Verdrag betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land 1899

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Tweede Conventie van Den Haag 1899

Type Multilateraal
Ondertekening 29 juli 1899 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding 4 september 1900
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Vervangen door Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land 1907
Leden 51
Bron Rodekruis.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Tweede Conventie van Den Haag 1899 op Wikipedia

Verdrag betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land[bewerken]

Den Haag, 29 juli 1899

(Aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Overwegende dat, hoezeer ook naar middelen gezocht wordt om den vrede te waarborgen en strijd met de wapenen tusschen de volken te voorkomen, toch ook het geval behoort te worden voorzien, dat gebeurtenissen, die hunne zorg niet mocht hebben kunnen afwenden, het beroep op de wapenen zouden te weeg brengen;

Bezield met het verlangen, ook in dit uiterste geval, de belangen der menschheid en de steeds voortschrijdende eischen der beschaving te dienen;

Oordelende, dat het te dien einde noodig is de algemeene wetten en gebruiken van den oorlog te herzien, hetzij met het doel deze nauwkeuriger te omschrijven, hetzij om daarin zekere grenzen te stellen, bestemd om de hardheid er van zooveel mogelijk te beperken;

Geleid door deze overwegingen, welke thans, evenals vijf en twintig jaren geleden, bij gelegenheid der Conferentie van Brussel van 1874, door eene wijze en edelmoedige voorzorg worden aanbevolen;

Hebben, in dezen gedachtengang, een groot aantal voorschriften aangenomen, die ten doel hebben de gebruiken van den oorlog te land te omschrijven en te regelen.

Volgens de opvatting der Hooge Contracteerende Partijen, zijn deze voorschriften, bij welke vaststelling de wensch heeft voorgezeten de rampen van den oorlog te verminderen, voor zoover de militaire noodzakelijkheid zulks toelaat, bestemd om tot algemeene gedragsregel te strekken voor de oorlogvoerenden in hunne betrekkingen tot elkander en tot de bevolkingen.

Het is evenwel niet mogelijk geweest reeds thans voorschriften te beramen, toepasselijk op alle omstandigheden, welke zich in de werkelijkheid voordoen.

Intusschen kon het niet in de bedoeling der Hooge Contracteerende Partijen liggen, dat de niet voorziene gevallen, bij gebreke aan eene geschrevene bepaling, zouden zijn overgelaten aan de willekeurige beoordeeling van hen, die de legers aanvoeren.

In afwachting dat een meer volledig wetboek van de wetten van den oorlog kan worden uitgevaardigd, achten de Hooge Contracteerende Partijen het nuttig te verklaren, dat in de gevallen, welke niet begrepen zijn in de door Haar aangenomen reglementaire bepalingen, de bevolkingen en de oorlogvoerenden verblijven onder de bescherming en de heerschappij der beginselen van het volkenrecht, zooals die voortvloeien uit de tusschen beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menschelijkheid en de eischen van het openbare rechtsbewustzijn.

Zij verklaren, dat met name de artikelen één en twee van het door Haar aangenomen Reglement in dien zin moeten worden opgevat.

De Hooge Contracteerende Partijen, wenschende te dien einde een Verdrag te sluiten, hebben tot Hare gevolmachtigden benoemd, te weten:

(volgen de namen der gevolmachtigden)

die, na aan elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1

De Hooge Contracteerende Partijen zullen aan hunne krijgsmachten te land voorschriften verstrekken, die overeenkomen zullen met het bij dit verdrag gevoegde Reglement betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land.

Artikel 2

De voorschriften, vervat in het bij artikel één bedoelde Reglement, zijn slechts verbindend voor de contracteerende Mogendheden in geval van oorlog tusschen twee of meer van Haar.
Deze voorschriften zullen ophouden verbindend te zijn van het oogenblik af, waarop in een oorlog tusschen contracteerende Mogendheden, eene niet-contracteerende Mogendheid zich bij eenen der oorlogvoerenden mocht voegen.

