eerst nog een paar uur al filmend rondgezworven op een immens grote markt in een van de vele kansen- dan wel achterstandswijken die Caïro rijk is. En dat was nou niet bepaald een overweldigend succes, mogen we achteraf toch rustig vaststellen, want erg welkom waren we daar niet. Of het allemaal wel van Allah mocht dat wisten we natuurlijk niet helemaal zeker, maar het gescheld en gevloek was niet van de lucht, op welke plek we ons op die markt ook bevonden. Bij de kleding stalletjes, in de kruidenstraatjes, maar vooral ook in de hoek waar de groentehandelaren hun waar hadden uitgestald was het hel en verdoemenis die over ons als Nederlandse drie-eenheid werd uitgestort. Het waarom van deze agressie was ons een groot raadsel, voor zover we wisten vertoonden we toch echt geen provocerend gedrag. Of het moet onze filmapparatuur zijn geweest, want uit ervaring wisten we dat dit bij sommige bevolkingsgroepen als een rode lap kon werken en bleef het voor ons dus wel een beetje gissen waarom juist deze marktkooplui zo woedend reageerden op onze verschijning. Het zou wellicht ook te maken gehad kunnen hebben dat men niet herkend wilde worden, uit angst door de belastingdienst te worden opgepakt vanwege het illegaal verkopen van goederen, groenten en fruit. Maar dat wisten we natuurlijk ook al niet zeker, omdat er in een land als Egypte op dat moment nog niet zo'n geavanceerd opsporingsapparaat op poten was gezet zoals wij dat toen bij ons al kenden. Van ingewikkelde softwareprogramma's, kliktelefoons of undercoverbelastingambtenaren, die bij ons gekleed gaan in lange witte regenjassen en laag over de ogen gestoken gleufhoeden, was geen enkele sprake. Wel bleken de marktverkopers over een ingenieus tamtam netwerk te beschikken, dat dan weer wel. Hoe dat precies in z’n werk ging daarvan hadden wij natuurlijk óók al geen flauwe notie, maar we waren het ene straatje nog niet uit of werden in een volgende steeg alweer met een luid geschreeuw en gejoel ontvangen. Vooral de ronddwalende vrouwen lieten zich niet onbetuigd, die vormden een kordon aan zwarte sluiers en hielden hun vuisten gebald om hun misnoegen nog wat extra kracht bij te zetten. Langdurig gegil uit tientallen kelen, dat gepaard ging met hoog-octavige klanken die ze met behulp van hun rollende tongen naar buiten uitstootten, zoals je dat ook wel in documentaires op de televisie ziet en hoort waarin alle ins en outs c.q. bijzondere rituelen van een Arabische bruiloft of besnijdenisceremonie uitvoerig onder de loep worden genomen.

Protesteren had voor ons geen enkele zin, het risico om tegen zelf gefabriceerde dubbelloops jachtgeweren aan te lopen was daarvoor veel te groot. Maar na verloop van tijd werden de onbegrijpelijke intimidaties ons toch wel wat te veel, omdat er zich steeds meer mensen mee gingen bemoeien. Zelfs winkelende voorbijgangers, die even tevoren nog nietsvermoedend doende waren met het inslaan van ingrediënten voor het avondmaal, sloten zich zonder verder na te denken over het hoe en waarom van de protesten bij de inmiddels buitenproportioneel reagerende mensenmassa aan. Ongelogen en twee handen gekruist op mijn gouden hartje, het schuim stond op hun lippen. Het was zelfs zó bedreigend, dat we teneinde maar eieren voor ons geld hebben gekozen en de aftocht bliezen omdat sommige theehuis bezoekers het tot overmaat van ramp ook nodig vonden om stante pede hun waterpijpen te laten voor wat ze waren en zij aan zij begonnen mee te strijden om ons van deze markt te verjagen.

