De Stijl/Jaargang 3/Nummer 12/Het Picasso'sche kubisme en de Stijlbeweging

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het Picasso'sche kubisme en de Stijlbeweging

Auteur Theo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering in De Stijl, 3e jaargang, nummer 12 (november 1920): pp. 99-102.
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[p. 99:]

HET PICASSO’SCHE KUBISME EN DE STIJLBEWEGING.

DOOR THEO VAN DOESBURG.

                                                      

Naar aanleiding van P. Alma’s artikel: „De schilderkunst in Frankrijk en Hier” in de Nieuwe Amsterdammer van 6 Maart 1920.

Ofschoon ik mij, kort geleden te Parijs zelf ervan heb kunnen overtuigen dat Picasso nog kubist is, staat en valt de moderne kunst niet met het al of niet kubist-zijn van Picasso. Bij den kubistengroep „La Section d’or” heb ik jongere krachten leeren kennen (Hellesen, Léger, Survage, Laurens enz.), die in de richting van een gemeenschappelijke kunstuitdrukking reeds verder zijn. Een voortzetting van het geinitieerde kubisme van Picasso-Braque is zelfs niet gewenscht. Ook heb ik kunnen constateeren, dat deze mandoline- en guitaarstijl in ’n barokke salonkleinkunst (voor den handel geschikt en gepatenteerd met het echte merk: „Picasso”. Al het andere is namaak.) aan het ontaarden is. Voor de consequente ontwikkeling naar een radicaal nieuwe beelding is het van geen belang meer of Picasso zus of zoo schilder 1), alleen zij die niets meer dan navolgers wareb, in wie het nieuwe verhoudingsbegrip geen levende realiteit (nog) was, hebben Picasso noodig om op te steunen. Hun kunstuiting staat of valt met hun voorganger.
„Over hetgeen voor Picasso een simpel spel was”, schrijft Alma, „werd door anderen zwaar getheoretiseerd. Men moet vooral niet te gewichtig nemen of Picasso zus of zoo schildert”. Terecht. Wanneer Alma dit zelf ter harte nam zou hij aan die gereproduceerde schilderijen niet zooveel waarde hechten. Voor Alma is het nogal erg gewichtig hoe Picasso schildert. Wat minder zwaarwichtigheid zal Holland geen kwaad doen.
Verder schrijft Alma: „Iedere materie die hij hanteert weet hij mooi te verwerken, of het met verf, couranten of stukken van instrumenten is, het is steeds een fijn-delicaat en vooral interessant spel. Naar aanleiding van deze variatie in zijn werk is het niet kwaad hierop nader in te gaan (... dan komt de aap uit de mouw! v. D.) daar in Holland vooral de theorie van het beeldlooze (bedoeld zal hier zijn het vorm-looze. Beeldlooze is hier misplaatst en zonder zin v. D.) tot school en groep is geworden. Wanneer beweerd wordt, dat de afbeelding van relatieve voorwerpen afgedaan heeft, dan berust deze meening op een persoonlijke of groepsovertuiging. Deze opvatting (overtuiging of opvatting dat verschilt nog al iets. v. D.) wordt niet gesteund door een verlangen van de menschheid of de massa. De menschheid verlangt niet naar het verbeeldinglooze, noch naar ascetisme, noch naar abstractie”. Neen, volkomen juist, de menschheid of de massa verlangt slechts naar het concrete, naar concrete en vaste levensstoffen, naar het natuurlijke in materieelen vorm. Wanneer de heer Alma aan dit verlangen van de massa wil voldoen, moet hij ophouden kunstenaar te zijn, want elke kunst, hoe gering ook, ontspringt uit de behoefte aan het abstracte en de verlossing van het natuurlijke. Dat is het geestelijke en dat is het ware, dat de menschheid als geheel al strijdende in het leven realiseert.
——————
1) Het is juist iets naar Picasso’s smaak om een dergelijk geharrewar uit te lokken!

99


[p. 100:]

