Sumatra-bode/Jaargang 30/Nummer 75/Perkara ketjil

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Perkara ketjil
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 29 maart 1923
Titel Perkara ketjil
Krant Sumatra-bode
Jg, nr 30, 75
Editie, pg [Dag], 1e blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Perkara ketjil.

      Spreek - en schrijf - niet over dingen, waar van ge niets afweet, of die ge niet begrijpt. Dat is een gezonde stelregel. Maar het is soms heel moeilijk om te zwijgen over dingen, die je intrigeeren, verbazen, beangstigen en tegelijk amuseeren, omdat je ze niet begrijpt. Het lijkt vaak, dat ge een zesde zintuig noodig hebt om iets te snappen, dat heel logisch schijnt voor een ander, waarvan ge juist vermoedt, dat hij één van de vijf kwijt is.
      Ik heb er lang over gezwegen en gepeinsd, maar ben er nu-hoop ik-dan ook zuiver achter (zonder zesde zintuig).
      Weet u wat „DADA“ is?
      Neen, hè? Het komt in Indië heel veel voor maar onder een anderen vorm nog dan in Holland en dan noemen ze’t ook anders hoewel al die variaties een gemeenschappelijken „wortel des geloofs“ hebben. Ik wil u wel op dreef helpen, maar ge moet zelf eigenoefening houden, anders komt u er toch niet achter.
      Théo van Doesburg [ik weet overigens niets van den man; niet eens waar hij woont) geeft in ’t Vaderland eene vertaling van de „zeer klare en bevattelijke“ beschrijving van het dadaïstische standpunt, gegeven door den Italiaanschen dadaïst Aldo Comini, en zegt, onder véél meer:

      „Identiteit, simultaneïteit en spontaniteit vormen de drie-eenheid van de dadaïstische levensbeschouwing en ik ben er zeker van dat, deze levensverklaring, berustende op de relativiteit van alle standpunten, een levensbeschouwing, waarin de tegengestelden aan elkaar gelijk zijn, binnen afzienbaren tijd, de ruimte waarbinnen onze planeet zich handhaaft, zal overwinnen.
      Het dadaïsme is de realiteit van den geest. Hierin is het onmogelijke mogelijk. Daarom is de geest slechts door het onmogelijke uit te drukken. De dadaïst, de nam dada, drukt reeds de sprakelooze erkenning van het bestaan uit-schept uit de negatie van elke traditioneele, vastgestelde, steriele realiteit het „ja” van zichzelf, onmiddellijk en onafscheidelijk verband met alle tijd-ruimtelijke gebeurtenissen en verschijnselen. Niet aan tijd en ruimte gebonden, leeft de dadaïst het positief-negatieve, het ja - neen, het volledige, het gisteren-morgen en in de stoute vlucht van zijn scheppende verbeelding, plaatst hij de tegengestelden direct nevens elkaar.“

      (Gelieve dit nog eens kalm over te lezen, Lezer: het lijkt gemakkelijk te begrijpen, maat dat is het toch niet. Als ge het bovenstaande goed gesnapt hebt, dan is het volgende relaas van Théo van Doesburg, ontleend aan Aldo Camini, niet zoo erg zwaar).

      „ Hij (de dadaist) is niet bemiddelaar tusschen a en z, hij is az. Hij zegt niet: „ik lig hier in mijn bed en buiten „mij“ rijden de vrachtwagens, omnibussen! auto’s, treinen, jankt een hond of schreit een kind enz., maar hij is er zich van bewust, dat dit alles tegelijkertijd met dezelfde snelheid, in hetzelfde tempo en met dezellde intensiteit plaats giijpt. Hij zoekt voor dit gebeuren (zichzelf, bed, buiten, vrachtwagens, omnibussen, auto’s, treinen, hond, kind enz) geen analoge voorstelling, geen theorie, zelfs geen synthese, maar hij doordringt wezenlijk, de zintuigelijke en buitenzintuigelijke gewaarwordingssfeer.
      Hij ziet van een imitatieve, futuristische uitdrukking van het leven geheel af. Kunst is hem; leven in ordelooze a-naturalistische uitdrukking, onevenwichtig rapport mat de materie als contrast op kosmische statica, in welke laatste de natuur zich begrenst, maar waartegen de geest zich voortdurend verzet[.]