Eenmaal weer op veilig terrein aangekomen bespraken we met elkaar datgene wat ons zojuist was overkomen en waar we dit nou toch weer aan te danken hadden, want we hadden toch immers niemand kwaad gedaan. Ondanks dat er bij ons wel degelijk de neiging toe was hadden we de president van het land niet tot op het bot beledigd, ons onthouden vers fruit uit marktstalletjes achterover te drukken, ook al niet onredelijk veel van de prijs van een of ander souvenirtje af lopen pingelen, laat staan dat we met onze tengels aan hun dochters hadden gezeten en een veelvoud van dit soort dingetjes meer. Kortom, van onze kant was er sprake van enige verwarring en onbegrip, zeg maar gerust totale verbijstering en desoriëntatie. Tjonge jonge, wat zaten we er na deze confrontaties met de lokale bevolking toch doorheen en bleef er weinig anders over dan kortstondig aan de drank te gaan en onze weg te vervolgen in de richting van meneer Al-Shahid de bijenman.

Die gelukkig een stuk milder gestemd was dan zijn opgefokte medeburgers op de lokale markt en ons tot in de allerkleinste details tekst en uitleg gaf over het wel en wee van de bijenteelt in zijn land en dat van op zijn bedrijf in het bijzonder. En dat bleek een hele wetenschap, het telen van die bijen. Zo was meneer Al-Sahid bijvoorbeeld ook van de duurzame bijenteelt. Wat er in het kort op neerkwam dat hij veel respect had voor z’n nogal penetrante beestjes en hun milieu, voor de winterperiode dus slechts een deel van de honing uit de bijenkasten haalde en verving door suikerwater, want dan bleef er namelijk nog een aanzienlijk deel beschikbaar voor de bijen zelf. We hingen aan z'n lippen, dat moet vooral ook worden vermeld. Dat wil zeggen, we hingen aan de lippen van onze tólk die bijna de hele reis niet van onze zijde was weg te slaan, zich ontfermde over iedere Arabische letter die hem ter oren kwam en razendsnel voor ons naar het Engels converteerde. Je zou er als vertaler Arabisch-Engels en vice versa op den duur toch helemaal tureluurs van worden, en dat alles tegen een uurtarief waar de doorsnee allochtone schoonmaker in Nederland z'n bed niet eens voor uit zou komen. Op advies van de heer H. Botje, op dat moment al jarenlang correspondent ter plaatse en volledig ingevoerd in o.a. het Egyptische saunawezen, waren we aan het telefoonnummer van deze tolk gekomen. Heer Botje had goede ervaringen met deze man, zo liet hij ons per fax weten. Goed in z'n vak, plichtsgetrouw, altijd stipt op tijd, geen eigen mening hebbende, een beetje saai maar niet té, zorgzame vader zijnde, eigen vervoer ter beschikking hebbend en een goed onderhouden gebit, erg betrouwbaar volgens mensen die hem van dichtbij kenden, nooit of te nimmer vreemdgegaan, accuraat op de momenten die er toe deden, geen al te opvallende verschijning dan wel kapsel, deed trouw de dagelijkse boodschappen voor z'n vrouw, schoon op z'n lichaam en redelijk goed gekleed, maar vooral ook op de achtergrond verblijvend als hij even niet nodig was. Nou, wat wilden we nog meer en dat allemaal voor een lousy 9,45 inclusief per uur. De chef boekhouding van de omroep waarvoor we werkten was derhalve een en al tevredenheid. Op één klein dingetje na. De rekenmeester vond dat de tolk wel zelf z'n lunches diende te betalen, waarna wij hem echter gerust konden stellen omdat de man iedere dag zijn zelf klaargemaakte bammetjes bij zich had. Om kort te gaan: Iedereen was blij en tevree en we konden zonder verdere complicaties en een gerust hart met hem aan de slag.

Ondertussen ging meneer Al-Shahid wel gewoon door met z'n niet te stuiten verhandelingen over het vak waar hij zo van hield. Het zweet stond ervan op z'n voorhoofd. Zo wist hij ons onder meer te vertellen dat de honingbij van alle bijen toch el de bekendste soort is vanwege het algemene voorkomen en het grote aantal exemplaren. '(….) De honingbij wordt vooral ook gewaardeerd vanwege z'n belangrijke rol als bestuiver van de diverse plantensoorten en dan heb ik het met name over de fruitbomen natuurlijk. Daarnaast is de honingbij de belangrijkste leverancier van verschillende natuurproducten, zoals jullie dat hier op mijn bedrijf kunnen zien. En dan heb ik het in dezen dus over de honing, bijenwas en koninginnen-gelei. De honingbij wordt op grote schaal in kunstmatige korven en kasten gehuisvest voor productiedoeleinden, iets dat uiteraard hier ook het geval is. Maar de honingbij wordt echter ook bedreigt door de mens. Belangrijke oorzaken zijn de verschillende parasieten die de diverse plagen kunnen veroorzaken en een aantal onbegrepen symptomen, waardoor inmiddels al veel bijenvolken zijn verdwenen. (….)' wist hij ons, bijna zonder adem te halen, mee te geven.

