Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Cultuurgoederenverdrag

Type Multilateraal
Ondertekening 14 mei 1954 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding 07 augustus 1956
Brontaal Engels, Frans, Russisch en Spaans
Vertaling Nederlandse
Leden 126
Bron Wetten.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Cultuurgoederenverdrag op Wikipedia

Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict[bewerken]

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Vaststellende, dat culturele goederen ernstige schade hebben geleden gedurende de jongste gewapende conflicten en dat zij als gevolg van de ontwikkeling van de techniek der oorlogvoering, in steeds ernstiger mate worden bedreigd met vernietiging;

Ervan overtuigd, dat schade, toegebracht aan culturele goederen, ongeacht aan welk volk zij toebehoren, schade betekent aan het culturele erfdeel van de gehele mensheid, aangezien ieder volk zijn bijdrage levert aan de wereldcultuur;

Overwegende, dat de instandhouding van het culturele erfdeel van groot belang is voor alle volkeren der wereld en dat het van belang is, dit erfdeel internationaal te beschermen;

Geleid door de beginselen betreffende de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, vastgelegd in de Verdragen van 's-Gravenhage van 1899 en van 1907 en in het Pact van Washington van 15 April 1935;

Overwegende, dat deze bescherming alleen doeltreffend kan zijn indien zowel nationaal als internationaal maatregelen worden genomen om deze bescherming in vredestijd te organiseren;

Vastbesloten alle mogelijke maatregelen te nemen ter bescherming van culturele goederen;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen betreffende de bescherming[bewerken]

Artikel 1. Definitie van culturele goederen

Voor de toepassing van dit Verdrag worden beschouwd als culturele goederen, welke ook hun oorsprong of wie ook hun eigenaar is:

  1. roerende of onroerende goederen, welke van groot belang zijn voor het cultureel erfdeel van ieder volk, zoals monumenten van bouwkunst, kunst of geschiedenis, hetzij van godsdienstige, hetzij van wereldlijke aard; terreinen van oudheidkundig belang; groepen gebouwen, welke, als een geheel, uit een oogpunt van geschiedenis of kunst van belang zijn; kunstwerken; handschriften, boeken en andere voorwerpen, welke uit een oogpunt van kunst, geschiedenis of oudheidkunde van belang zijn, en voorts wetenschappelijke verzamelingen en belangrijke verzamelingen boeken, archiefbescheiden of afbeeldingen van de hierboven omschreven goederen;
  2. gebouwen, waarvan de voornaamste en daadwerkelijke bestemming is de in alinea a) bedoelde roerende culturele goederen te bewaren of ten toon te stellen, zoals musea, grote bibliotheken en archiefbewaarplaatsen, en voorts de schuilplaatsen, bestemd om in geval van een gewapend conflict bescherming te bieden aan de in alinea a) bedoelde roerende culturele goederen;
  3. centra, welke een groot aantal culturele goederen, als bedoeld in de alinea's a) en b), bevatten, welke zullen worden aangeduid met „monumenten-centra”.

Artikel 2. Bescherming van culturele goederen

Voor de toepassing van dit Verdrag omvat de bescherming van culturele goederen zowel de veiligstelling als de eerbiediging van deze goederen.

Artikel 3. Veiligstelling van culturele goederen

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, door het reeds in vredestijd nemen van alle daartoe door haar geëigend geachte maatregelen, de veiligstelling van culturele goederen, welke zich op haar eigen grondgebied bevinden, tegen de voorzienbare gevolgen van een gewapend conflict voor te bereiden.

Artikel 4. Eerbiediging van culturele goederen

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, zowel de culturele goederen welke zich op haar eigen grondgebied bevinden als die, welke zich bevinden op het grondgebied van andere Hoge Verdragsluitende Partijen, te eerbiedigen door zich te onthouden van ieder gebruik van deze goederen en van hun onmiddellijke omgeving of van de middelen voor hun bescherming, voor doeleinden, welke deze goederen aan vernietiging of beschadiging zouden kunnen blootstellen in geval van een gewapend conflict, en door zich te onthouden van iedere tegen zulke goederen gerichte vijandelijke daad.
  2. Van de verplichtingen, omschreven in lid 1 van dit artikel, kan alleen worden afgeweken, indien een militaire noodzaak een dergelijke afwijking gebiedend vereist.
  3. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich bovendien, iedere vorm van diefstal, plundering of ontvreemding van, en iedere daad van vandalisme gericht tegen, culturele goederen te verbieden, te voorkomen en er zo nodig een eind aan te maken. Zij zullen zich ervan onthouden roerende culturele goederen, welke zich bevinden op het grondgebied van een andere Hoge Verdragsluitende Partij, te vorderen.
  4. Zij zullen zich onthouden van iedere tegen culturele goederen gerichte represaillemaatregel.
  5. Een Hoge Verdragsluitende Partij kan zich ten aanzien van een andere Hoge Verdragsluitende Partij niet onttrekken aan de krachtens dit artikel op haar rustende verplichtingen op grond van de overweging, dat deze laatste de in artikel 3 bedoelde maatregelen tot veiligstelling niet heeft toegepast.

Artikel 5. Bezetting

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen, die het grondgebied van een andere Hoge Verdragsluitende Partij geheel of gedeeltelijk bezet houden, moeten zoveel mogelijk steun verlenen aan de bevoegde nationale autoriteiten van het bezette gebied met betrekking tot de veiligstelling en instandhouding van zijn culturele goederen.
  2. Indien het noodzakelijk mocht blijken maatregelen te nemen voor de instandhouding van in bezet gebied gelegen culturele goederen, welke als gevolg van militaire operaties zijn beschadigd, en indien de bevoegde nationale autoriteiten niet in staat mochten zijn, dergelijke maatregelen te nemen, moet de bezettende mogendheid zoveel mogelijk, en in nauwe samenwerking met die autoriteiten, die maatregelen tot instandhouding nemen welke het meest noodzakelijk zijn.
  3. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij, welker regering door de leden van een verzetsorganisatie als hun rechtmatige regering wordt beschouwd, moet, indien dit mogelijk is, de aandacht van deze leden vestigen op de verplichting die bepalingen van het Verdrag, welke betrekking hebben op de eerbiediging van culturele goederen, in acht te nemen.

Artikel 6. Aanduiding van culturele goederen

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 mogen culturele goederen worden voorzien van een kenteken teneinde de herkenning ervan te vergemakkelijken.

Artikel 7. Maatregelen van militaire aard

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, reeds in vredestijd in de bij haar strijdkrachten in gebruik zijnde reglementen of instructies, bepalingen op te nemen, welke ten doel hebben de naleving van dit Verdrag te verzekeren, en bij de leden van haar strijdkrachten een geest van eerbied aan te kweken voor de cultuur en de culturele goederen van alle volkeren.
  2. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich reeds in vredestijd bij haar strijdkrachten diensten in te stellen of deskundig personeel aan te stellen of een en ander voor te bereiden, welke diensten of welk personeel tot taak zullen hebben te zorgen voor de eerbiediging van culturele goederen en samen te werken met de burgerlijke autoriteiten, welke belast zijn met de veiligstelling van deze goederen.