Artikel 3

Het tegenwoordig Verdrag zal zoo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.
De akten van bekrachtiging zullen te ‘s Gravenhage nedergelegd worden.
Van het nederleggen van iedere akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk langs diplomatieken weg zal worden overgemaakt aan alle contracteerende Mogendheden.

Artikel 4

De Mogendheden, die niet onderteekend hebben, kunnen tot het tegenwoordig Verdrag toetreden.
Zij zullen te dien einde hare toetreding moeten te kennen geven aan de contracteerende Mogendheden, door middel van eene schriftelijke kennisgeving, gericht tot de Nederlandsche Regeering en door deze aan alle andere contracteerende Mogendheden medegedeeld.

Artikel 5

Mocht het gebeuren, dat eene der Hooge Contracteerende Partijen het tegenwoordig Verdrag opzegde, dan zou deze opzegging eerst van kracht worden één jaar na de schriftelijke kennisgeving tot de Nederlandsche Regeering gericht en door deze onmiddellijk aan alle andere contracteerende Mogendheden medegedeeld.
Die opzegging zal slechts van kracht zijn ten aanzien der Mogendheid, die daarvan kennis zal hebben gegeven.

Ter oirkonde waarvan de Gevolmachtigden het tegenwoordige Verdrag hebben onderteekend en van hunne zegels voorzien.

Gedaan te ’s Gravenhage, den negen en twintigsten Juli achttienhonderd negen en negentig, in een enkel exemplaar, hetwelk nedergelegd zal blijven in het archief der Nederlandsche Regeering en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afdrukken langs diplomatieken weg aan de contracteerende Mogendheden zullen worden overgemaakt.

Reglement betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land[bewerken]

Afdeeling I – VAN DE OORLOGSVOERENDEN[bewerken]

Hoofdstuk I – Van de hoedanigheid van oorlogvoerende[bewerken]

Artikel 1

De wetten, de rechten en de verplichten van den oorlog zijn niet alleen toepasselijk op het leger maar ook op de militiën en op de vrijwilligers-korpsen, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

1. aan hun hoofd te hebben een persoon, die verantwoordelijk is voor zijne ondergeschikten;
2. een vast en op eenigen afstand herkenbaar onderscheidingsteeken te hebben;
3. de wapenen openlijk te dragen;
4. zich in hunne handelingen te gedragen naar de wetten en gebruiken van den oorlog.

In de landen, waar het leger geheel of ten deele uit militiën of uit vrijwilligers-korpsen is samengesteld, zijn deze onder de benaming van leger begrepen.

Artikel 2

De bevolking van een niet-bezet gebied, die bij de nadering van den vijand uit eigen beweging de wapenen opneemt om de invallende troepen te bestrijden, zonder den tijd te hebben zich te organiseeren overeenkomstig artikel 1, zal als oorlogvoerende worden beschouwd indien zij de wetten en de gebruiken van den oorlog eerbiedigt.

Artikel 3

De gewapende machten der oorlogvoerende partijen kunnen bestaan uit strijders en niet-strijders.
Ingeval zij door den vijand worden gevangen genomen, hebben beiden recht op de behandeling als krijgsgevangenen.

Hoofdstuk II - Van de krijgsgevangenen[bewerken]

Artikel 4

De krijgsgevangenen zijn in de macht van de vijandelijke Regeering, maar niet van de personen of legerafdeelingen, die hen gevangen hebben genomen.
Zij moeten met menschlievendheid worden behandeld.
Alles wat hun persoonlijk toebehoort, uitgezonderd wapenen, paarden en militaire papieren, blijft hun eigendom.

Artikel 5

De krijgsgevangenen kunnen worden onderworpen aan interneering in eene stad, vesting, kamp of welke andere plaats ook, onder gehoudenheid zich vandaar niet buiten zekere vastgestelde grenzen te verwijderen; maar zij mogen niet worden opgesloten dan bij wege van onvermijdelijken veiligheidsmaatregel.