Maar hoe interessant het niet te stuiten college ook mocht zijn, zelfs tijdens dit interessante uitstapje was factor tijd voor ons ook weer een uiterst kostbare aangelegenheid. Dus begonnen we hem na verloop van tijd zo langzamerhand in de richting van de uitgang te manoeuvreren, teneinde onze weg te vervolgen naar iets waarvan we eigenlijk nog niet zo heel erg precies wisten wat het zou kunnen zijn, maar dat we ongelooflijke trek hadden in een stuk of wat gekoelde biertjes dat was wel zeker. Echter, meneer Al-Shahid, ábsoluut niet op z'n achterhoofd gevallen, had ons dwingende optreden van de voorgaande minuten feilloos in de smiezen en begreep wat wij van plan waren te gaan doen. 'هل أنت ذاهب لتستمر لفترة أطول قليلا الداخل، ثم يمكنك أن تصبح على بينة زوجتي. وقد يكون بالتأكيد كوب من الشاي البابونج.' aldus meneer de bijenman. Of we ter afscheid nog even kennis wilden maken met z’n lieve vrouw, om gezamenlijk nog een kopje kamillethee te drinken alvorens we weer op pad zouden gaan. 'Eeeeh...., nou nee...., eehh...., meneer Al-Shahid. Erg vriendelijk eeeh...., van u en hartelijk eeeh...., dank voor uw... eehhh...., bijna niet te eeeh...., weigeren aanbod, misschien eeeh...., een volgend keer, maar eeeh..., doe de groeten aan uw...., eeeh...., vrouw..., maar we moeten doorrrr...!!'


4.

Tijdens onze drie weken durende reis door Egypte maakten we zonder camera ook nog een niet van te voren gepland uitstapje naar Alexandrië, alwaar toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek een werkbezoekje bracht en onze verslag doende blonde collega hem op verzoek van radio-collega's thuis een aantal uiterst scherpe vragen moest stellen over hoe het nu toch verder moest met het lokale wereldgebeuren en al die aanverwante artikelen meer. We waren dit keer met z'n tweeën, onze vakbroeder met z'n onafscheidelijke toverdoos had een beetje last van de aanhoudende warmte op dat moment en bleef met een goed boek achter in z'n airconditioned hotelkamer. En gelijk had ie, eindelijk een beetje rust aan z'n hoofd. Stipt op tijd reed een gehuurd journalistenbusje voor bij ons hotel, reeds half gevuld met Nederlandse verslaggevers die vanuit het Midden-Oosten alle mogelijke noviteiten doorspeelden naar hun opdrachtgevers in thuisland Nederland. Tijdens de twee uur durende rit hebben we ons verder met bijna niemand bemoeid, druk in de weer als we dit keer waren met onze splinternieuwe speeltjes die op dat moment de wereld deden doen veroveren: pling-plong-pling-plong-pling-plong-pling!

Eenmaal in Alexandrië waren we precies op tijd om onze minister te tackelen, die juist op dat moment in een beveiligde dienstauto aan kwam rijden. Waar de vragen van mijn collega over gingen, al mep je me op dit eigenste moment nog naar een geheel andere wereld, werkelijk waar, geen flauw, maar dan ook écht geen flauw idee. Feit was wel dat het gesprek maar een paar minuten heeft geduurd, omdat de minister alweer snel aanstalten maakte om voor de broodnodige verandering maar weer eens op te krassen en een deurtje verderop te gaan.

