Theo van Doesburg/Is een universeel beeldingsbegrip thans mogelijk?

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Is een universeel beeldingsbegrip thans mogelijk?

Auteur Theo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering in Bouwkudig Weekblad, 41e jaargang, nummer 39 (25 september 1920): pp. 230-231.
Bron Architectuurtijdschriften - Bibliotheek TU Delft
Auteursrecht Publiek domein

[p. 230]

IS EEN UNIVERSEEL BEELDINGSBEGRIP THANS MOGELIJK?

door THEO VAN DOESBURG.

                                                      

Naar aanleiding van V. Huszàr's „Over de organisatie
in de Ambachtskunst”. Bouwkundig Weekblad No. 30.

      Ondanks het onzuivere taalgebruik, waardoor veel van Huszàr's bedoeling verloren gaat, las ik met groote belangstelling en dikwijls met instemming het artikel „Over de Organisatie in de Ambachts-kunst.” Eén zin is er echter in dit artikel waartegen ik mij gedrongen voel verzet aan te teekenen.
      Het wil mij voorkomen, dat de schrijver, gedreven door zijn idealisme een beetje op de werkelijke feiten vooruit loopt. Wanneer hij althans meent, dat onze tijd — een tijd van vermaterialiseerd eigenbelang en openlijken roof — dat onze samenleving, voor de verwezenlijking van architectuur in den uitgebreidsten zin rijp zou zijn, vergist hij zich deerlijk. Huszàr schrijft:

            

„Heeft men het ideaal de architectuur te zien als een organisch geheel, ontstaan uit een universeel inzicht, waarin het individu een ondergeschikte rol heeft, zoo zal men inzien, dat dit doel bereikbaar is in onzen tijd, waarin al een eenheid in de beelding bij de verschillende moderne ambachten te vinden is, die daarin bestaat, dat zij ieder op zijn gebied naar enkel verhouding zoeken.”

      Deze zin nu is geheel in strijd met de waarheid. 't Mocht wat! Er is geen sprake van een universeel inzicht, waarvan uit 'n organisch architectonisch geheel tot stand zou kunnen komen. Er is geen sprake van het zich ondergeschikt maken aan . . . . zooiets als 'n collectieve kunstuitdrukking, een stijl van enkel verhouding.
      Er is geen sprake van een collectief verhoudingsbegrip, of zelfs van het zoeken daarnaar. Ik spreek hier uit ervaring.
      Wanneer men met de paar moderne kunstenaars in Holland, in wie dit oer-begrip opnieuw levens en bewust geworden is, dit onderwerp bespreekt, blijkt al aanstonds, dat ieder een aparte, dus individueele, meening betreffende „verhouding” heeft. En ieder houdt zijn mening voor het ware inzicht. Bij den een is verhouding, het evenwicht van ongelijkheden (dus identiek met harmonie), bij den ander is het de gelijk-


[p. 231]

waardige tweeheid, bij weer een ander zuivere contractwerking; bij de meer practisch reëele vakken: de gelijkwaardige bepaling van middel, functie, constructie en schoonheid. Ik zou hier nog vele individualistische opvattingen van het verhoudingsprinciep kunnen opnoemen, zonder aan één universeel inzicht — waarnaar ook volstrekt niet gezocht wordt — toe te kennen. Dit bestaat niet 1) en aangezien er geen universeel inzicht betreffende het fundamenteele voor de verwerkelijking van een collectieve kunstuitdrukking, voor een zuivere gemeenschapskunst bestaat, spreekt het vanzelf, dat er een georganiseerde architectuur — als eenheid van alle plastische kunsten zooals Huszàr bedoelt — geen sprake kan zijn. De heer Huszàr zal toch niet zoo naïef zijn te meenen, dat er een universeel inzicht bestaat, omdat enkele karakterloozen, parasiteerend op den nieuwen geest, deze begrippen gretig aan- en toepassen, om zich daarmede persoonlijk te bevoordeelen of zich een air van moderniteit te geven! Huszàr zij dan zeer voorzichtig met zijn a priori voor een architectonischen stijl. Deze soort aesthetische gelukzoekers en tafelschuimers zijn juist het gevaar voor de verwezenlijking van het ideaal, dat Huszàr voor oogen heeft.
      Alleen bij de schilders bestaat er over de geheele linie der avant-garde au fond één kunstconceptie, welke zich meer of minder consequent — in verhouding tot de beleving van het nieuwe inzicht te verwerkelijken tracht. Het is echter alleen in de uiterste consequentie van deze kunstconceptie, dat er van de noodzakelijkheid eener collectieve discipline, van een gelijkwaardig samengaan met de andere kunsten en ambachten gesproken kan worden. Voorloopig is er van een samengaan in een begrip geen kwestie, te meer omdat slechts enkelen tot die consequentie kwamen.
      De binnen- en buitenlandsche exposities (men zie b.v. den verfijnden bordeelstijl der Fransche kunstnijveraars!) leveren daarvan het bewijs: een wild dooreen van verhoudinglooze prullen van barbaarschen bombast, gebaseerd op de imitatie van verouderde decoratieve opvattingen, welke het gevolg waren van een zinnenprikkelend zelfgenoegzaam individualisme vermengd met bestanddeelen van sentimenteele zielsverweeking (oorzaak: Christendom).
      Slechts een radicale zuivering | zooals het anti-sentimenteele, oergezonde Dadaïsme reeds op 't gebied der kunst (anti-kunst!) is | maatschappelijk en artistiek, slechts een meedoogenloos neerslaan van het systematische gefokte dilettantisme in alle vakken, kan de maatschappij geschikt maken de genade van het Nieuwe Inzicht, dat in enkelen groot en zuiver leeft, te ontvangen. Slechts dan wanneer de strijd om het bestaan voor den kunstenaar is opgeheven, zal deze in staat zijn een gemeenschappelijke beeldingsidee te aanvaarden, om georganiseerd, het doel van een monumentalen, universeelen stijl, waarin de collectieve persoonlijkheid der volkeren — nù gebonden, dàn vrij — tot volledige uitdrukking zal komen.


——————

      1) Zelfs de zich „communist” noemende kunstenaars willen een individualistische kunst aanhouden. Dit blijkt duidelijk uit de volgende regels van den „Communistische” schilder P. Alma in de Nieuwe Groene van 6 Maart 1920. „Het werk van Mondriaan is als persoonlijke uiting van groot belang en om zijn kunstwaarde tot het schoonste van dezen tijd te rekenen. De theorie, die op dit werk bouwt, is een algemeene theorie en als zoodanig juist, maar alleen als algemeene theorie van één persoon, als wereldkijk van één persoon. Wanneer zij de draagster wordt van een groep, dan wordt het een verstandelijk sectarisme. (De Stijl”-beweging). In de door mij gecursiveerde zinsdeelen ligt de contradictie besloten, die bewijst, dat de Heer Alma nog „oud voelt”. Stelt U voor een Algemeene ... theorie, voor ééne, zegge één persoon. Omdat de heer Alma aan het nieuwe inzicht nog niet toe is, verwerpt hij die algemeene grondslagen waarop een collectieve, zoo hij wil: Communistische kunstuiting juist alléén maar mogelijk is en eischt hij van elken kunstenaar een aparte kunstuiting. Het toppunt van individualisme dus! Voor een dergelijk soort ri-ra-revolutionairen, die wij in de nieuwe beelding kunnen missen, geldt Picabia's dadaïstische banvloek: Messieurs les révolutionnaires vous avez les idées aussi étraites que celles d'un petit bourgeois de Bésançon.