Theo van Doesburg/Brief aan de familie Leibbrandt/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Brief aan de familie Leibbrandt
Auteur Theo van Doesburg
Datering 30 oktober 1914
Instelling Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Afbeelding
Theo van Doesburg letter to the Leibbrandt family 1914-10-30 p 1.jpg
Brontaal Nederlands
Bron www.leibbrandt.com
Auteursrecht Publiek domein

[1]


Tilburg 30 oct 1914


W.[aarde] Vrienden -


      Je brief heeft me aangenaam verrast. Als ik geen antwoord op mijn brief had gehad was mij dit zeker tegengevallen. Je epistel viel zeer in mijn geest. Wanneer hier op 't oogenblik 'n boer-en-korporaal-van-de-landweer hier niet zoo aan den tafel zat te zwetsen over zijn smerigen handel, dan zou ik in meer litteraire stijl schrijven. Ik heb hier verscheidene artistieke vrienden, waar ik nu en dan nog al eens kom. Mijn grootste vriend is 'n blinde pianist, 'n broer van de juffrouw waar ik m'n kamer heb. Deze man waarvoor niets bestaat dan de gedachte


[2]


heeft 'n zeer heldere kijk op het leven. We hebben reeds verschillende onderwerpen behandeld. Deze verhandelingen werden altijd gehouden terwijl hij achter zijn piano, ik achter mijn schijfbureau zit. Meestal noteer ik direct wat hij zegt; natuurlijk alleen als het belangrijk is. Hij heeft 'n prachtig begrip over de schepping en 'n enorm begrip van de onbestaanbaarheid van een schepper. Ik heb veel van hen geleerd. Hij - de blinde - is het hoofdzakelijk geweest, die mij weer wat plezier in het leven heeft doen krijgen. Uitgezonderd mijne bevrijders, houden alle luidjes veel van mij hier. Als de blinde mijn stem hoort


[3]


komt er 'n lach op z'n grauw gezicht. Dat is verrukkelijk.


„Wie is hier”, vraagt de blinde.
„Ik”, antwoord ik.
„Niemand anders”?
„Neen, niemand anders.”
„O! dan kan ik veilig spreken... ha, ha, ha.” en de blinde klapt als 'n klein kind in de handen!
Zie dàt op 'n mensch te kunnen uitwerken, op 'n mensch die niet eens in staat is te zien, waarvoor ge slechts als „stem” bestaat, als stem en gedachte, dat is 'n geluk.
Ik woon hier samen met 'n orthodoxen korporaal; dat is een ongeluk. We hebben het al dikwijls over verschillende onderwerpen gehad, doch menschen begaafd met verstand, die meenen, dat we van Adam


[4]


en Eva afstammen; dat de geheele menschelijke geschiedenis zich binnen die 6 000 jaar voltrekt zij plegen verraad jegens de Waarheid. Ge zult mij wel veranderd vinden, doch ik strijd voortdurend tegen mijn eigen denkbeelden. -
Die vriend van je was dat Geslius [?]? Ik hoop dat hij in leven is. De geloofsbelijdenis der tegenwoordige menschheid is samen te vatten in de volgende dialoog:
„Wat is God?”
„God is 'n 52en kanon.
„En wie is zijn zoon?”
„De klinkende munt!”
Na dagen van oorlog is er nog slechts eén leven mogelijk: het individueele. -
Ik tracht mij op alle mogelijke manieren te verzetten, fuifjes, dinertjes zijn aan de orde van de dag.


[5]


Hoe kan het ook anders? Ik heb met de dienst niets uit te staan, ben geheel vrij en daar er nog al eens aanleiding is tot 'n feestje en ze me nog al graag mogen, sleepen ze me er altijd bij. Wat ik hier van belgen gehoord heb is veel erger dan wat ook! Men komt op de gedachte zelfmoord te plegen. Ik veracht de mensch en heb de dieren lief. Ik zal geen lans meer uitsteken naar een mensch, noch naar de menschheid. Ik zal me niet meer bezoedelen. Ik zal in tegendeel de mensch bestrijden en de domme leer van christus verpletteren.
Ik zal terugkomen en dan ik zal ik spreken, spreken... Ik zal ook handelen. Maar eens zal er een tijd komen dat ik


[6]


allen: de kunstenaars, geleerden, partijleiders, predikers zal uitdagen! Ik zal uitdagen! Ik zal tarten!
Sommige denken dat deze oorlog mijn ondergang beduidt. Mis! Niet ik ga ten onder, maar de wereld. Ik sta boven de wereld, omdat ik een betere wereld ken. Aangezien deze wereld zoozeer verschilt van de wereld, welke ik ken en wilde verwezelijken, ben ik slechts door hare ware gedaante b teleurgesteld. De oorlog is slechts het zichtbaar worden van den eeuwigdurenden oorlog tussen de menschelijke natuur. We zijn voortdurend in strijd met de natuur onzer medemenschen en vroeg of laat openbaart zich


[7]


deze innerlijke strijd naar buiten; we noemen dat dan de oorlog. De oorlog kan slechts verdwijnen, wanneer deze innerlijken oorlog tusschen de ziel van mensch en mensch verdwijnt. Al het andere is niets waard. Geen vereenigingen, geen Tolstoï, geen Christus, geen vrede door Rechts kan er iets tegen doen. Slechts wij zelf kunnen iets tegen onszelf doen. Zoo is 't. -

Ik eindig, daar het hoog tijd is om te gaan koffiedrinken. Wees gegroet gij Christiaan, Mina, Zus, Godfried en „kik” van

Uw [?] Does.


de Jager [?] zal ik ook schrijven.
Dora ook; iedereen.