Artikel 6

De Staat kan de krijgsgevangenen tot het verrichten van arbeid bezigen overeenkomstig hun rang of graad en hunne geschiktheid. Deze arbeid zal niet overmatig zijn, en geenerlei verband houden met de krijgsverrichtingen.
De krijgsgevangenen kunnen worden gemachtigd om te arbeiden voorrekening van openbare besturen of van partikulieren, of voor hunne eigene rekening De arbeid, voor den Staat verricht, wordt betaald volgens de tarieven geldig voor militairen van het eigen leger, wanneer deze denzelfden arbeid verrichten.
Wanneer de arbeid plaats heeft voor rekening van andere openbare besturen of voor partikulieren, zullen de voorwaarden daarvan worden geregeld in overleg met het militair gezag.
Het arbeidsloon der krijgsgevangenen moet dienen om hun lot te verzachten, en het overschot zal hun worden uitbetaald op het oogenblik van hunne invrijheidstelling, behoudens aftrek van de kosten van onderhoud.

Artikel 7

De Regeering, in wier macht de krijgsgevangenen zich bevinden, is belast met hun onderhoud.
Bij gebreke aan eene bijzondere schikking tusschen de oorlogvoerenden, zullen de krijgsgevangenen, wat voeding, ligging en kleeding betreft, op denzelfden voet behandeld worden als de troepen van de Regeering, die hen gevangen genomen heeft.

Artikel 8

De krijgsgevangenen zijn onderworpen aan de wetten, reglementen en orders geldende voor het leger van den Staat, in wiens macht zij zich bevinden. Elk daad van insubordinatie wettigt te hunne opzichte de vereischte dwangmaatregelen.
De ontvluchte krijgsgevangenen, die weder worden gevat, alvorens zij hun eigen leger hebben kunnen bereiken of het gebied, bezet door het leger dat hen heeft gevangen genomen, hebben kunnen verlaten, kunnen disciplinair gestraft worden.
Krijgsgevangenen die, nadat het hun gelukt is te ontkomen, opnieuw krijgsgevangen worden gemaakt, zijn wegens hun vroegere vlucht niet strafbaar.

Artikel 9

Iedere krijgsgevangene is gehouden, indien hij daaromtrent wordt ondervraagd, zijne ware namen en zijne waren rang of graad op te geven, en ingeval hij in strijd met dezen regel mocht handelen, stelt hij zich bloot aan eene beperking der voorrechten, welke aan de krijgsgevangenen van de categorie waartoe hij behoort, zijn toegestaan.

Artikel 10

De krijgsgevangenen kunnen op hun eerewoord worden in vrijheid gesteld, indien de wetten van hun land hun zulks veroorloven, en, in zoodanig geval, zijn zij gehouden onder verband van hunne persoonlijke eer, met de meeste nauwgezetheid, zoo tegenover hunne eigene Regeering, als tegenover de Regeering, die hen heeft gevangen genomen, de verplichtingen te vervullen, die zij op zich mochten hebben genomen.
Hunne eigene Regeering is alsdan gehouden van hen geenerlei dienst te vorderen of aan te nemen, strijdig met het gegeven woord.

Artikel 11

Een krijgsgevangene kan niet gedwongen worden zijne vrijheid op eerewoord aan te nemen; evenzoo is de vijandelijke Regeering niet verplicht het verzoek in te willigen van den gevangene, die zijne invrijheidsstelling op eerewoord verlangt.

Artikel 12

Ieder krijgsgevangene, op ereewoord in vrijheid gesteld, die weder wordt gevat terwijl hij de wapens draagt tegen de Regeering, jegens welke hij zich op zijne eer verbonden had, of tegen haar bondgenooten, verliest het recht op de behandeling als krijgsgevangene en kan gerechtelijk vervolgd worden.