HOOFDSTUK II. Bijzondere bescherming[bewerken]

Artikel 8. Verlenen van bijzondere bescherming

  1. Onder bijzondere bescherming kunnen worden gesteld een beperkt aantal schuilplaatsen, bestemd om bescherming te bieden aan roerende culturele goederen in geval van een gewapend conflict, monumenten-centra en andere onroerende culturele goederen van zeer grote betekenis, op voorwaarde dat zij:
    a. zich bevinden op voldoende afstand van een groot industrieel centrum of van enig belangrijk militair object, dat een kwetsbaar punt vormt, zoals bijvoorbeeld een vliegveld, een radiozendstation, een inrichting werkzaam voor de nationale verdediging, een haven of een spoorwegstation van zeker belang of een belangrijke verkeers- of waterweg of spoorlijn;
    b. niet worden gebruikt voor militaire doeleinden.
  2. Een schuilplaats voor roerende culturele goederen kan eveneens onder bijzondere bescherming worden geplaatst, ongeacht de ligging, als zij zodanig is gebouwd, dat zij naar alle waarschijnlijkheid niet door bommen kan worden beschadigd.
  3. Een monumenten-centrum wordt geacht voor militaire doeleinden te worden gebruikt als van dit centrum gebruik wordt gemaakt voor de verplaatsing van militair personeel of materieel, zelfs ingeval van doorvoer. Dit is eveneens het geval wanneer in dat centrum werkzaamheden worden verricht, welke rechtstreeks verband houden met militaire operaties, de legering van militair personeel of de vervaardiging van oorlogsmaterieel.
  4. Het bewaken van in lid 1 van dit artikel bedoelde culturele goederen door gewapende bewakers, die daartoe speciaal zijn gemachtigd, of de aanwezigheid in de nabijheid van dergelijke culturele goederen van politietroepen, welke normaal belast zijn met het handhaven van de openbare orde, wordt niet beschouwd als gebruik voor militaire doeleinden.
  5. Indien een van de in lid 1 van dit artikel bedoelde culturele goederen is gelegen in de nabijheid van een belangrijk militair object als omschreven in dat lid, kan het niettemin onder bijzondere bescherming worden geplaatst, indien de Hoge Verdragsluitende Partij, welke het verzoek doet, zich verbindt in geval van een gewapend conflict geen gebruik van het betrokken militair object te maken en in het bijzonder, als het een haven, een station of een vliegveld betreft, het verkeer zodanig te verleggen dat van die haven en van dat station of vliegveld geen gebruik wordt gemaakt. In dat geval moet deze verlegging reeds in vredestijd worden voorbereid.
  6. De bijzondere bescherming wordt aan culturele goederen verleend door hun inschrijving in het „Internationale register van culturele goederen onder bijzondere bescherming”. Deze inschrijving kan slechts geschieden overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en onder de voorwaarden neergelegd in het Reglement van Uitvoering.

Artikel 9. Onschendbaarheid van culturele goederen onder bijzondere bescherming

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich de onschendbaarheid van culturele goederen onder bijzondere bescherming te verzekeren door zich, van het ogenblik van inschrijving in het Internationale Register af, te onthouden van iedere tegen zodanige goederen gerichte vijandelijke daad en, behalve in de gevallen voorzien in artikel 8, lid 5, van elk gebruik van die goederen of van hun omgeving voor militaire doeleinden.

Artikel 10. Aanduiding en contrôle

Gedurende een gewapend conflict moeten de culturele goederen onder bijzondere bescherming voorzien zijn van het in artikel 16 omschreven kenteken en open staan voor een internationale contrôle, zoals voorzien in het Reglement van Uitvoering.

Artikel 11. Opheffing van de onschendbaarheid

  1. Indien een van de Hoge Verdragsluitende Partijen met betrekking tot een cultureel goed onder bijzondere bescherming een van de op grond van artikel 9 op haar rustende verplichtingen schendt, is de Wederpartij, zolang deze schending voortduurt, ontheven van haar verplichting de onschendbaarheid van het betrokken goed te verzekeren. Nochtans zal laatstbedoelde Partij, wanneer zulks enigszins mogelijk is, te voren eisen, dat binnen een redelijke termijn een einde wordt gemaakt aan de schending.
  2. Behalve in het geval, voorzien in lid 1 van dit artikel, kan de onschendbaarheid van een cultureel goed onder bijzondere bescherming slechts worden opgeheven in uitzonderlijke gevallen van onvermijdelijke militaire noodzaak en slechts zolang deze noodzaak voortduurt. Deze noodzaak kan slechts worden vastgesteld door de bevelhebber van een formatie gelijk aan of groter dan een divisie. In alle gevallen, waarin de omstandigheden dit toelaten, zal de Wederpartij tijdig van te voren in kennis worden gesteld van de beslissing, dat de onschendbaarheid wordt opgeheven.
  3. De Partij, die de onschendbaarheid opheft, dient daarvan zo spoedig mogelijk, schriftelijk, en met opgave van redenen, kennis te geven aan de Commissaris-Generaal voor culturele goederen bedoeld in het Reglement van Uitvoering.

HOOFDSTUK III. Vervoer van culturele goederen[bewerken]

Artikel 12. Vervoer onder bijzondere bescherming

  1. Vervoer uitsluitend beperkt tot het overbrengen van culturele goederen, hetzij binnen een grondgebied, hetzij naar een ander grondgebied, kan, op verzoek van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij, geschieden onder bijzondere bescherming volgens de voorwaarden omschreven in het Reglement van Uitvoering.
  2. Vervoer onder bijzondere bescherming vindt plaats onder het internationaal toezicht voorzien in het Reglement van Uitvoering. Het transport zal voorzien zijn van het in artikel 16 omschreven kenteken.
  3. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen zich onthouden van iedere vijandelijke daad gericht tegen een transport onder bijzondere bescherming.

Artikel 13. Vervoer in spoedeisende gevallen

  1. Indien een Hoge Verdragsluitende Partij van oordeel is, dat de veiligheid van bepaalde culturele goederen vereist, dat zij naar elders worden overgebracht en dat de noodzaak hiervan zo dringend is, dat de in artikel 12 voorgeschreven procedure niet kan worden gevolgd, in het bijzonder in het begin van een gewapend conflict, mag het transport worden voorzien van het in artikel 16 omschreven kenteken, tenzij een aanvraag tot het verlenen van onschendbaarheid bedoeld in artikel 12 is ingediend en deze aanvraag is geweigerd. Voor zover mogelijk moet van het transport kennis worden gegeven aan de Wederpartijen. Niettemin mag een transport van culturele goederen naar het grondgebied van een ander land niet voorzien zijn van het kenteken, tenzij de onschendbaarheid aan dit transport uitdrukkelijk is verleend.
  2. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen zoveel mogelijk de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen treffen teneinde de in lid 1 van dit artikel bedoelde transporten, welke voorzien zijn van het kenteken, te beveiligen tegen daartegen gerichte vijandelijke daden.