Het gaat niet op in dit verband „menschheid” en „massa” te identificeeren, zooals Alma doet. Het verlangen van de menschheid, d.i. zoowel het verlangen van de menschheid-als-geheel, als van de individu, manifesteert zich altijd in elken nieuwen kunst- en levensvorm. Dit verlangen wordt eerst door enkelingen, daarna door groepen en ten slotte door de massa gerealiseerd. De heer Alma moet mij eens een nieuw inzicht noemen, dat wèl gesteund werd door het verlangen van een massa. Meent de heer Alma, die al zeer slecht met het ontwikkelingsproces der menschheid op de hoogte moet zijn om dergelijke meeningen te lanceeren, soms dat de christelijke en socialistische gedachten in den tijd van hun opkomst gesteund werden door het verlangen van een massa? We behoeven de historische feiten maar na te gaan om van het tegendeel overtuigd te worden. Ofschoon de dragers van een nieuw inzicht steeds intuïtief, door het verlangen der menschheid' (dat altijd berust op: de verlossing uit het natuurlijke, individueele en gebondene, om te komen tot het ongebondene en universeele) waren bezield, was de massa, — steeds chaotisch en oerconservatief, — òf onverschillig voor óf vijandig aan de nieuwe gedachte. Slechts door deze nieuwe gedachte in het materieele te verleggen (in den godsdienst: de belooning, in het socialisme: de stoffelijke welvaart) was de massa voor de pseudo-nieuwe-gedachte in beweging te brengen.
Het verlangen van de massa als maatstaf te nemen voor de waarde van een kunstinzicht of kunstuiting, — een fout die ook de orthodoxe dogmaticus Tolstoi in z’n geheel ongerijmd werkje „Wat is kunst?” beging en waarvan ons de heer Just Havelaar een slap aftreksel bezorgd heeft: „Humanisme”, — moet altijd een conservatieve kunstuiting ten gevolge hebben. Wil de heer Alma aan het verlangen der reeële massa (niet de ideeële, die alleen in de hoofdebn van enkele sentimenteele dwepers bestaat) voldoen, dan raad ik hem aan prentbriefkaarten of sensatiefilms te fabriceeren.
Wat echter het verlangen naar abstractie betreft: De beweringen van den heer Alma, worden driedubbel weerlegd door de feiten: de toenemende drang naar een radicaal abstracte, vormlooze 1) schoonheidsbeelding over de geheele linie der avant-garde, juist het sterkst in Rusland, waar Kandinsky reeds in 1910 het verlangen naar bevrijding uit het bindend gezag van den vorm (in driedubbelen zin) realiseerde; de ontelbare periodieken der avant-garde, waaruit de behoefte naar de bevrijding van de menschheid uit de klemmende banden van het renaissancistisch-individualisme, duidelijk spreekt: het steeds toenemende dadaisme, dat zich keert tegen de gemeenschappelijke bekrompenheid (die van z.g.n. revolutionairen incluis) op het gebied der kunst, een beweging, die, zooals Renée Dunan in een artikel in „Blue 2” zeer juist opmerkt: „niet is ontstaan uit de consequentie van een esthetische theorie zooals het Futurisme, maar uit het verlangen van den tijd naar ruimte en abstractie ... uit het leven”.
Wanneer Alma zijn reactionaire kunstpropaganda wil doorzetten, wanneer hij succes wil hebben met zijn verdachtmaking der moderne kunst ter wille van een descriptieve nieuwe beeldings-Ersatz, dan dient hij zich eerst ter dege met den toestand op de hoogte te stellen.

Als schilder diende Alma te weten, dat de kunstenaars de organen der menschheid (en
——————
1) Vormloos hier bedoeld: zonder organisch-gebonden natuurvorm.

100


[p. 101:]

niet de massa) zijn en dat het steeds de kunstenaars geweest zijn en zullen zijn, die de latente verlangens der menschheid, actief hebben gemaakt, door deze beeldend te verwerkelijken.
Als mensch van zijn tijd, diende Alma te weten dat de bevrijdingsgedachte op economisch gebied ontspringt uit dezelfde zucht naar esthetische bevrijding (óók van de tendenz) op kunstgebied. ’t Zelfde geldt voor de andere terreinen van geestelijke werkzaamheid: wetenschap, techniek, filosofie enz. Het feit, dat de menschheid niet aanstonds luistert naar die organen, waardoor hare eigen verlangens tot uitdrukking komen, behoeft nog geen reden te zijn, zich te richten naar de concrete, practisch-maatschappelijke verlangens der massa. Het staat ieder vrij met zijn kunst aan de concrete, practische verlangens der menschheid tegemoet te komen en de kunst weer dienstbaar, ondergeschikt te maken aan de propaganda voor de overwinning van een bepaalde klasse. Dit willen ook onze cultuurparia’s, (b.v. Havelaar, Roland Holst e.a.) die de kunst alleen in knechtschap kunnen aanvaarden. Maar het werkelijke gemeenschapskunst en communisme dóór en in de kunst zijn twee geheel verschillende dingen. Het is en blijft een bewijs voor eigen onzekerheid in de keuze tusschen deze beide, wanneer men de laatste wil propageeren door de eerste (anti-symbolische, beeldende) te bestrijden zonder vasteren grond onder de voeten dan het feit, dat een der initiatoren van een reeds overbodig geworden, nationale kunstkring, puur uit sarcasme een geprononceerd-naturalistische schilderij maakt.
Wat ons in het reactionaire stuk van Alma in de „Nieuwe Amsterdammer” het meest treft is de groote tegenstrijdigheid in zijn beweringen:
De heer Alma stemt toe een gemeenschapskunst te willen. Welnu die moet ergens beginnen. Aangezien nu onze samenleving gegrond is op de overheersching van het individualisme, kan een gemeenschapskunst slechts beginnen in contrast met een samenleving, die als de onze een gemeenschappelijk ideaal tegenstaat. Aan een gemeenschapskunst gaat noodwendig een gemeenschappelijk inzicht vooraf: zij vangt aan in den geest van enkelen. Welnu Alma bestrijdt zonder argumenten alweer, de mogelijkheid van een gemeenschappelijk kunstinzicht. In het artikel in kwestie komen wel herhaaldelijk uitlatingen voor als: „algemeene kunst of stijl”, „gemeenschappelijke wil”, gemeenschappelijke gedachte”, gemeenschappelijk doel”, welke hij als ideaal stelt en waarmee hij voorgeeft het individualistisch karakter der moderne kunst te bestrijden, maar uit het volgende blijkt duidelijk, dat Alma voor elk kunstenaar weer een aparte kunstuitdrukking opeischt. Zoo ontkent en bestrijdt hij het streven van „De Stijl” als volgt:
„Het werk van Mondriaan, is als persoonlijke uiting van groot belang en om zijn kunstwaarde tot het schoonste van dezen tijd te rekenen. De theorie, die hij op dit werk bouwt, is een algemeene theorie en als zoodanig juist, maar alleen als algemeene theorie van één persoon, als wereldkijk van één persoon. Wanneer zij de draagster wordt van een groep, dan wordt het een verstandelijk sectarisme. („De Stijl”-beweging).” [spatieeringen van mij. v D.]