Artikel 13

De personen die een leger volgen, zonder daarvan rechtstreeks deel uit te maken, zooals correspondenten en berichtgevers van dagbladen, marketentsters, leveranciers, hebben, indien zij in de macht vallen van den vijand en deze het nuttig oordeelt hen aan te houden, het recht om als krijgsgevangenen te worden behandeld, op voorwaarde, dat zij voorzien zijn van een legitimatiebewijs van de militaire autoriteit van het leger, dat zij vergezelden.

Artikel 14

Dadelijk bij den aanvang der vijandelijkheden, wordt in ieder der oorlogvoerende Staten, en in de neutrale landen, bijaldien deze oorlogvoerenden op hun gebied zullen hebben toegelaten, een Bureau van inlichtingen nopens de krijgsgevangenen ingesteld. Dit bureau, belast met de beantwoording van alle navragen hen betreffende, ontvangt van de verschillende bevoegde takken van dienst alle noodige aanwijzingen om het in staat te stellen eene persoonlijke kaart voor elken krijgsgevangene op te maken. Het wordt op de hoogte gehouden van de interneeringen en mutatiën alsmede van de opneming in hospitalen, en van de sterfgevallen.
Het Bureau van inlichtingen is mede belast met het bewaren, bijeenverzamelen en aan de belanghebbenden opzenden van alle voorwerpen van persoonlijk gebruik, geldswaarden, brieven, enz., die op de slagvelden gevonden of door de in de hospitalen en ambulances overleden krijgsgevangenen nagelaten worden.

Artikel 15

De vereenigingen tot het verstrekken van hulp aan de krijgsgevangenen, welke volgens de wet van hun land regelmatig zijn ingesteld en ten doel hebben de tusschenpersonen te zijn voor het weldadigheidsbetoon, zullen binnen de perken door de militaire noodzakelijkheid en de administratieve regelen gesteld, van de oorlogvoerenden voor zich zelf en voor hunne behoorlijk gemachtigde agenten alle medewerking ontvangen om hunne menschlievende taak doeltreffend te kunnen volbrengen. De afgevaardigden van die vereenigingen zullen kunnen worden toegelaten tot het verstrekken van hulp in de depots van interneering, alsmede op de étappe-plaatsen der gevangenen, die naar hun vaderland terugkeeren, krachtens eene persoonlijke vergunning, afgegeven door de militaire autoriteit, en mits zij zich schriftelijk verbinden zich te onderwerpen aan alle maatregelen van orde en politie welke deze mocht voorschrijven.

Artikel 16

De Bureaux van inlichtingen genieten vrijdom van port. De brieven, postwissels en geldswaarden, alsmede de postpakketten, bestemd voor de krijgsgevangenen of door hen verzonden, zullen vrijgesteld zijn van alle postheffingen zoowel in de landen van afzending en van bestemming als in de tusschengelegen landen.
De giften en ondersteuningen in natura, voor de krijgsgevangenen bestemd, zullen worden toegelaten vrij van alle invoer- en andere rechten, alsmede van de vrachtkosten op de door den Staat geëxploiteerde spoorwegen.

Artikel 17

De krijgsgevangen officieren kunnen, indien deze verstrekt worden, den toeslag op hun traktament ontvangen, die hun in dien toestand door de reglementen van hun land wordt toegekend onder gehoudenheid van terugbetaling door hunne Regeering.

Artikel 18

Alle vrijheid wordt aan de krijgsgevangenen gelaten voor de uitoefening van hunne godsdienstplichten, daaronder begrepen het bijwonen der godsdienstoefeningen van hunne gezindte, op voorwaarde alleen, dat zij zich gedragen naar de maatregelen van orde en politie door de militaire autoriteit voorgeschreven.

Artikel 19

De testamenten der krijgsgevangenen worden in bewaring genomen of verleden op dezelfde wijze als voor de militairen van het eigen leger.
Men zal evenzeer dezelfde regelen volgen ten aanzien der stukken betreffende het bewijs van overlijden, alsmede ten aanzien van de ter aarde-bestelling van de krijgsgevangenen, waarbij met hunnen graad en hunnen rang rekening zal worden gehouden.