Artikel 14. Onschendbaarheid met betrekking tot inbeslagneming, buitmaking en verbeurdverklaring

  1. Onschendbaarheid met betrekking tot inbeslagneming, buitmaking en verbeurdverklaring wordt verleend aan:
    a. culturele goederen, die de bescherming genieten bedoeld in artikel 12 of die bedoeld in artikel 13;
    b. vervoermiddelen uitsluitend bestemd voor het overbrengen van die goederen.
  2. Het bepaalde in dit artikel beperkt op geen enkele wijze het recht van inspectie en visitatie.

HOOFDSTUK IV. Het personeel[bewerken]

Artikel 15. Personeel

Personeel belast met de bescherming van culturele goederen moet, voorzover dit verenigbaar is met de eisen welke de veiligheid stelt, worden geëerbiedigd in het belang van die goederen en moet, indien het in handen van de Wederpartij valt, zijn functie kunnen blijven uitoefenen, in alle gevallen, waarin de culturele goederen, waarvoor het verantwoordelijk is, eveneens in handen van de Wederpartij zijn gevallen.

HOOFDSTUK V. Het kenteken[bewerken]

Artikel 16. Kenteken van het Verdrag

  1. Het kenteken van het Verdrag bestaat uit een schild, puntig aan de onderzijde, schuin gevierendeeld in koningsblauw en wit (een schild gevormd door een koningsblauw vierkant, waarvan een van de hoeken de punt van het schild vormt en door een koningsblauwe driehoek boven het vierkant, zodanig dat aan beide zijden een witte driehoek overblijft).
  2. Het kenteken wordt gebruikt in enkelvoud of driemaal herhaald in driehoekige vorm (één schild aan de onderzijde) overeenkomstig de bepalingen van artikel 17.

Artikel 17. Gebruik van het kenteken

  1. Het kenteken, driemaal herhaald, mag slechts worden gebruikt voor:
    a. onroerende culturele goederen onder bijzondere bescherming;
    b. het vervoer van culturele goederen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12 en 13;
    c. noodschuilplaatsen overeenkomstig de bepalingen van het Reglement van Uitvoering.
  2. Het kenteken mag enkelvoudig slechts worden gebruikt voor:
    a. culturele goederen, die niet onder bijzondere bescherming zijn geplaatst;
    b. personen belast met het toezicht overeenkomstig het Reglement van Uitvoering;
    c. het personeel belast met de bescherming van culturele goederen;
    d. de identiteitskaarten bedoeld in het Reglement van Uitvoering.
  3. Tijdens een gewapend conflict is het verboden het kenteken te gebruiken in andere gevallen dan die, vermeld in de voorgaande leden van dit artikel, en is het eveneens verboden om, voor welk doel ook, een teken te gebruiken dat op het kenteken lijkt.
  4. Het kenteken mag niet worden geplaatst op een onroerend cultureel goed, tenzij tezelfder tijd een machtiging is aangebracht, behoorlijk gedateerd en ondertekend door de bevoegde autoriteit van de Hoge Verdragsluitende Partij.

HOOFDSTUK VI. Werkingssfeer van het Verdrag[bewerken]

Artikel 18. Toepassing van het Verdrag

  1. Behalve voor wat betreft de bepalingen, die reeds in vredestijd van kracht zijn, zal dit Verdrag van toepassing zijn in geval van een verklaarde oorlog of enig ander gewapend conflict, dat mocht ontstaan tussen twee of meer van de Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de staat van oorlog door een of meer dezer Partijen niet wordt erkend.
  2. Het Verdrag zal eveneens van toepassing zijn in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs wanneer die bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.
  3. Indien een van de bij het conflict betrokken mogendheden geen Partij is bij dit Verdrag, zullen de mogendheden, die wel Partij zijn bij dit Verdrag, er nochtans door gebonden blijven voor wat betreft haar onderlinge betrekkingen. Zij zullen bovendien door dit Verdrag gebonden zijn ten aanzien van de bovenbedoelde mogendheid, indien deze heeft verklaard, de bepalingen van dit Verdrag te aanvaarden, en zolang deze die bepalingen toepast.

Artikel 19. Conflicten van niet-internationale aard

  1. In geval van een gewapend conflict, dat niet van internationale aard is en dat ontstaat op het grondgebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, zal elk der partijen bij het conflict gehouden zijn op zijn minst de bepalingen van dit Verdrag, welke betrekking hebben op de eerbiediging van culturele goederen, toe te passen.
  2. De partijen bij het conflict moeten trachten door middel van bijzondere overeenkomsten alle andere of een deel van de andere bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen worden.
  3. De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur kan haar diensten aanbieden aan de partijen bij het conflict.
  4. De toepassing van voorgaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de rechtspositie van de partijen bij het conflict.

HOOFDSTUK VII. Uitvoering van het Verdrag[bewerken]

Artikel 20. Reglement van Uitvoering

De wijze van uitvoering van dit Verdrag is vastgelegd in het Reglement van Uitvoering, dat er een integrerend deel van uitmaakt.

Artikel 21. Beschermende mogendheden

Dit Verdrag en het Reglement van Uitvoering zullen worden toegepast met de medewerking van de beschermende mogendheden, die belast zijn met de behartiging van de belangen der partijen bij het conflict.

Artikel 22. Verzoeningsprocedure

  1. De beschermende mogendheden zullen haar goede diensten verlenen in alle gevallen, waarin zij dit wenselijk achten in het belang van culturele goederen, in het bijzonder wanneer er verschil van mening is tussen de partijen bij het conflict met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag of het Reglement van Uitvoering.
  2. Te dien einde kan elk der beschermende mogendheden op uitnodiging van een Partij, van de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, of uit eigen beweging aan de partijen bij het conflict een bijeenkomst van haar vertegenwoordigers voorstellen en in het bijzonder van de autoriteiten belast met de bescherming van culturele goederen, zo nodig op daartoe geschikt neutraal grondgebied. De partijen bij het conflict zijn gehouden, gevolg te geven aan de haar gedane voorstellen tot het houden van een bijeenkomst. De beschermende mogendheden zullen aan de partijen bij het conflict een voorstel ter goedkeuring voorleggen betreffende een persoon, behorende tot een neutrale mogendheid, of een persoon voorgesteld door de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, die uitgenodigd zal worden aan deze bijeenkomst deel te nemen in de hoedanigheid van voorzitter.

Artikel 23. Medewerking van de U.N.E.S.C.O.

