Theo van Doesburg/Inleiding bij den tweeden jaargang

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Inleiding bij den tweeden jaargang
Auteur(s) Redactie [Theo van Doesburg]
Datum November 1918
Titel ‘Inleiding bij den tweeden jaargang’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 2, 1, 1-2
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[1]

INLEIDING BIJ DEN TWEEDEN JAARGANG.

Het doel van de natuur is de mensch, het doel van den mensch is stijl.

Wat in de nieuwe beelding tot tot bepaaldheid gestelde uitdrukking komt: evenwichtige verhouding van het bizondere tot het algemeene, openbaart zich ook, meer of minder, in het leven van den modernen mensch en vormt de grondoorzaak van de maatschappelijke reconstructie waarvan wij getuige zijn.
Zooals de mensch ertoe gerijpt is zich tegen de overheersching van het individu, de willekeur, te verzetten, zoo is de kunstenaar ertoe gerijpt, zich tegen de overheersching van het individueele in de beelding: natuurlijken vorm en kleur, gemoedsaandoeningen enz., te verzetten. Dit verzet, dat gerijpte innerlijkheid van den geheelen mensch, dat leven in strikten zin, dat redelijk bewustzijn tot grondslag heeft, spiegelt zich af in de geheele kunstontwikkeling en wel in het bizonder in die der laatste vrijftig jaren. Het was dus te voorzien dat deze sprongsgewijze kunstontwikkeling ten slotte een gansch nieuwe beeldingswijze ten gevolge moest hebben, welke eerst kon verschijnen in en door een tijd, welke geschikt was een geheele omwenteling in de geestelijke (innerlijke) en materieele (uiterlijke) verhoudingen teweeg te brengen.
Deze tijd is de onze en het moment-zijn van een nieuwe beeldingswijze beleven wij heden. Waar zich eenerzijds de behoefte aan een nieuwen, zoowel geestelijken, — in den meest uitgebreiden zin, als materieele grondslag voor kunst en kultuur doet gevoelen en zich anderzijds traditie en conventie, — noodzakelijk begeleidsters van elke nieuwe gedachte of daad, — door een schuwe tegenwerking van het nieuwe, op alle terreinen tracht te handhaven, wordt de taak van hen die hetzij beeldend of beschrijvend van het nieuwe tijdsbewustzijn te getuigen hebben, een belangrijke en moeilijke. Hun taak vereischt onverflauwde energie en volharding, welke door behoudzuchtige tegenstand nog wordt versterkt en aangewakkerd.
Zoo werken dus zij, die opzettelijk een verkeerde uitlegging aan de nieuwe begrippen geven en de nieuwe beeldingswerken beschouwen op dezelfde wijze als zij de impressionistische werken beschouwen, n.l. niet dieper dan het oppervlak, nolens volens aan de grondlegging voor een nieuw levens- en kunstinzicht mede.
Wij kunnen er hen slechts dankbaar voor zijn.


[2]

Slaan wij een blik op den afgeloopen jaargang, dan moet het ons met bewondering vervullen dat uitvoerende kunstenaars de denkbeelden waartoe zij al arbeidende kwamen, zoo uitnemend helder wisten te formuleeren, waarmede zij veel tot verklaring van het nieuwe kunstbewustzijn hebben bijgedragen. Van dit laatste immers getuigt genoegzaam de toenemende belangstelling, — ook in het buitenland, — voor den inhoud van dit tijdschrift, welke inhoud niet naliet, zoowel bij de jongere als bij de oude generatie, zijn invloed te doen gevoelen. Zoo voorziet deze inhoud, voor den tot dieper aesthetisch bewustzijn gerijpten mensch, in een behoefte.
Dit mag dus een aansporing zijn om, ondanks de moeilijkheden, die door tijdsomstandigheden de uitgave van periodieken belangrijk verzwaren, met dezelfde zekerheid ons aesthetisch beschavingswerk voort te zetten.

October 1918. REDACTIE.