Artikel 20

Na het sluiten van den vrede, zal de terugkeer van de krijgsgevangenen naar hun vaderland binnen den kortst mogelijken tijd moeten geschieden.

Hoofdstuk III - Van de zieken en de gewonden[bewerken]

Artikel 21

De verplichtingen der oorlogvoerenden betreffende de zorg voor de zieken en gewonden worden beheerscht door het Verdrag van Genève van 22 Augustus 1864, behoudens de wijzigingen die dit Verdrag zal kunnen ondergaan.

Afdeeling II - Van de vijandelijkheden[bewerken]

Hoofdstuk I - Van de middelen om den vijand te benadeelen, van de belegeringen en bombardementen[bewerken]

Artikel 22

De oorlogvoerenden hebben geen onbegrensd recht ten aanzien van de keuze der middelen om den vijand te benadeelen.

Artikel 23

Behalve de verbodsbepalingen door bijzondere verdragen vastgesteld, is met name ontzegd:

a. vergift of vergiftigde wapenen te bezigen;
b. personen behoorende tot het vijandelijk volk of leger verraderlijk te dooden of te verwonden;
c. een vijand te dooden of te verwonden, die, de wapenen nedergelegd of geen middelen tot verdediging meer hebbende, zich op genade of ongenade heeft overgegeven;
d. te verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
e. wapenen, projectielen of stoffen te bezigen, die noodelooze smarten kunnen veroorzaken;
f. onrechtmatig gebruik te maken van de parlementaire vlag, de nationale vlag of de militaire onderscheidingsteekenen en de uniform van den vijand, alsook van de onderscheidingsteekenen van het Verdrag van Genève;
g. vijandelijke eigendommen te vernielen of in beslag te nemen, behalve in geval dat vernielen of in beslag nemen door de oorlogsnoodzaak gebiedend wordt gevorderd.

Artikel 24

De krijgslisten en het bezigen van de middelen, noodig om zich inlichtingen te verschaffen nopens den vijand en het terrein worden beschouwd als geoorloofd.

Artikel 25

Het is verboden steden, dorpen, woningen of gebouwen die niet verdedigd worden, aan te vallen of te bombardeeren.

Artikel 26

De bevelhebber der aanvallende troepen zal, alvorens tot het bombardement over te gaan, en behoudens het geval van een aanval stormenderhand, alles moeten doen, wat van hem af hangt, om de autoriteiten daarvan te verwittigen.

Artikel 27

Bij de belegeringen en bombardementen moeten alle noodige maatregelen genomen worden om de gebouwen gewijd aan de eerediensten, aan de kunsten, de wetenschappen en aan de weldadigheid, de hospitalen en de plaatsen, waar zieken en gewonden bijeengebracht zijn, zooveel mogelijk te sparen, op voorwaarde, dat zij niet gelijktijdig voor een militair doeleinde worden gebruikt.
Het is de plicht der belegerden die gebouwen of plaatsen van verzameling aan te duiden door bijzondere, goed zichtbare teekenen, die vooraf ter kennis van den belegeraar zullen worden gebracht.

Artikel 28

Het is verboden zelfs eene stormenderhand genomen stad of plaats aan plundering over te leveren.

Hoofdstuk II - Van de spionnen[bewerken]

Artikel 29

Als spion kan alleen beschouwd worden de persoon die, heimelijk of onder valsche voorwendsels, in den kring der krijgsverrichtingen van eenen oorlogsvoerenden inlichtingen inwint of tracht in te winnen, met het oogmerk die aan de tegenpartij mede te deelen.
Alzoo worden de niet vermomde militairen, die in het gebied der krijgsverrichtingen van het vijandelijk leger zijn binnengedrongen, ten einde inlichtingen in te winnen, niet als spionnen beschouwd.
Evenmin worden als spionnen beschouwd: de militairen en de niet-militairen, die, belast met het overbrengen van berichten, welke bestemd zijn hetzij voor hun eigen leger hetzij voor het vijandelijk leger, openlijk hunne opdracht vervullen. Tot deze categorie behooren eveneens zij, die in luchtballons zijn uitgezonden ten einde berichten over te brengen en, in het algemeen, de gemeenschap tusschen de verschillende deelen van een leger of van een gebied te onderhouden.