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen een beroep doen op de technische medewerking van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur met betrekking tot het organiseren van de bescherming van haar culturele goederen of met betrekking tot ieder ander probleem, voortvloeiende uit de toepassing van dit Verdrag en van het Reglement van Uitvoering. De Organisatie zal haar medewerking verlenen binnen de grenzen van haar programma en van haar mogelijkheden.
  2. De Organisatie is bevoegd uit eigen beweging voorstellen op dit gebied te doen aan de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Artikel 24. Bijzondere overeenkomsten

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen bijzondere overeenkomsten sluiten betreffende alle zaken, waaromtrent het haar wenselijk voorkomt afzonderlijke voorzieningen te treffen.
  2. Er mag geen bijzondere overeenkomst worden gesloten, waarbij de door deze Overeenkomst aan culturele goederen en aan het personeel belast met hun bescherming toegekende bescherming wordt verminderd.

Artikel 25. Verspreiding van de tekst van het Verdrag

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, zowel in vredestijd als tijdens een gewapend conflict, in haar onderscheidene landen een zo groot mogelijke bekendheid te geven aan de tekst van dit Verdrag en aan het Reglement van Uitvoering. Zij verbinden zich in het bijzonder de studie ervan op te nemen in haar programma's van militaire en, indien mogelijk, burgerlijke opleiding, zodanig dat de beginselen ervan ter kennis worden gebracht van de gehele bevolking, in het bijzonder van de strijdkrachten en van het personeel belast met de bescherming van culturele goederen.

Artikel 26. Vertalingen en rapporten

  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen elkander door bemiddeling van de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur de officiële vertalingen van dit Verdrag en van het Reglement van Uitvoering doen toekomen.
  2. Bovendien zullen zij ten minste iedere vier jaar aan de Directeur-Generaal een rapport doen toekomen, dat alle inlichtingen bevat, welke zij geschikt achten, betreffende de maatregelen, die door haar onderscheidene administraties zijn genomen of worden voorbereid of overwogen ter uitvoering van dit Verdrag en van het Reglement van Uitvoering.

Artikel 27. Vergaderingen

  1. De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur kan met toestemming van de Uitvoerende Raad vergaderingen van vertegenwoordigers van de Hoge Verdragsluitende Partijen bijeenroepen. Hij is verplicht dit te doen, indien ten minste een vijfde van de Hoge Verdragsluitende Partijen dit verzoekt.
  2. Onverminderd alle andere functies, die aan de vergadering zijn opgedragen door dit Verdrag of door het Reglement van Uitvoering, heeft zij tot taak de problemen betrekking hebbende op de toepassing van het Verdrag en het Reglement van Uitvoering te bestuderen en daaromtrent aanbevelingen te doen.
  3. Indien de meerderheid van de Hoge Verdragsluitende Partijen is vertegenwoordigd, kan de vergadering bovendien overgaan tot een herziening van het Verdrag en van het Reglement van Uitvoering, overeenkomstig de bepalingen van artikel 39.

Artikel 28. Sancties

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, binnen het kader van haar strafrechtspleging, alle noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde te bereiken, dat de personen, onverschillig hun nationaliteit, die dit Verdrag schenden of opdracht geven het te schenden, zullen worden vervolgd en strafrechtelijk of disciplinair gestraft

Slotbepalingen[bewerken]

Artikel 29. Talen

  1. Dit Verdrag is opgesteld in het Engels, Frans, Russisch en Spaans, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek.
  2. De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur zal vertalingen doen vervaardigen in de andere officiële talen van haar Algemene Conferentie.

Artikel 30. Ondertekening

Dit Verdrag zal de datum dragen van 14 Mei 1954 en zal tot 31 December 1954 ter ondertekening opengesteld blijven voor alle Staten, die uitgenodigd zijn tot de Conferentie, welke van 21 April 1954 tot 14 Mei 1954 te 's-Gravenhage is gehouden.

Artikel 31. Bekrachtiging

  1. Dit Verdrag zal worden bekrachtigd door de ondertekenende Staten overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke procedures.
  2. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel 32. Toetreding

Van de dag van zijn inwerkingtreding af zal dit Verdrag ter toetreding opengesteld blijven zowel voor alle in Artikel 30 bedoelde Staten, die het niet ondertekend hebben, als voor iedere andere Staat, die tot toetreding wordt uitgenodigd door de Uitvoerende Raad van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Toetreding vindt plaats door nederlegging van een akte van toetreding bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel 33. Inwerkingtreding

  1. Dit Verdrag treedt in werking drie maanden nadat vijf akten van bekrachtiging zijn nedergelegd.
  2. Daarna treedt dit Verdrag ten aanzien van iedere Hoge Verdragsluitende Partij in werking, drie maanden na de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding.
  3. De in de artikelen 18 en 19 bedoelde omstandigheden zullen de door de partijen bij het conflict voor of na het begin van de vijandelijkheden of van de bezetting nedergelegde akten van bekrachtiging of toetreding onmiddellijk van kracht doen worden. In die gevallen zal de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur langs de snelste weg de mededelingen doen bedoeld in artikel 38.

Artikel 34. Toepassing

  1. Iedere Staat, die Partij is bij dit Verdrag op de dag van zijn inwerkingtreding, neemt alle maatregelen, welke nodig zijn voor het daadwerkelijk toepassen van het Verdrag binnen een tijdsverloop van zes maanden na die inwerkingtreding.
  2. Dit tijdsverloop bedraagt zes maanden, te rekenen van de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding, voor iedere Staat, die zijn akte van bekrachtiging of van toetreding nederlegt na de dag van inwerkingtreding van het Verdrag.

Artikel 35. Territoriale uitbreiding van de werkingssfeer van het Verdrag

Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan ten tijde van de bekrachtiging of de toetreding, of op ieder later tijdstip, door een mededeling gericht aan de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, verklaren, dat dit Verdrag mede van toepassing zal zijn op alle of sommige gebieden, voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is. Deze mededeling wordt van kracht drie maanden na de dag van ontvangst.

Artikel 36. Verhouding tot vroegere Verdragen

  1. In de betrekkingen tussen de Mogendheden, die gebonden zijn door de Verdragen van 's-Gravenhage nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land (IV) en nopens het bombardement door een scheepsmacht in tijd van oorlog (IX), hetzij die van 29 Juli 1899 of die van 18 October 1907, en die Partij zijn bij het onderhavige Verdrag, zal dit laatstgenoemde Verdrag het bovenvermelde Verdrag (IX) en het Reglement als bijlage gehecht aan het bovengenoemd Verdrag (IV), aanvullen en zal het teken bedoeld in artikel 5 van het bovenvermelde Verdrag (IX) worden vervangen door het kenteken, bedoeld in artikel 16 van dit Verdrag, voor de gevallen, waarin dit en zijn Reglement van Uitvoering het gebruiken van dit kenteken regelen.
  2. In de betrekkingen tussen de Mogendheden, die gebonden zijn door het Pact van Washington van 15 April 1935 voor de bescherming van inrichtingen van kunst of wetenschap en van monumenten van geschiedenis (Pact Roerich) en die Partij zijn bij dit Verdrag, zal dit laatste het Pact Roerich aanvullen en zal de onderscheidingsvlag, bedoeld in artikel III van het Pact, worden vervangen door het kenteken, bedoeld in artikel 16 van dit Verdrag voor de gevallen, waarin dit en zijn Reglement van Uitvoering het gebruiken van dit kenteken regelen.