      Zoo gaat Théo van Doesburg een tijdje voort, maar dan „minder klaar en bevattelijk“, zoodat hij het evengoed in ’t Itaaliaansch had kunnen zeggen, zonder aan de „bevattelijkheid“ iets te schaden, waarom ik de rest ook maar weglaat.
      Er zijn dingen, die zich moeilijk laten definieeren, zelfs moeilijk laten omschrijven, zooals uit bovenstaande vertaling van Théo van Doesburg blijkt. In zoo‘n geval kunnen voorbeelden vaak helpen, b. v.
      Een boom met de wortels in de lucht en de takken in den grond is dada. Iemand, die schudt van het lachen- omdat hij zich doodongelukkig gevoelt, heeft een dadaïstische aandoening.
      Als ik een achterstallige belasting van 9 cent afdoe met een deurwaarders exploit, dat me f 8,45 kost, lach ik „dada!“
      Je kunt dadaïstische dichten, b. v.

3.      4.      5.      6. 6.      5.      4.      3.
8.      9      10.
1.                  
II.      II      II.      II.
3.      4.      5      6.      6.      5.      4.      3.

      Dat „II. II. II.“ moet, vooral scherpzinning en zacht „gedacht“ worden, om het juiste effect te krijgen. Een bloed — echte dadaïst raakt bij dit gedicht „in trance.“
      Ik geloof niet, dat DADA uit boeken te leeren is (hoewel langdurige en vreeselijk ingewikkelde studie voor harde koppen en zenuwachtige gestellen dadaïstische ontvankelijkheid fokt); voor heerlijke resultaten behoeft de beoefening van het dadaïsme de „psychologie van de massa“. In Diligentia, hebben we verschillende „séances“ gehad. Men moet daar heen gaan in een dadaïstische stemming, om er volmaakt van te kunnen genieten.
      Een méér teekenend verslag geven van zoo‘n séance, dan Pim Pernel doet in ‘t Vaderland, zou mij onmogelijk zijn. Ik wil daarom- ter verduidelijking van mijn omschijving van het dadaïsme-een deel van dat verslag hier laten volgen Pim Pernel schrijft dan:

„Ik heb m‘n Parijsche dadaspeldje op m‘n das geprikt, ‘n schildje van keel, waarop ‘n kip zonder kop van sabel, ben naar Diligentia gegaan, geheel in de stemming, twee drie vier, naar de Dadalui. Diligentia is ‘n gebouw-wouw, met een deur en met vensters. Door de deur komen de menschen. Waarom niet de deur naar de menschen ging? Omdat, ein zwei drei die deur hoort bij‘t gebouw, au! En ‘t gebouw kon niet weg, want er waren vensters in en dan zou het tochten. En waarom de menschen niet uit de vensters wegvlogen? Simplement, omdat ze ein, zwei en zelfs drei gulden hadden betaald en dus-es ist bezahlt, es soll herunter, ‘t gagagedoe mee wilden vieren.
Wees en doe vooral niet gewoon! Epatons le bourgeois. Ik heb gebroken met witte manchetten, heb de mijne keurig geteerd, het drukknoopje van m‘n twaalfvingeriggen darm halve kracht gezet, m‘n huispoulepetaat aan de vestiaire afgegeven en ben het Grieksche alfabet voor en achterwaarts joedelend op de wijze van het Dat gaat naar den Bosch toe, op m‘n handen loopend binnen gekomen. Maar ‘t viel absoluut niet op in deze omgeving. Toen ben ik ‘n gesprek begonnen met m‘n buren: achter me eenige geinitieerden in het eerste stadium, naast me‘n echtpaar.
„Dada“, heb ik gezegd, „houd uw dwangbuis aan, ‘t tocht hier, „want de ramen zijn dicht“.
„Dat was ik ook juist niet, van plan“, zeide de man naast me.
„U hebt weinig bizonders aan u, wilt u geen fopspeentje?“
„Dank u“, zei ik, maakte ‘n trararetje.