Artikel 30

De op heeterdaad betrapte spion zal niet zonder voorafgaande rechterlijke uitspraak kunnen worden gestraft.

Artikel 31

De spion die, nadat hij het leger waartoe hij behoort weder heeft bereikt, later door den vijand wordt gevat, wordt als krijgsgevangene behandeld en kan voor zijn vroegere daden van spionage niet meer ter verantwoording worden geroepen.

Hoofdstuk III - Van de parlementairen[bewerken]

Artikel 32

Als parlementair wordt beschouwd de persoon, die door een der oorlogvoerenden is gemachtigd om met den anderen in onderhandeling te treden en die zich met de witte vlag vertoont. Hij heeft recht op onschendbaarheid evenals de trompetter, hoornblazer of tamboer, de vaandeldrager en de tolk, die hem mochten vergezellen.

Artikel 33

De bevelhebber, aan wien een parlementair is afgezonden, is niet verplicht dezen onder alle omstandigheden te ontvangen.
Hij kan alle maatregelen nemen noodig om te beletten dat de parlementair van zijne zending gebruik maakt om zich inlichtingen te verschaffen.
Hij heeft het recht, in geval van misbruik, den parlementair tijdelijk aan te houden.

Artikel 34

De parlementair verliest zijn recht op onschendbaarheid, indien het stellig en onweerlegbaar bewezen is, dat hij van zijnen bevoorrechten toestand gebruik gemaakt heeft om eene daad van verraad uit te lokken of te plegen.

Hoofdstuk IV - Van de capitulatiën[bewerken]

Artikel 35

De capitulatiën, welke tusschen de contracteerende partijen worden gesloten, moeten rekening houden met de regelen van de krijgseer.
Zijn zij eenmaal vastgesteld, dan moeten zij door beide partijen nauwgezet worden nageleefd.

Hoofdstuk V - Van de wapenstilstand[bewerken]

Artikel 36

De wapenstilstand schorst de krijgsverrichtingen door eene wederkeerige overeenkomst tusschen de oorlogvoerende partijen. Indien de duur van den wapenstilstand niet bepaald is, kunnen de oorlogsvoerende partijen ten allen tijde de krijgsverrichtingen hervatten, mits de vijand, overeenkomstig de bepalingen van den wapenstilstand, binnen den afgesproken tijd vooruit gewaarschuwd zij.

Artikel 37

De wapenstilstand kan algemeen of plaatselijk zijn. De eerste schorst de krijgsverrichtingen der oorlogvoerende Staten overal; de tweede slechts tusschen bepaalde gedeelten der oorlogvoerende legers en binnen een bepaalden kring.

Artikel 38

De wapenstilstand moet officieel en tijdig aan de bevoegde autoriteiten en aan de troepen worden bekend gemaakt. De vijandelijkheden worden onmiddellijk na de bekendmaking of op het bepaalde tijdstip geschorst.

Artikel 39

Het hangt van de contracteerende partijen af om in de bepalingen van den wapenstilstand, het verkeer vast te stellen, dat op het oorlogstooneel zal mogen plaats hebben met de bevolkingen en tusschen hen onderling.

Artikel 40

Elke ernstige schennis van den wapenstilstand door eene der partijen geeft aan de andere het recht dien op te zeggen en zelfs, in een dringend geval, de vijandelijkheden onmiddellijk te hervatten.

Artikel 41

De schennis van de bepalingen van den wapenstilstand door particulieren, die uit eigen beweging handelen, geeft slechts recht om de bestraffing van de schuldigen, en, zoo daartoe aanleiding bestaat, schadevergoeding voor de geleden verliezen te vorderen.