Artikel 37. Opzegging

  1. Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid dit Verdrag op te zeggen voor zichzelf of voor ieder gebied, voor welks internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is.
  2. De opzegging wordt medegedeeld door middel van een schriftelijke akte, welke wordt nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.
  3. De opzegging wordt van kracht een jaar na de ontvangst van de akte van opzegging. Indien echter de opzeggende Partij op het ogenblik, dat deze termijn van een jaar afloopt, betrokken is bij een gewapend conflict, heeft de opzegging geen gevolg zolang de vijandelijkheden niet zijn beëindigd en in geen geval zolang de terugvoering van culturele goederen naar het gebied van herkomst niet is voltooid.

Artikel 38. Kennisgevingen

De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur zal zowel de Staten, bedoeld in de artikelen 30 en 32, als de Verenigde Naties, in kennis stellen van de nederlegging van alle akten van bekrachtiging, toetreding of aanvaarding, bedoeld in de artikelen 31, 32 en 39, evenals van de mededelingen en opzeggingen, bedoeld in de artikelen 35, 37 en 39.

Artikel 39. Herziening van het Verdrag en van zijn Reglement van Uitvoering

  1. Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen kan wijzigingen voorstellen in de tekst van dit Verdrag en zijn Reglement van Uitvoering. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt medegedeeld aan de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, die de tekst zal mededelen aan alle Hoge Verdragsluitende Partijen, aan wie hij tegelijkertijd zal vragen binnen vier maanden te doen weten:
    a. of zij wensen, dat een conferentie wordt bijeengeroepen om de voorgestelde wijziging te bestuderen;
    b. of zij van mening zijn, dat de voorgestelde wijziging moet worden aanvaard zonder dat een conferentie bijeen wordt geroepen;
    c. of zij van mening zijn, dat de voorgestelde wijziging moet worden verworpen zonder dat een conferentie bijeen wordt geroepen.
  2. De Directeur-Generaal zal de krachtens lid 1 van dit artikel ontvangen antwoorden aan alle Hoge Verdragsluitende Partijen doorgeven.
  3. Indien alle Hoge Verdragsluitende Partijen, die haar oordeel binnen de voorgeschreven termijn, overeenkomstig lid 1 (b) van dit artikel, ter kennis hebben gebracht van de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, de Directeur-Generaal mededelen dat zij van mening zijn, dat de wijziging moet worden aanvaard zonder dat een conferentie bijeen wordt geroepen, zal de Directeur-Generaal overeenkomstig artikel 38, mededeling doen van haar beslissing. De wijziging zal voor alle Hoge Verdragsluitende Partijen van kracht worden na een termijn van 90 dagen te rekenen van die kennisgeving.
  4. De Directeur-Generaal roept een conferentie van de Hoge Verdragsluitende Partijen bijeen ter bestudering van de voorgestelde wijziging, indien hem dit wordt verzocht door meer dan een derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
  5. De wijzigingen van dit Verdrag of van het Reglement van Uitvoering, waarvoor de in het vorige lid bedoelde procedure wordt gevolgd, worden pas van kracht nadat zij met eenparigheid van stemmen zijn aanvaard door de Hoge Verdragsluitende Partijen, welke ter conferentie zijn vertegenwoordigd en indien zij zijn aanvaard door ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
  6. De aanvaarding door de Hoge Verdragsluitende Partijen van de wijzigingen van het Verdrag of van het Reglement van Uitvoering, welke zijn aangenomen door de conferentie, bedoeld in de leden 4 en 5, geschiedt door de nederlegging van een officiële akte bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.
  7. Na het van kracht worden van wijzigingen van dit Verdrag of van het Reglement van Uitvoering kan alleen bekrachtiging van, of toetreding tot, de aldus gewijzigde tekst van het Verdrag of van het Reglement van Uitvoering plaats vinden.

Artikel 40. Registratie

Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties zal dit Verdrag worden geregistreerd bij het Secretariaat van de Verenigde Naties op verzoek van de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, de veertiende Mei 1954, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften zullen worden verstrekt aan alle Staten, bedoeld in de artikelen 30 en 32, alsmede aan de Verenigde Naties.

Reglement van uitvoering van het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict[bewerken]

HOOFDSTUK I. Contrôle[bewerken]

Artikel 1. Internationale lijst van personen

Bij de inwerkingtreding van het Verdrag zal de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur een internationale lijst opstellen van alle personen, aangewezen door de Hoge Verdragsluitende Partijen als geschikt voor het vervullen van de functie van Commissaris-Generaal voor culturele goederen. Op initiatief van de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur zal deze lijst periodiek worden herzien, op grond van de verzoeken ontvangen van de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Artikel 2. Organisatie van de contrôle

Zodra een Hoge Verdragsluitende Partij betrokken is bij een gewapend conflict, waarop artikel 18 van het Verdrag van toepassing is,

  1. benoemt zij een vertegenwoordiger voor de culturele goederen gelegen op haar grondgebied; indien zij een ander grondgebied bezet houdt, benoemt zij een speciale vertegenwoordiger voor de culturele goederen welke zich daar bevinden;
  2. benoemt de beschermende mogendheid, optredend voor elk der Partijen welke in een conflict is gewikkeld met deze Hoge Verdragsluitende Partij, afgevaardigden bij deze laatste, overeenkomstig het hierna volgend artikel 3;
  3. wordt overeenkomstig artikel 4 bij deze Hoge Verdragsluitende Partij een Commissaris-Generaal voor culturele goederen benoemd.

Artikel 3. Aanwijzing van de afgevaardigden der beschermende mogendheden

De beschermende mogendheid wijst haar afgevaardigden aan uit de leden van haar diplomatiek of consulair personeel of, met instemming van de Partij waarbij zij worden geaccrediteerd, uit andere personen.

Artikel 4. Aanwijzing van de Commissaris-Generaal

  1. De Commissaris-Generaal voor culturele goederen wordt gekozen uit de personen, die op de internationale lijst voorkomen, in onderlinge overeenstemming tussen de Partij waarbij hij wordt geaccrediteerd en de beschermende mogendheden der tegenover elkander staande Partijen.
  2. Indien de Partijen het niet eens kunnen worden gedurende de drie weken volgende op de opening van haar besprekingen op dit punt, verzoeken zij de President van het Internationaal Gerechtshof de Commissaris-Generaal aan te wijzen, die pas in functie zal treden, nadat de Partij, waarbij hij wordt geaccrediteerd, zijn benoeming heeft goedgekeurd.