      „Daarop keek ik hem zoo scheel mogelijk aan, hij deed hetzelfde. Wij lachten. Toen vroeg hij: „Is u ook bij de bende? Telt u ook steeds hardop, om te kijken of u nog niet stapel is?“
      „Nee“, zei ik, „wèl verleden jaar, maar na mijn dood niet meer, genoegelijke daas[.]
      „Mag ik u wat nitroglycerine aanbieden?“ vroeg hij voorkomend.
      „Dank u, zei ik, snoot hem zijn neus en antwoordde:“ „De dokter heeft mij ’n petroleumkuur voorgeschreven.“
      „Pardon“, zei de man,“ „dat,“ „wist mijn vrouw niet“.
      „Dat is juist wat ik vrees haar kwalijk te moeten nemen, apropos hoe is „u het geworden; kwam het in eens?“
      „Nee“, antwoordde hij, ’t kwam uit overtuiging, m’n vrouw wou het graag, beter gezegd“.
      „Die zeldzaam leelijke verschijning naast u?“ vroeg ik en keek. „Ja“ zei hij, mij met ’n dankbaren blik aanziende.
      „Is zij ook.....?“
      „Ook wat?“
      „Ik tikte vragenderwijs op mijn voorhoofd. Hij trok haar bij den neus in mijn richting, stelde voor, „kijk zelf maar“ zei hij.
      „Aangenaam“ zei ik en stak mijn tong uit, Zij reciproceerde en wuifde dada met haar linker voet“.
      „Dada“, zei ze en keek me scheel aan onderwijl van 10 tot één achteruit tellend.
      „Ik deed hetzelfde en zei: „Pardon, maar u schijnt uw man niet zoo goed te kennen als ik gevreesd had“.
      „Hij is gaga en zweet gummi. Dat hoort er bij“, verdedigde zij.“ „Zeer juist“ zei ik, schonk mijn buurmans dop vol gemberbier en nam ’n slokje, mij tot de dame wendend, die ietwat verstrooid rondblikte, zei ik luchtig: „Hij is ’n kleine Landru, de schalk!“
      „Ik schudde haar even spelenderwijs bij den neus; zij lachte cordiaal en zei: „Hij viert hoogstens z’n instincten bot, nietwaar, m’n karbouwtje?“
      „Alpha, bêta, gamma, delta“ zei de aangesprokene. „De Dadaïsten wenschen de wereld zooals ze haar zien, en dat is dadaïstisch.“
      „In den spiegel dan toch, want het dadaïsme is ’n spiegel, wordt ons gepredikt. [„]Maar je moet er ook in kijken, volvette dazeling“, antwoordde ik gezellig doende.“
      „Ik voor mij geloof niet dat ’n goed dadaïst in z’n eigen spiegel durft kijken“, vervolgd ik. „Daar zijn ze te gaar voor“[.] En mij tot de dame richtend, vervolgde ik, mij minzaam buigend: „Wilt u ook een rotte appel?“
      „Graag[“], zei ze, „maar laten we even luisteren wilt u, gezellig maankalf.
      „Dat zij mij hoogstens verluchten“, zei ik hoofsch en liet er zachtjes op volgen: „Man hüte sich für Nachahmung, maar uw echtgenoot lijkt me ’n mooi gaaf specimen, ’n soort prachtuitgave, mooi stapel! Zoo op het eerste gezicht, juist iemand om glas te vreten, maar niet gevaarlijk wat?
      [„]U ziet, wèl kans om ’n draaiorgel van een altaar te onderscheiden, nietwaar?“ vroeg ik.
      „U bedoelt het dadaïstische tentamen voor den tweeden graad van messoggisme? vroeg de dame en keek me innig aan.
      „Juist, juist“, zei haar man enthousiast, mijn gemberbier uit z’n dop slurpend, „groote genade, wat is u een heerlijke gek!“
      „Vindt u nie[t]?“ zei ik gevleid kleurend.
      „Vrouwtje“, zei hij, haar even bij den neus naar zich toe halend, „Dit belendende dierage is zeldzaam, hij ziet ze, hij ziet ze beslist“.