Afdeeling III - Van het militair gezag op het grondgebied van den vijandelijken Staat[bewerken]

Artikel 42

Een grondgebied wordt als bezet beschouwd, wanneer het zich feitelijk bevindt onder het gezag van het vijandelijk leger.
De bezetting strekt zich slechts uit over die deelen van het grondgebied waar dit gezag gevestigd is en in staat is zich te doen gelden.

Artikel 43

Wanneer het gezag van de wettelijke overheid feitelijk is overgegaan in handen van dengene, die het gebied heeft bezet, zal deze alle maatregelen nemen, die in zijn vermogen staan, ten einde voor zooveel mogelijk de openbare orde en het openbaar leven te herstellen en te verzekeren en zulks, behoudens volstrekte verhindering, met eerbiediging van de in het land geldende wetten.

Artikel 44

Het is verboden de bevolking van een bezet gebied te dwingen deel te nemen aan de krijgsverrichtingen tegen haar eigen land.

Artikel 45

Het is verboden de bevolking van een bezet gebied te noodzaken trouw te zweren aan de vijandelijke mogendheid.

Artikel 46

De eer en de rechten van het gezin, het leven der personen en de bijzondere eigendom, alsmede de godsdienstige overtuigingen en de uitoefening van de eerediensten moeten worden geëerbiedigd.
De bijzondere eigendom kan niet worden verbeurd verklaard.

Artikel 47

Plundering is uitdrukkelijk verboden.

Artikel 48

Indien de bezetter in het bezet grondgebied de belastingen, rechten en tollen heft, ten bate van den Staat vastgesteld, int, zal hij dit, zooveel mogelijk, doen volgens de geldende regelen voor de grondslagen en de verdeeling en zal daaruit voor hem de verplichting voortvloeien om te voorzien in de kosten van het bestuur van het bezette gebied in dezelfde mate, als de wettelijke Regeering daartoe verplicht was.

Artikel 49

Indien, buiten en behalve de belastingen in het vorig artikel bedoeld, de bezetter in het bezette grondgebied andere heffingen in geld doet, zal dit slechts kunnen geschieden ter voorziening in de behoeften van het leger of van het bestuur van dat grondgebied.

Artikel 50

Geenerlei gemeenschappelijke straf, in geld of van anderen aard, zal mogen worden uitgevaardigd tegen de bevolkingen op grond van persoonlijke handelingen, waarvoor zij in haar geheel niet als hoofdelijk aansprakelijk zouden kunnen worden beschouwd.

Artikel 51

Geene heffing zal geschieden dan krachtens een schriftelijk bevel en onder verantwoordelijkheid van een bevelvoerenden generaal.
De heffing zal, voor zooveel mogelijk, geschieden naar de regels geldende voor de grondslagen en de verdeeling der bestaande belastingen.
Voor elke betaling zal een ontvangbewijs aan de belastingplichtigen worden uitgereikt.

Artikel 52

Requisitiën in natura en persoonlijke diensten zullen van de gemeenten of van de bewoners niet kunnen worden geëischt dan ter voorziening in de behoeften van het bezettingsleger. Zij moeten in verhouding staan tot de hulpmiddelen van het land en van dien aard zijn, dat zij voor de bevolkingen niet de verplichting medebrengen om aan de krijgsverrichtingen tegen haar vaderland deel te nemen.
Deze requisitiën en deze diensten zullen slechts met machtiging van den bevelhebber in de bezette plaats worden gevorderd.
De leveringen in natura zullen, voor zooveel mogelijk, dadelijk worden betaald; kan dat niet geschieden, dan zullen zij door ontvangbewijzen gestaafd worden.