Artikel 5. Bevoegdheden der afgevaardigden

De afgevaardigden der beschermende mogendheden nemen kennis van schendingen van het Verdrag, stellen, met toestemming van de Partij, waarbij zij zijn geaccrediteerd, een onderzoek in naar de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden, ondernemen ter plaatse stappen ten einde deze schendingen te doen ophouden en stellen zo nodig de Commissaris-Generaal in kennis van de schendingen. Zij houden hem op de hoogte van hun werkzaamheden.

Artikel 6. Bevoegdheden van de Commissaris-Generaal

  1. De Commissaris-Generaal voor culturele goederen behandelt, met de vertegenwoordiger van de partij, waarbij hij is geaccrediteerd en met de betrokken afgevaardigden, de vraagstukken welke bij hem aanhangig worden gemaakt betreffende de toepassing van het Verdrag.
  2. Hij is bevoegd, beslissingen te nemen en benoemingen te doen in de gevallen genoemd in dit Reglement.
  3. Met instemming van de Partij, waarbij hij is geaccrediteerd, heeft hij het recht opdracht te geven tot een onderzoek of dit onderzoek zelf te leiden.
  4. Bij de Partijen bij het conflict of bij haar beschermende mogendheden doet hij alle stappen, welke hij nuttig oordeelt voor de toepassing van het Verdrag.
  5. Hij stelt de nodige rapporten op omtrent de toepassing van het Verdrag en brengt ze ter kennis van de betrokken Partijen evenals van haar beschermende mogendheden. Hij zendt er afschriften van aan de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, die slechts van de technische gegevens, welke zij bevatten, gebruik zal mogen maken.
  6. Indien er geen beschermende mogendheid is, oefent de Commissaris-Generaal de functies uit, welke aan de beschermende mogendheid worden toegekend door de artikelen 21 en 22 van het Verdrag.

Artikel 7. Inspecteurs en deskundigen

  1. Telkens wanneer de Commissaris-Generaal voor culturele goederen, op verzoek of na raadpleging van de betrokken afgevaardigden, het nodig oordeelt, vraagt hij de instemming van de Partij, waarbij hij is geaccrediteerd, voor de benoeming van een persoon als inspecteur voor culturele goederen belast met een bepaalde opdracht. Een inspecteur is slechts verantwoordelijk tegenover de Commissaris-Generaal.
  2. De Commissaris-Generaal, de afgevaardigden en de inspecteurs kunnen een beroep doen op de diensten van deskundigen, wier aanwijzing eveneens de instemming zal moeten hebben van de Partij vermeld in het vorige lid.

Artikel 8. Vervulling van de contrôle-opdracht

De Commissarissen-Generaal voor culturele goederen, de afgevaardigden der beschermende mogendheden, de inspecteurs en de deskundigen mogen in geen geval de bevoegdheden van hun opdracht overschrijden. Zij moeten met name rekening houden met hetgeen nodig is in het belang van de veiligheid van de Hoge Verdragsluitende Partij, waarbij zij zijn geaccrediteerd en zij moeten in alle omstandigheden handelen overeenkomstig de vereisten van de militaire situatie, zoals deze hun door die Hoge Verdragsluitende Partij zal worden medegedeeld.

Artikel 9. Vervanging der beschermende mogendheden

Indien een Partij bij het conflict niet of niet langer het voordeel geniet van de bemoeiingen van een beschermende mogendheid, kan een neutrale Staat worden aangezocht de functies van beschermende mogendheid op zich te nemen met het oog op het aanwijzen van een Commissaris-Generaal voor culturele goederen volgens de procedure voorzien in bovenstaand artikel 4.

De aldus aangewezen Commissaris-Generaal kent eventueel aan inspecteurs de functie toe van afgevaardigde der beschermende mogendheden als bepaald in dit Reglement.

Artikel 10. Onkosten

De beloning en de onkosten van de Commissaris-Generaal voor culturele goederen, van de inspecteurs en van de deskundigen, komen ten laste van de Partij, waarbij zij zijn geaccrediteerd; omtrent de beloning en de onkosten van de afgevaardigden der beschermende mogendheden zal overeenstemming moeten worden bereikt tussen deze mogendheden en de Staten, wier belangen zij behartigen.

HOOFDSTUK II. Bijzondere bescherming[bewerken]

Artikel 11. Noodschuilplaatsen

  1. Indien tijdens een gewapend conflict een Hoge Verdragsluitende Partij door onvoorziene omstandigheden er toe gebracht wordt een noodschuilplaats in te richten en indien zij wenst dat deze schuilplaats onder bijzondere bescherming wordt geplaatst, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan de Commissaris-Generaal, die bij haar is geaccrediteerd.
  2. Indien de Commissaris-Generaal van mening is, dat de omstandigheden en de belangrijkheid der culturele goederen, welke in deze noodschuilplaats zijn ondergebracht, een zodanige maatregel rechtvaardigen, kan hij de Hoge Verdragsluitende Partij machtigen er het kenteken op aan te brengen omschreven in artikel 16 van het Verdrag. Hij deelt zijn beslissing onverwijld mede aan de betrokken afgevaardigden der beschermende mogendheden, waarvan ieder, binnen een termijn van 30 dagen, de onmiddellijke verwijdering van het kenteken kan gelasten.
  3. Zodra deze afgevaardigden hun accoordbevinding hebben medegedeeld of indien de termijn van 30 dagen is verstreken zonder dat een der betrokken afgevaardigden bezwaren heeft ingediend en indien de noodschuilplaats naar de mening van de Commissaris-Generaal voldoet aan de eisen gesteld in artikel 8 van het Verdrag, verzoekt de Commissaris-Generaal de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur de schuilplaats in te schrijven in het Register van culturele goederen onder bijzondere bescherming.

Artikel 12. Internationaal Register van culturele goederen onder bijzondere bescherming

  1. Er wordt een „Internationaal Register van culturele goederen onder bijzondere bescherming” aangelegd.
  2. De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur houdt dit Register bij. Hij verstrekt hiervan afschriften aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en aan de Hoge Verdragsluitende Partijen.
  3. Het Register is verdeeld in afdelingen; elk op naam van een Hoge Verdragsluitende Partij. Elke afdeling is verdeeld in drie paragrafen, onderscheidenlijk genaamd: schuilplaatsen, monumenten-centra, andere onroerende culturele goederen. De Directeur-Generaal stelt vast, welke bijzonderheden in elke afdeling moeten worden opgenomen.

