Theo van Doesburg/De vrijwilliger

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De vrijwilliger
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Augustus 1919
Titel ‘De vrijwilliger’
Tijdschrift Het Getij
Jg, nr, pg 4, 8, 201-205
Genre(s) Fictie
Brontaal Nederlands
Bron Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, pp. 680-681. ISBN 9068682555
Auteursrecht Publiek domein

De vrijwilliger

      Snel Tempo
Op het eerste het beste oorlogsgerucht had hij zich vrijwillig aangemeld. Bloed! Kruitdamp! Heerlijk!

Nu liep hij met z’n kleine karabijn en z’n langen baard over de breede straat. Hij droeg ’n grijze uniform met roode biesjes afgezet; ’n mutsje op ’t hoofd. Nar.
      Hij gaf zich den stijl van een krijgsman, liepmet passen grooter dan hij gewend was. Zijn baard was wit, uniform en gelaat: graauw. Zijn oogen glommen als opgepoetste knoopen van gebrand staal. Waar z’n mond was tusschen zijn snor-en-baard, was ’n kring: bruin als ’n bokking. De geweerriem hield hij stijf omklemd. Zijn knokels in de koude lucht zagen er uit als ontveld. Hoorde hij de trom: rrrrom... bom... bom... dan trilde z’n snor, opende hij z’n neusgaten en snoof de lucht op.

Z’n ziel was heelemaal lichaam geworden — baard geworden — uniform; plotseling omdat dit het oogenblik van z’n leven was waarin hij rijp was geworden.

      Slechts wanneer ’n grootere soldaat hem aanhield was hij klein. Dan keek hij naar zijn langen wapenbroeder op, scheurde zijn snorrebaard vaneen en toonde een zwart, stinkend gat met twee doorpruimde tandstukjes.
      Hij lachte. Maar het duurde niet lang, want de trom... rrrrom... bom... bom... Hij draaide vlug op z’n droge beentjes om, marcheerde door, knikte de soldaten toe, die hij tegen kwam, sperde z’n neusgaten en snoof hun geur op.

Hij schrok voor geen enkelen dienst terug, was altijd de eerste bij dag- of nachtdienst. Als ’n knaap sprong hij z’n krib uit, greep direct naar zijn karabijn, en zou zóó uit den slaap zelfs Hercules gedood hebben als die verschenen was.
      Niemand wist hoe oud hij was.
      Hij vloekte nooit en als hij het hoorde in de holle kazernegang dan sloop hij — als een hond op een stuk vleesch — op het geluid af, zei dat God alles geschape had en dat Christus gekomen was om den mensch te Verlossen. „Au” riep hij eens toen zijn paard tusschen borst en geweerriem vast. —
      Veel vlugger dan anderen werd hij bevorderd. Elke „streep” scheen hem tien jaar in leeftijd te verminderen.
      Zijne superieuren schenen hem goden. Hij salueerde met de vlakke hand, keek ze doordringend aan met z’n scherpen blik, hield den adem in en fronste de wenkbrauwborstels. Zijn instructies waren correct, z’n commando’s kort en duidelijk. Hij boezemde den recruten respect in, wanneer hij met z’n stootende commando’s naast den troep liep: vóórrr-wrts... links... réks... links... réks... links... links... links...

’t Werd oorlog!
      Overal waren bulletins aangeplakt. Jongens joelden en mannen holden over de pleinen. Voor de sigarenwinkels vormden zich zwarte korsten van menschenlichamen. De menschen snoven elkaârs adem in en ieder voelde de warmte van eens anders lijf. Ook de vrijwilliger stond met z’n kleine karabijn tusschen de massa. Hij rekte zich zóó uit, dat z’n baard vrij in de lucht flapperde. Door den armboog van een stoeren arbeider las hij slechts... heeft ons den oorlog verklaard — beet zich toen hevig in de onderlip, wrong zich uit de menschenmassa, holde de straat over en kwam hijgend met vlammenden baard de wacht binnen. Allen ondervonden zijn tegenwoordigheid met ’n schok. Spreken kon hij niet. Tranen huppelden over zijn baard. Van de wond in zijn onderlip scheen hij niets te voelen. Hij was als beschonken; gevoelloos.
      Nadat z’n onderlip met pleisters beplakt was kon hij eindelijk, bevend’ ...wanneer?’ uitbrengen. Daarna ging hij naar het waschlokaal, waschte z’n baard uit. Mannen met druipende haarpieken, gekleed in vuile overhemden, of zwarte truien, de mouwen omgeslagen. omringden hem.
      „Wat is ’r met de Kort... hij bloeit... wat is er met ’m...” anderen maakten grapjes, vroegen of hij al naar het front geweest was. Bij het woord „front” richtte de vrijwilliger zich op, bracht de schouders naar achter, de borst vooruit, snoof met trillende snor de lucht in, balde de graauwe vuist en riep: „Nu wordt het meenes... ik zal ze...” Zijn blik brandde en verwekte stilte onder de zoemende, brommende, bleeke soldaten.
      Hij kon noch eten, noch slapen, men kon hem steeds op de soldatenkamer vinden, bezig zijn geweer of zijn blikwerk te inspecteren.