Nu was het voor ons zaak om het opgenomen gesprek zo snel als maar enigszins mogelijk was door te spelen naar de radiostudio in Hilversum, zodat het materiaal nog dezelfde middag kon worden meegenomen in de uitzending die geheel en al gevuld was met noviteiten uit alle mogelijke delen van de wereld. Echter, omdat we niet konden beschikken over een studioruimte in Alexandrië - waar doorseinen van het opgenomen bandje een fluitje van een cent zou zijn geweest - waren we aangewezen op een telefooncel die ergens in het oosten van de stad op een achteraf pleintje was gesitueerd. Alvorens we de band konden starten, moesten er eerst nog wel wat voorbereidingen worden getroffen met betrekking tot de directe connectie tussen onze Nagra-recorder en het spreekgedeelte van de hoorn van de volstrékt overjarige telefoonapparatuur. Daarvoor had ik in hoogst eigen persoon een ruim assortiment aan gekleurde draadjes, stekkertjes, klemmetjes en andere handige gedoetjes ter beschikking die ik vanuit Nederland in een speciaal koffertje had meegenomen voor eventuele noodgevallen en/of calamiteiten die zich gedurende onze reis voor zouden kunnen doen. Niet dat er op dat moment direct sprake was van een noodgeval, maar vanwege de tijdsdruk kwam het er toch wel op aan dat we efficiënt te werk gingen, en snel een aantal gekleurde draadjes op de enige goede manier met de andere gekleurde draadjes van de door ons compléét gedemonteerde telefoon zouden doen verbinden. Vraag me in godsnaam nu niet hoeveel rood-groen-blauwe kabeltjes ik met geelwit en bruin-beige gekleurde draadjes aan elkaar heb zitten rommelen, maar het moeten er toch zeker een stuk of zes, zeg maar gerust zeven zijn geweest. Misschien wel acht. Om heel eerlijk te zijn deed ik het allemaal maar een beetje op gevoel en goed geluk en had even later eigenlijk al geen idee meer wat ik de minuten daarvoor eigenlijk precies met al die draadjes en klemmetjes en kabeltjes had zitten emmeren. Desalniettemin bleek mijn minutenlange gefröbel een redelijk geslaagde missie, kon onze werkelijke verbinding nu een aanvang nemen en draaiden we het nummer van de telefooncentrale in Alexandrië, alwaar de connectie met Nederland tot stand moest worden gebracht. 'Goedemiddag, met de telefooncentrale Alexandrië,' klonk de vriendelijke vrouwenstem in goed verstaanbaar Engels. 'wat kan ik voor u doen?' Wat ze voor ons kon doen, dat was zo snel als maar enigszins mogelijk was een verbinding met de studio in het verre Hilversum realiseren. Haast was wel geboden, zo legden we haar in staccato bewoordingen uit, dit in verband met de actualiteitenuitzending die volgens onze informatie op dat moment al bezig zou moeten zijn. Maar gelukkig was de telefoonmevrouw snel van begrip en de afdeling empathie en begreep dus dat ze adequaat moest handelen, duwde met onmiddellijke ingang een aantal mannenplugjes in de juiste vrouwtjes en de verbinding met Holland was wat haar betrof gemaakt. 'Mag ik van u nu ook nog even het nummer waar u mee wilt bellen?', vroeg ze op een meer dan vriendelijke toon. Maar natuurlijk kreeg ze die, we zouden wel knettergek geweest zijn als we dat nummer niét hadden gegeven. Vanaf dat moment konden we ook horen wat er zoal in de studio in Hilversum gebeurde en herkenden de geluiden die onmiskenbaar een live-uitzending betrof. De regisseur riep een opdracht hier en een instructie daar in het rond, we hoorden de overslaande stem van een opgewonden opnameleider, de piepende geluiden van bandjes die heen en weer werden gespoeld en een reeds lopende reportage die over de op handen zijnde dooiperiode in Holland ging. Ondertussen was er in de studio ook contact gelegd met één van de technici die het interview op band vast moest gaan leggen en we maakten samen met hem een aantal geluidstestjes, waarna ik de recorder op scherp kon zetten om afgespeeld te worden. 'Band loopt!' klonk het aan de andere kant van de lijn, het sein waarop we onze recorder in de telefooncel een ongelooflijke slinger konden geven en het opgenomen gesprek met de snelheid van het licht in de richting van Hilversum werd gedirigeerd. Spannende minuten.