Artikel 53

Het leger, dat een gebied bezet, zal slechts in bezit kunnen nemen het gereede geld, de fondsen en de invorderbare waarden, die aan den Staat toebehooren, de wapendepôts, vervoermiddelen, magazijnen en voorraden, en, in het algemeen, alle roerende eigendommen van den Staat, die van zoodanigen aard zijn, dat zij voor de krijgsverrichtingen kunnen dienen.
Het spoorwegmaterieel, de landtelegraphen en van de telephonen, de stoombooten en andere vaartuigen, behalve die, waarop het zeerecht van toepassing is, evenals de wapendepôts en in het algemeen elk soort van oorlogsmunitie, zelfs toebehoorende aan particuliere vereenigingen of personen, zijn eveneens middelen, die ten dienste van de krijgsverrichtingen kunnen strekken, maar zullen moeten worden teruggegeven en de vergoedingen zullen bij den vrede worden geregeld.

Artikel 54

Het spoorwegmaterieel herkomstig van neutrale Staten, hetzij dit aan die Staten of aan particuliere maatschappijen of personen toebehoort, zal aan dezen zoodra mogelijk worden teruggezonden.

Artikel 55

De Staat, die een gebied bezet heeft, zal zich slechts beschouwen als beheerder en vruchtgebruiker der openbare gebouwen, onroerende eigendommen, bosschen en landbouwondernemingen, welke aan den vijandelijken Staat behooren en zich in de bezette landstreek bevinden. Hij moet het grondkapitaal dier eigendommen in zijn geheel laten en die overeenkomstig de regelen van het vruchtgebruik beheeren.

Artikel 56

De eigendommen der gemeenten, die der inrichtingen gewijd aan openbare eerediensten, aan weldadigheid en aan het onderwijs, aan de kunsten en wetenschappen, ook al behooren deze aan den Staat, zullen worden behandeld op gelijken voet als het particuliere eigendom.
Alle inbeslagneming, opzettelijke vernieling of beschadiging van dergelijke inrichtingen, van geschiedkundige monumenten, van werken van kunst of wetenschap is verboden en moet worden vervolgd.

Afdeeling IV - Van de bij neutralen geïnterneerde oorlogvoerenden en verpleegde gewonden[bewerken]

Artikel 57

De neutrale Staat, die op zijn grondgebied troepen toelaat, tot de oorlogvoerende legers behoorende, zal deze, voor zooveel mogelijk, ver van het oorlogstoneel verwijderd interneeren.
Hij zal hen kunnen doen bewaken in kampen en zelfs hen opsluiten in vestingen of in daarvoor geschikte plaatsen.
Hij zal beslissen of de officieren vrijgelaten kunnen worden, mits zich op hun eerewoord verbindende het neutrale grondgebied niet zonder verlof te verlaten.

Artikel 58

Bij gebreke aan eene bijzondere overeenkomst, zal de neutrale Staat aan de geïnterneerden de levensmiddelen, de kleeding en de hulp verschaffen door de menschlievendheid geboden.
Bij den vrede zullen de door de interneering veroorzaakte kosten worden vergoed.

Artikel 59

De neutrale Staat zal den doortocht van gewonden en zieken, tot de oorlogvoerende legers behoorende, over zijn gebied toestaan onder voorbehoud, dat de treinen, die hen zullen aanbrengen, noch oorlogspersoneel noch oorlogsmaterieel zullen vervoeren. In zoodanig geval is de neutrale Staat verplicht de ter zake vereischte maatregelen van veiligheid en toezicht te nemen.
De gewonden en zieken, die onder deze voorwaarden door eenen der oorlogvoerenden op het neutrale grondgebied zijn gebracht en tot de tegenpartij mochten behooren, zullen door den neutralen Staat moeten onder bewaring worden gesteld, zóó dat zij niet opnieuw kunnen deelnemen aan de krijgsverrichtingen. Deze zal dezelfde plichten hebben ten aanzien van de gewonden of zieken van het andere leger, die hem toevertrouwd mochten zijn.

Artikel 60

Het Verdrag van Genève is toepasselijk op de zieken en gewonden, die op neutraal grondgebied zijn geïnterneerd.