Op een morgen speelde er ’n gelukzalig lachje om zijn baard en oogen. Hij liep op het voorterrein heen en weer - ’n rat in ’n weiland. Drie groote kisten stonden op het voorterrein.
      Uit de steenen kazernepoort, kwam ’n zwarte deinende straal op hem aan. „Zijn Kompagnie... ha, ha die kerels;” Hij liet ze richten en had ze spoedig als ’n glinsterend metalen hek vóór zich staan. „Zijn Kompagnie! Zijn kerels;”. Tasschen open... één... twee”, kommandeerde hij en dan gedempt-plechtig met nadruk op elk woord: „Ieder man honderd en twintig scherpe...” (de rest woei weg).
      Met behulp van een langen rechter-guide deelde hij de patronen uit, doch gaf ze niet uit handen alvorens den man doordringend in de oogen te hebben gezien. „Klaar? Tasschen dicht” riep hij. Vóór alle andere was zijn kompagnie gevechtsvaardig. Het wachten hinderde hem. Maar eindelijk ging de trom: rrrrrrrrom... rrrrrrrrrom... rrrrrrrrrrrrrrom... De roffel! De afmarsch!
      Als ’n paal in den grond stond hij voor den troep. Zijn rug was hol. Zijn gehele lichaam geleek, op zij, ’n gespannen boog. Een hoofdofficier sprak ’n rede uit en wat daarin gezegd werd scheen hem van uit den hemel te komen. Onverroerbaar als ’n beeld stond hij, drukte z’n nagels in den geweerriem. Zijn snorrebaard trilde. De colonne zette zich in beweging. De kleine commandant beet zijn commando’s kort af en wierp ze als kleine metalen voorwerpen links en rechts in den troep. Weer roffelde de trom rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrom! Dan beukte en kletterde de muziek. Het koper boven alles uit, schitterde en deinde. Uit alle vensters hingen vale hoofden met verwarde haren, halve rompen, deelen van naakte vrouwenborsten, rood baai, blauw baai, wat, alles bont dooreen.
      De vrijwilliger naast den troep stampte met de hakken en snoof de lucht op. Als ’n bewegend hekwerk ging de troep vooruit. De schaduwen der soldaten waren als zwarte scharen die voortdurend naar het licht knipten, knipten,... knipten,... knipten...

Het regiment kwam in stelling-eerste-linie aan.

Vrijwilliger de Kort werd met ’n bizondere opdracht belast: als patrouille-commandant het voorterrein verkennen. Met al zijn zinnen vernam hij dit bericht, hij hoorde het niet alleen, maar zàg ’t, rook ’t...

Als een rups kroop hij over den grond. Zijn baard hinderde hem onder het kruipen. Hij greep ’n mes, pakte z’n baard bijeen als ’n staart en sneed hem af. Zijn commando’s bestonden uit gebaren. Instinctmatig volgden de manschappen hem, bukkend, hurkend of kruipend naar gelang het terrein was. Achter heesters bleef de vrijwilliger lang liggen, loerde naar alle kanten, luisterde in alle richtingen met ingehouden adem en snoof de lucht op.
      Opeens, ’n schot. Hij richtte zich op en liep inde richting van waar het schot kwam, alsof iemand hem bij den naam had geroepen. Mechanisch deden de manschappen hetzelfde, maar plotseling wierp de Kort zich plat tegen den grond, kroop achteruit en liet zich als ’n kruik in ’n greppel vallen. „Daar zijn ze... terug,” fluisterde hij, „houd je gedekt,.. haanpallen om...” Hij maakte zich zoo klein mogelijk. Weer klonk ’n schot... twee... drie... vier... Hij telde de schoten, lachte gedempt, streek zich over den afgehakten baard en schoof hoorbaar de lucht op. „Hier vlak bij,” zei hij zacht in zichzelf.
      „We hebben ons te ver gewaagd...” fluisterde ’n soldaat vlak aan z’n oor. ’n Gedempte lach was ’t antwoord.
      Zoo bleven ze den geheelen nacht liggen. Geen schot werd meer gehoord. Met kleine sprongen trokken ze zich eindelijk op den troep terug. Onverwacht stuitten ze, nabij een boschrand op ’n vijandelijke patrouille. De kleine commandant stootte met heesche jongensstem kreten uit: „Ha... ho; Hoerah; ha, ha,... hoerah; snelvuur... mannen”. Hij vuurde zelf heel bedaard: lei kalm aan... mikte... trof... lei opnieuw aan... mikte... en trof weer... lei aan... mikte... trof... lei aan... mikte... trof...

De vijandelijke patrouille trok zich vurend in het bosch terug, maar de kleine commandant zet ze na als ’n kleine brulaap, steeds gillende: „Hoerah..., ha... hoerah... vooruit dan die kerels, snelvuur... salvo-vuur... hoerah.”
      Maar de manschappen waren verdwenen.
      De kleine commandant holde, met de geweerkolf omhoog door het bosch, sloeg met z’n karabijn tegen de boomen en krijschte: „vooruit kerels... sta daar niet zoo suf... daar zijn ze nou... vooruit dan die kerels... mijn kerels.”

Den volgenden morgen vonden soldaten van den troep het lijk van ’n verschrompeld oud mannetje met uitgehapten baard aan den zoom van een bosch.
      De rechterhand omklemde een karabijn.