*

Nu wilde het bijzondere geval dat ons een paar dagen eerder in Caïro al ter oren was gekomen dat de 13e Elfstedentocht verreden zou gaan worden, de eerste sinds de verschrikkelijke rit die Reinier Paping in '63 op zijn naam had gebracht. Als sportfanaten kregen we van dit nieuws buitengemeen, bovenmatig mateloos en ook verregaande last van we-willen-er-god-dom-me-hoe-dan-ook-bij-zijn-oprispingen en besloten na een kort gezamenlijk overleg te proberen om aan tickets voor een vlucht naar Amsterdam te komen. Een 2-daags retourtje Holland om de live-uitzending van de Tocht der Tochten op de televisie mee te kunnen maken. Kon het nog gekker? Een godsvermogen uitgeven om thuis het klokje rond naar de televisie te gaan zitten koekeloeren en dan na de uitzending weer vrolijk terug te vliegen naar het verre Caïro. Niet even een heel klein momentje nagedacht over het feit dat deze buitensporige verkwisting veel en veel beter zou kunnen worden besteed aan de arme kindertjes in Afrika. Om maar iets te noemen. Wélneeeeee! Of dat geld desnoods ter beschikking stellen aan een nieuw te bouwen buurthuis te Waddinxveen, nadat het tot aan de grond toe was afgebrand, of een geldelijke bijdrage leveren om de erbarmelijke omstandigheden te verbeteren waarin circusberen in Turkije zich bevinden. Zomaar een paar willekeurige voorbeelden waar wij op dat moment dus nét weer iets anders over dachten. Maar soms straft God met enige vertraging, want ondanks talloze telefoontjes onzerzijds bleek niet één vlucht van wélke luchtvaartmaatschappij dan ook twee plekjes richting Schiphol vrij te hebben voor twee sportidioten die in Egypte op reportage waren.

Terwijl onze tape liep en de technicus ter plaatse de kwaliteit ervan nauwlettend in de gaten hield, waren we nog steeds getuige van wat er zich allemaal in de studio afspeelde. Ook de televisie stond aan, dat was duidelijk te horen. Wááááááát.....???!! Krijg nou wat, dit kon toch niet waar zijn, hoorden we nu écht het live-verslag van de finish van de Elfstedentocht??!! Ónze Tocht!! Hoewel de technici in de studio natuurlijk geen weet konden hebben van onze pogingen tickets te bemachtigen om het spektakel live op televisie mede te kunnen maken, had het er toch alle schijn van dat die hufters ons wilden sarren, want het geluid werd almaar verder opgeschroefd en er tenminste een kilo of twee zout in onze nog steeds brandende wonden gestrooid. De finish was in zicht, zo hoorden we overduidelijk, en de opgewonden stem van Heinze Bakker teisterde tijdens de laatste 200 meter van de rit nu nóg intensiever onze trommelvliezen.

'.....Ruitenberg leidt het peloton, pelotonnetje moet ik zeggen, leidt de kopgroep, Henri Ruitenberg, Evert van Benthem, dat is de inzet, Niesten en Kooiman zitten daar in.... eeehhh...., tweede lijnspositie en het gaat Evert van Benthem worden, of gaat het Henr.... het is Evert van Benthem, Evert-van-Benthem wint de 13e Elfstedentocht.....!!!!'

Eenmaal terug in Caïro liet mijn collega zich weer eens van z'n uiterst geestige kant zien. We liepen de lounge van het hotel binnen, als langs een liniaal stapte hij récht op de receptioniste af, wenste haar een hartelijk goedemiddag en vroeg zonder aankondiging vooraf en ook maar één spier te vertrekken: 'Zeg mevrouw, kunt u ons ook vertellen of de heer Evert van Benthem al terug is in het hotel?'

Om de receptioniste niet in verlegenheid te brengen dook ik razendsnel naar onderen weg omdat ik van het ene moment op het andere bijna het leven liet van het lachen, maar mijn geachte collega vond dat allemaal nog niet genoeg. Om zijn performance compleet te maken tikte hij tot overmaat van ramp met de hak van z'n gympie nog even gezellig in mijn middenrif, waardoor ik buiten het gezichtsveld van de behulpzame receptioniste nog minutenlang naar adem happend heb liggen kronkelen op de marmeren vloer van het hotel, terwijl ze aan de andere kant van de balie nietsvermoedend bezig was met rondbellen en het doorbladeren van alle mogelijke hotelregisters om de heer Evert van Benthem op te sporen, die op hetzelfde moment in de Frieslandhal door een dolenthousiaste menigte gehuldigd werd.


Karel Poort