Theo van Doesburg/Het einde der kunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het einde der kunst

Auteur [Theo van Doesburg]
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering 1925
Bron De Stijl. [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968. Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1968, pp. 428.
Auteursrecht Publiek domein

Theo van Doesburgs 'Het einde der kunst' verscheen in De Stijl, 6e jaargang, nummer 9, p. 135-136. Een Engelse vertaling verscheen in 1926 als 'The End of Art' in De Stijl, 7e jaargang, nummer 73/74, pp. 29-30.


[135]

[...]

“ HET EINDE DER KUNST ’

(buiten verantwoordelijkheid der medewerkers)

                                                                         Tegen Weenen.
Tegen Parijs.
Tegen Holland.

De kunst kan men niet vernieuwen.
« Kunst » is een renaissancistische uitvinding, die zich in onzen tijd tot het uiterste geraffineerd heeft.
Dat is de z. g.: abstracte kunst!
Niet dan ten kosten eener enorme concentratie was het mogelijk goede kunstwerken voort te brengen. Deze concentratie was slechts mogelijk door, evenals voorheen in de religie, het leven te verwaarloozen, ja door het te verliezen.
Dat is heden niet meer mogelijk.
Thans is het leven, de hoofdzaak. Het geheele moderne leven is met een geisoleerde, exclusieve concentratie in tegenspraak.
Het is absoluut onmodern zich in één ding geheel te verliezen (middeneeuwen)!
Het nieuwe leven berust op constructie d. w. z. op spanningsverdeeling, neutraliseering van trek en druk. Zoo ook wij; wij moeten onze kracht over de lengte van het geheele leven verdeelen. Elke andere levenshouding brengt tragiek.
Dit is de vooruitgang.
Deze sluit exclusieve concentratie uit.
Dat is het eerste punt waarom kunst onmogelijk geworden is.

135


[136]

Het tweede punt:
Zooals voorheen in de middeneeuwen b. v. de wetenschappelijke vooruitgang belemmerd werd door den godsdienst en zijn officieele vertegenwoordigers, zoo wordt thans de ontwikkeling van het reëele leven belemmerd door de kunst.
De plaats die voorheen de religie innam, wordt nu ingenomen door de kunst.
De kunst heeft ons leven vergiftigd.
Het estheticisme heeft allen aangestoken (helaas ook ons). Men kan geen voorwerp aanraken of het is er mede besmet (in Holland beschildert men elke straatklinker met een ornamentje of kwadraatje!). Wanneer men een paal in den grond wil slaan, dan komen de kunstpriesters en zeggen: Gij schendt de harmonie der straat, of de harmonie van het stadsbeeld of van het landschap.
Wanneer men een schrijf-of naaimachine in zijn kamer plaatsen wil, dan komt de huisvrouw en zegt; och neemt U dat ding weg, het stoort de harmonie der kamer.
Briefkaarten, Postzegels, Tabakszakjes, Spoorkaartjes, Kamerpotten, Parapluies, Handdoeken, Pyama’s, Stoelen, Beddekens, Zakdoeken, Dassen, alles is verkunst. Verfrisschen wij ons toch aan zulke dingen, welke geen kunst zijn. De badkamer, de badkuip, het rijwiel, de auto, een machinekamer, een strijkijzer.
Er zijn mensen, die nog in staat zijn zulke mooie dingen zonder kunst te maken.
Dat zijn de vooruitstrevenden.
Zij worden echter belemmerd, hun bewegingen worden voorgeschreven door de kunstpredikanten, hun vindingslust wordt door de kunst verlamd.
Terwille van den vooruitgang moeten wij elk begrip « Kunst », van esthetische speculatie, onderdrukken.
   Parijs 1925.


136