Artikel 13. Verzoeken om inschrijving

  1. Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan tot de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur aanvragen richten tot inschrijving in het Register van bepaalde op haar grondgebied gelegen schuilplaatsen, monumenten-centra of andere onroerende culturele goederen. In die aanvragen moeten aanwijzingen worden gegeven betreffende de ligging dezer goederen en er moet in worden verklaard, dat deze goederen voldoen aan de eisen gesteld in artikel 8 van het Verdrag.
  2. In geval van bezetting heeft de bezettende mogendheid de bevoegdheid dergelijke aanvragen te doen.
  3. De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur zendt onverwijld een afschrift der aanvragen om inschrijving aan elk der Hoge Verdragsluitende Partijen.

Artikel 14. Bezwaren

  1. Elk der Hoge Verdragsluitende Partijen kan bezwaar maken tegen de inschrijving van een cultureel goed door middel van een brief gericht aan de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Deze brief moet door hem zijn ontvangen binnen een termijn van vier maanden te rekenen van de dag, waarop hij afschrift van het verzoek om inschrijving heeft verzonden.
  2. Een zodanig bezwaar moet met redenen zijn omkleed. De redenen kunnen alleen de volgende zijn:
    a. het goed is niet een cultureel goed;
    b. er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 van het Verdrag.
  3. De Directeur-Generaal zendt onverwijld een afschrift van het bezwaarschrift aan de Hoge Verdragsluitende Partijen. Eventueel wint hij het advies in van het Comité international pour les monuments, les sites d'art et d'histoire et les sites de fouilles archéologiques (Internationale Monumentencommissie) en, bovendien, als hij het nodig oordeelt, van elk ander bevoegd orgaan of elke andere bevoegde persoon.
  4. De Directeur-Generaal, of de Hoge Verdragsluitende Partij die om de inschrijving heeft verzocht, kan bij de Hoge Verdragsluitende Partijen, die bezwaar hebben gemaakt, alle nodige stappen doen, opdat dit bezwaar wordt ingetrokken.
  5. Indien een Hoge Verdragsluitende Partij, na in vredestijd de inschrijving in het Register van een cultureel goed te hebben aangevraagd, bij een gewapend conflict wordt betrokken voordat de inschrijving heeft plaatsgevonden, zal het betrokken culturele goed onmiddellijk, doch voorlopig, in het Register worden ingeschreven door de Directeur-Generaal, in afwachting van de bevestiging, intrekking of afwijzing van elk bezwaar dat eventueel is of wordt ingediend.
  6. Indien binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag, waarop hij het bezwaarschrift heeft ontvangen, de Directeur-Generaal van de Hoge Verdragsluitende Partij, die bezwaar heeft gemaakt, geen mededeling ontvangt meldende dat dit bezwaar is ingetrokken, kan de Hoge Verdragsluitende Partij, die een aanvraag tot inschrijving heeft ingediend, een scheidsrechterlijke uitspraak verzoeken in overeenstemming met de in het volgende lid vermelde procedure.
  7. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing moet gedaan worden ten hoogste een jaar na de datum waarop de Directeur-Generaal het bezwaarschrift heeft ontvangen. Elke Partij bij het geschil wijst een scheidsrechter aan. Indien het verzoek om inschrijving van de zijde van meer dan een Partij bezwaar ontmoet, wijzen de Hoge Verdragsluitende Partijen, die bezwaar hebben gemaakt, tezamen één scheidsrechter aan. De beide scheidsrechters kiezen, aan de hand van de internationale lijst bedoeld in artikel 1 van dit Reglement, een derde scheidsrechter, die als voorzitter zal optreden; indien de scheidsrechters niet tot overeenstemming kunnen komen ten aanzien van hun keuze, vragen zij de President van het Internationaal Gerechtshof, een derde scheidsrechter aan te wijzen, die niet noodzakelijkerwijs op de internationale lijst behoeft voor te komen. Het aldus gevormde scheidsgerecht stelt zijn eigen procedure vast; van zijn uitspraken is geen hoger beroep mogelijk.
  8. Elk der Hoge Verdragsluitende Partijen kan, wanneer zich een geschil voordoet waarbij zij partij is, verklaren, dat zij de scheidsrechterlijke procedure, welke voorzien is in het vorige lid, niet wenst toe te passen. In dat geval wordt het bezwaar tegen een verzoek om inschrijving door de Directeur-Generaal voorgelegd aan de Hoge Verdragsluitende Partijen. Het bezwaar wordt slechts bevestigd, indien de Hoge Verdragsluitende Partijen daartoe besluiten met een tweederde meerderheid der aan de stemming deelnemende Partijen. De stemming zal plaatsvinden door middel van correspondentie, tenzij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur het nodig oordeelt een vergadering bijeen te roepen krachtens de bevoegdheid, welke hem is verleend bij artikel 27 van het Verdrag. Indien de Directeur-Generaal besluit, de stemming bij correspondentie te houden, zal hij de Hoge Verdragsluitende Partijen verzoeken hem haar stem te doen toekomen onder verzegeld couvert binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag, waarop het verzoek daartoe tot hen zal zijn gericht.

Artikel 15. Inschrijving

  1. De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur laat elk cultureel goed, ten aanzien waarvan een verzoek tot inschrijving gedaan is, onder een volgnummer in het Register inschrijven, indien tegen dit verzoek, binnen de termijn voorzien in het eerste lid van artikel 14, geen bezwaar is gemaakt.
  2. Ingeval een bezwaar is ingediend, en onverminderd het vermelde in lid 5 van artikel 14, gaat de Directeur-Generaal slechts over tot inschrijving van het goed in het Register, indien het bezwaar is ingetrokken of indien het niet is bevestigd ingevolge de procedures, bedoeld in hetzij lid 7, hetzij lid 8 van artikel 14.
  3. In het geval, bedoeld in lid 3 van artikel 11, verricht de Directeur-Generaal de inschrijving op verzoek van de Commissaris-Generaal voor culturele goederen.
  4. De Directeur-Generaal zendt onverwijld aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, aan de Hoge Verdragsluitende Partijen en, indien de Partij die om de inschrijving heeft gevraagd zulks verzoekt, aan alle andere Staten, bedoeld in artikel 30 en 32 van het Verdrag, een gewaarmerkt afschrift van elke inschrijving in het Register. De inschrijving wordt van kracht dertig dagen na deze verzending.

Artikel 16. Doorhaling in het Register

  1. De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur laat de inschrijving van een cultureel goed in het Register doorhalen:
    a. op verzoek van de Hoge Verdragsluitende Partij, op welker grondgebied het culturele goed zich bevindt;
    b. indien de Hoge Verdragsluitende Partij, die om inschrijving had verzocht, het Verdrag heeft opgezegd en wanneer deze opzegging van kracht is geworden;
    c. in het speciale geval voorzien in lid 5 van artikel 14, wanneer een bezwaar is bevestigd op grond van de procedure bedoeld in hetzij lid 7, hetzij in lid 8 van artikel 14.
  2. De Directeur-Generaal zendt onverwijld aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en aan alle Staten, die afschrift van de inschrijving hebben ontvangen, een gewaarmerkt afschrift van de doorhaling van deze inschrijving in het Register. De doorhaling wordt van kracht 30 dagen na deze verzending.