Men behoeft maar weinig hersenen te hebben, om de zinloosheid van deze bewering in te zien. Blijkt hieruit niet duidelijk dat Alma nog geheel volgens renaissancistisch-individueel inzicht oordeelt? Dat hij voor elk kunstenaar een afzonderlijke kunstuitdrukking opeischt?

101


[p. 102:]

Stel u voor: een juiste, algemeene theorie, een wereldblik van en vóór één persoon — geborneerd tot eén persoon. Een algemeene theorie, — gesteld dat wij met „De Stijl” niets anders bedoelden, dan theoretisch, stijlrecepten samen te stellen, — die als draagster van een groep in een verstandelijk sectarisme zou verstrammen! Zoo geredeneerd zou het socialisme b.v., gebaseerd op de „juiste” en „algemeene” theorie of de wereldblik van Marx-Engels, als draagster van een groep en tenslotte van een massa, niets anders ten gevolge hebben, dan een verstandelijk sectarisme. Een dergelijke redeneering, die gelijkstaat met de meest burgerlijke, levensontkennende journalistiek, waarmee de heer Alma zijn eigen communistische ruiten ingooit, is ook nog uit een ander inzicht weinig steekhoudend, aangezien de „theorie” van Mondriaan de synthese is van een kunstopvatting, die het gevolg was van een nieuwe, meer abstracte levensverklaring, welke nu al gedurende 13 jaren door schilders van verschillende nationaliteit werd ontwikkeld, (o.a. ook door mij) maar die door Mondriaan consequent werd doorgevoerd en geformuleerd. Nog zoo goed als onbekend met de nieuwe kunstinzichten en geheel onafhankelijk van Piet Mondriaan, die ik eerst later leerde kennen, proclameerde ik in 1913 de rechte lijn als het universeel uitdrukkingsmiddel der nieuwe kunst. In mijn „Onafhankelijke Bespiegelingen over kunst (Avondpost 1913—’14) schreef ik o.a.: „want waar op den grondslag der schoonheid de golvende lijn overheerschend was (Phidias, Michel-Angelo, Rafaël, Rubens enz.) daar versoberde zich de lijn op den grondslag der waarheid (Millet, Monet, Cézanne), totdat zij op den nieuwen grondslag in de rechte lijn eindigen zal. Dit zal de kunst der toekomst in staat stellen een internationalen vorm te scheppen, een vorm verstaanbaar voor allen.” In hetzelfde artikel bestrijd ik het individualisme als volgt: „Alles wat de menschen scheidt zal ik de toekomstige kunst opgeheven worden. De kunstenaar zal zijn een éénmaker en wel omdat de grondslag zijner werkzaamheid niet langer een gevoelen is voor allen verschillend .... maar omdat die grondslag een gevoelen is voor alleen hetzelfde. Hij zal alle grenzen, die hem belemmerende deze diepste gevoelens spontaan uit te drukken verbreken”.
Van een verstandelijk sectarisme zou slechts dan sprake kunnen zijn wanneer de theorie in dit tijdschrift ontwikkeld geen levende realiteit was in verschillende menschen, die onafhankelijk van elkaâr door het algemeene geestelijke verlangen, gedrongen werden uit de ontwikkeling van hun diepst innerlijk en het werk het nieuwe tijdsbewustzijn te formuleeren.

Leiden, 13 October 1920.

[...]

102