      „O“, zei de dame „ik geloof je; hij ziet er ontzettend aangetast uit.
      „Doet het pijn?“ vroeg ze mededeelzaam.
      „Nee“ zei ik „’t is ’n pretttg gevoel ’n onbekommerd gevoel, het komt geleidelijk opzetten vindt u ook niet?“
      „Het steekt in ’t begin maar daar wen je wel aan is ’t niet?“
      „Nee zei ik ’t is meer een leegte in je hoofd, ’t is zalig, alles wordt transparant“.
      „Laten we ....“
      „Laten we wat?“ vroeg ik.
      „Laten we elkaar nog even scheel aankijken hard-scheel! denk er om!“ inviteerde zij met iets van extase in haar stem: „Toe man even maar ein zwei drei. Nu! commandeerde ze.
      „Toen kregen we het met ons drieën goed te pakken en keken elkaar scheel aan ’n soort bondsgroet“.
      „Nur feste druf“ zei ze weer half in trance.
      „We bleven elkaar volle twee minuten scheel aankijken het werkte enorm, je voelde het laatste restantje gewoon benul uit je kop weggaan en kreeg halucinaties van het zwarte beest uit de Openbaring met molentje spelend“.
      „Blijf nog even in extase „lispelde zij „en luister. Zóó begrijp je het beter“ besloot de sympathieke vrouw. En ik deed aldus.“
      „De heele weerlaagsche rommel is dada“ zei ’n meneer op het tooneel „alleen de dadaïsten zijn niet dada“.
      „Kwatta heeren!“ wekte ons ’n stem en we kwamen weer uit de trance“. Gelooft u niet dat dadasofische aforismen leiden tot wat de Franschen un délassement de l’esprit noemen?“ vroeg m’n buurman.“
      „Mij kan ’t niet bezopen genoeg zijn“ antwoordde ik, want ik had het niet goed verstaan, toen hij ’t over dat dadasoopie had?“
      „L’amour est un puits sur une cathédrale“ bazelde ’n meneer op de Bühne“.
      „Als je ’n kameel ’n naald laat opvreten, komt hij daarom nog niet in den hemel“, zei ik tegen m’n buurman, die dit gezegde eerbiedig aan zyn vrouw meedeelde, die het verder doorgaf. De stomme bende achter ons schreef het op, vond het knap.“
      „Geen koe is zoo dada of er is toch nog ’n verstandig luchtje aan“ lanceerde ik.
      „De buren knikten, vonden het geniaal.“
      „De’r wordt geen enkele aap gaga, die er geen moeite voor doet“, plaatste ik nu (men schreef het op. Keek met ontzag naar my)“
      „Het woord“ „licht“ „existeert, maar’t licht bestaat niet“, blerde ’n meneer van het tooneel“.
      „Als je zeker weet dat ze alle 5 op den loop zijn, maak er dan een marathonloop van en vraag 3 gulden voor de plaats, comme a dit monsieur de Toqueville „oreerde ik.“
      „De dame schreef het op.“
      Tot zoover Pim Pernel.


      Gek, vreeselijk gek, dat je zoo lang pikeren moet om achter sommige eenvoudige dingen te komen. En ik voel me nu plotseling in staat om een vrijzuivere en korte definitie te geven van het dadaïsme (althans voor zoover dat in den Haag „beoefend“ werd) en die definitie zou luiden:
      Het dadaïsme is een vinding van den laatsten tijd, die een deel van het menschdom in staat stelt, tegen behoorlijke betaling, fatsoenlijk gek te doen en zich daarmee kostelijk te amuseeren, en een ander klein deel - gare dadaïsten — om op een gemakkelijke wijze aan goede recetten te komen.

*      *