HOOFDSTUK III. Vervoer van culturele goederen[bewerken]

Artikel 17. Procedure ter verkrijging van onschendbaarheid

  1. Het verzoek, bedoeld in lid 1 van artikel 12 van het Verdrag, wordt gericht tot de Commissaris-Generaal voor culturele goederen. Het moet de redenen vermelden die aan het verzoek ten grondslag liggen en het geschatte aantal en de belangrijkheid opgeven der te vervoeren culturele goederen, de plaats waar deze goederen zich thans bevinden, de plaats waarheen zij zouden moeten worden overgebracht, de te gebruiken middelen van vervoer, de te volgen weg, de datum waarop wordt voorgesteld het vervoer te doen plaatsvinden en alle andere inlichtingen welke van belang kunnen zijn.
  2. Indien de Commissaris-Generaal, na de adviezen te hebben ingewonnen welke hij nodig acht, van oordeel is dat dit vervoer gerechtvaardigd is, raadpleegt hij de betrokken afgevaardigden der beschermende mogendheden omtrent de maatregelen, welke zijn voorgesteld om het vervoer ten uitvoer te leggen. Na deze raadpleging doet hij mededeling van het vervoer aan de Partijen, die bij het conflict betrokken zijn en voegt aan deze mededeling alle inlichtingen toe, welke van nut kunnen zijn.
  3. De Commissaris-Generaal wijst een of meer inspecteurs aan, die nagaan of het transport uitsluitend de goederen omvat vermeld in het verzoek, of het vervoer plaats heeft op de goedgekeurde wijze, en of het transport voorzien is van het kenteken. De inspecteur of inspecteurs vergezellen het transport tot de plaats van bestemming.

Artikel 18. Vervoer naar het buitenland

Als de overbrenging onder bijzondere bescherming plaatsvindt naar het grondgebied van een ander land, is deze overbrenging niet alleen onderworpen aan artikel 12 van het Verdrag en aan artikel 17 van dit Reglement, maar ook aan de volgende bepalingen:

  1. Gedurende de tijd, dat culturele goederen op het grondgebied van een andere Staat verblijven, zal deze er de bewaarder van zijn. Aan het bewaren van deze goederen zal hij minstens evenveel zorg moeten besteden als aan zijn eigen culturele goederen van vergelijkbare belangrijkheid.
  2. De Staat, welke als bewaarder optreedt, geeft deze goederen slechts na beëindiging van het conflict terug; deze teruggave vindt plaats binnen een termijn van zes maanden nadat het verzoek om teruggave is gedaan.
  3. Gedurende de verschillende transporten en tijdens hun verblijf op het grondgebied van een andere Staat, zijn de culturele goederen beschermd tegen inbeslagneming en er mag niet over hen worden beschikt noch door de inbewaringgever noch door de inbewaringnemer. Wanneer echter de veiligheid der goederen zulks vereist, kan de inbewaringnemer met toestemming van de inbewaringgever de goederen doen overbrengen naar het grondgebied van een derde land, onder de voorwaarden omschreven in dit artikel.
  4. Het verzoek om bijzondere bescherming moet vermelden dat de Staat, naar wiens grondgebied het vervoer zal plaatsvinden, de bepalingen van dit artikel aanvaardt.

Artikel 19. Bezet gebied

Wanneer een Hoge Verdragsluitende Partij, welke het grondgebied van een andere Hoge Verdragsluitende Partij bezet houdt, culturele goederen vervoert naar een elders op dat grondgebied gelegen schuilplaats, zonder de procedure te kunnen volgen, voorzien in artikel 17 van het Reglement, wordt genoemd transport niet beschouwd als een ontvreemding in de zin van artikel 4 van het Verdrag, indien de Commissaris-Generaal voor culturele goederen schriftelijk verklaart, na het normale beschermingspersoneel te hebben geraadpleegd, dat de omstandigheden dit vervoer noodzakelijk maakten.

HOOFDSTUK IV. Kenteken[bewerken]

Artikel 20. Het aanbrengen van het kenteken

  1. Het bepalen van de plaats waar het kenteken moet worden aangebracht en van de graad van zichtbaarheid van het kenteken wordt overgelaten aan de beoordeling der bevoegde instanties van elke Hoge Verdragsluitende Partij. Het kenteken kan met name voorkomen op vlaggen of banden om de arm. Het kan op een voorwerp worden geschilderd of op elke andere passende wijze worden aangebracht.
  2. In geval van gewapend conflict, en in de gevallen voorzien bij de artikelen 12 en 13 van het Verdrag, moet het kenteken echter, onverminderd de mogelijkheid van een eventueel vollediger aanduiding, op zodanige wijze op de transportmiddelen worden aangebracht dat het overdag goed zichtbaar is, zowel uit de lucht als op de grond. Het kenteken moet op de grond zichtbaar zijn:
    a. op onderling gelijke afstanden voldoende om op duidelijke wijze de omtrek aan te geven van een monumenten-centrum onder bijzondere bescherming;
    b. bij de ingang van andere onroerende culturele goederen onder bijzondere bescherming.

Artikel 21. Identificatie van personen

  1. De personen bedoeld in artikel 17 van het Verdrag, lid 2 (b) en (c), mogen om de arm een band dragen voorzien van het kenteken, afgegeven en gestempeld door de bevoegde autoriteiten.
  2. Zij dragen een speciaal identiteitsbewijs bij zich dat voorzien is van het kenteken. Dit bewijs vermeldt ten minste naam en voornamen, geboortedatum, titel of rang en de functie van de houder. Het bewijs is voorzien van de foto van de houder en, bovendien, hetzij van zijn handtekening, hetzij van zijn vingerafdrukken, of van beide tegelijk. Het bewijs draagt het droogstempel der bevoegde autoriteiten.
  3. Elke Hoge Verdragsluitende Partij stelt haar eigen identiteitsbewijs vast, waarbij zij uitgaat van het model, dat bij wijze van voorbeeld bij dit Reglement is gevoegd. De Hoge Verdragsluitende Partijen doen elkander voorbeelden toekomen van het model, dat zij gebruiken.
    Identiteitsbewijzen worden zo mogelijk ten minste in twee exemplaren opgemaakt, waarvan er een bewaard wordt door de mogendheid welke deze heeft afgegeven.
  4. Het identiteitsbewijs van de hierboven genoemde personen mag, behoudens geldige reden, hun niet worden ontnomen, terwijl hun evenmin het recht mag worden ontnomen de band om de arm te dragen.

(voorbeeld identificatiebewijs)