Verdrag nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige Mogendheden en personen in geval van oorlog te land

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken

Vijfde Conventie van Den Haag 1907

Type Multilateraal
Ondertekening 18 oktober 1907 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding 26 januari 1910
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Leden 34
Bron Rodekruis.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Vijfde Conventie van Den Haag 1907 op Wikipedia

Verdrag nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige Mogendheden en personen in geval van oorlog te land[bewerken]

Den Haag, 18 oktober 1907

Ten einde de rechten en verplichtingen der onzijdige Mogendheden in geval van oorlog te land beter te omschrijven en den rechtstoestand der op onzijdig gebied uitgeweken oorlogvoerenden te regelen;

Wenschende eveneens de hoedanigheid van onzijdig persoon te omschrijven in afwachting dat het mogelijk zal zijn der rechtstoestand der onzijdige particulieren in hunne betrekkingen tot de oorlogvoerenden in haar geheel te regelen;

Hebben besloten met dat doel een Verdrag te sluiten en hebben dientengevolge tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(volgen de namen der gevolmachtigden);

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Hoofdstuk I – Van de rechten en verplichtingen der onzijdige Mogendheden[bewerken]

Artikel 1 Het grondgebied der onzijdige Mogendheden is onschendbaar.

Artikel 2 Het is den oorlogvoerenden verboden het grondgebied eener onzijdige Mogendheid door troepen of konvooien, munitie of krijgsvoorraden te doen doortrekken.

Artikel 3 Het is den oorlogvoerenden eveneens verboden:

  • a. op het grondgebied eener onzijdige Mogendheid een radiotelegrafisch station of eenig toestel, bestemd om als middel van gemeenschap met de oorlogvoerende strijdkrachten te land of ter zee te dienen, op te stellen;
  • b. eenige inrichting van dien aard te gebruiken, die door hen voor den oorlog op het grondgebied der onzijdige Mogendheid is opgesteld met een uitsluitend militair doel, en die niet geopend is geweest voor het publiek.

Artikel 4 Op het grondgebied eener onzijdige Mogendheid kunnen ten behoeve der oorlogvoerenden geene strijderskorpsen worden gevormd, noch aanwervingsbureaux geopend.

Artikel 5 Eene onzijdige Mogendheid mag op haar grondgebied geen der in de artikelen 2 tot 4 bedoelde daden dulden.
Zij is slechts verplicht met de onzijdigheid strijdige daden te straffen, indien die daden op haar eigen grondgebied zijn gepleegd.

Artikel 6 De verantwoordelijkheid eener onzijdige Mogendheid wordt niet gemoeid door het feit dat afzonderlijke personen die de grens overtrekken om bij een der oorlogvoerenden in dienst te treden.

Artikel 7 Eene onzijdige Mogendheid is niet gehouden te beletten de uit- of doorvoer voor rekening van een der oorlogvoerenden van wapenen, munitie en, in het algemeen, van al wat voor een leger of eene vloot dienstig kan zijn.

Artikel 8 Eene onzijdige Mogendheid is niet gehouden ten aanzien van de oorlogvoerenden het gebruik te verbieden of te beperken van de telegraaf- of telefoonkabels, alsmede van de toestellen voor telegrafie zonder draad, welke hetzij haar eigen eigendom, hetzij dat van vereenigingen of particulieren zijn.

Artikel 9 Alle beperkende of verbiedende maatregelen, door eene onzijdige Mogendheid ten aanzien der in de artikelen 7 en 8 bedoelde onderwerpen genomen, moeten door haar op geheel dezelfde wijze op de oorlogvoerenden worden toegepast.
De onzijdige Mogendheid waakt, dat dezelfde verplichting door de maatschappijen of particulieren, die eigenaar zijn van telegraaf- of telefoonkabels of van toestellen voor telegrafie zonder draad, wordt nagekomen.

Artikel 10 Als eene vijandige daad kan niet worden beschouwd het feit, dat eene onzijdige Mogendheid, zelfs met geweld, inbreuken op haar onzijdigheid tegengaat.

Hoofdstuk II – Van de bij de onzijdigen geïnterneerde oorlogvoerenden en verpleegde gewonden[bewerken]

Artikel 11 De onzijdige Mogendheid, die op haar grondgebied troepen toelaat, tot de oorlogvoerende legers behoorende, interneert deze, voor zooveel mogelijk, ver van het oorlogstoneel verwijderd.
Zij kan hen doen bewaken in kampen en zelfs hen opsluiten in vestingen of in daarvoor geschikte plaatsen.
Zij beslist of de officieren vrijgelaten kunnen worden, mits zich op hun eerewoord verbindende het onzijdige grondgebied niet zonder verlof te verlaten.

Artikel 12 Bij gebreke van eene bijzondere overeenkomst verschaft de onzijdige Mogendheid aan de geïnterneerden de levensmiddelen, de kleeding en de hulp door de menschlievenheid geboden.
Bij den vrede worden de door de interneering veroorzaakte kosten vergoed.

Artikel 13 De onzijdige Mogendheid, die ontvluchte krijgsgevangenen opneemt, laat hen vrij. Indien zij hun verblijf op haar grondgebied toelaat, kan zij hun een verblijfplaats aanwijzen.
Dezelfde bepaling is van toepassing op de krijgsgevangenen, die door troepen zijn medegevoerd, welke op het grondgebied der onzijdige Mogendheid hun toevlucht nemen.

Artikel 14 Eene onzijdige Mogendheid kan den doortocht van gewonden en zieken, tot de oorlogvoerende legers behoorende, over haar gebied toestaan onder voorbehoud, dat de treinen, die hen aanbrengen, noch oorlogspersoneel, noch oorlogsmaterieel vervoeren. In zoodanig geval is de onzijdige Mogendheid verplicht de ter zake vereischte maatregelen van veiligheid en toezicht te nemen.
De gewonden en zieken, die onder deze voorwaarden door eenen der oorlogvoerenden op het onzijdige grondgebied zijn aangebracht en tot de tegenpartij mochten behooren, moeten door de onzijdige Mogendheid onder bewaring worden gesteld, zoodat zij niet opnieuw kunnen deelnemen aan de krijgsverrichtingen. Deze Mogendheid heeft dezelfde plichten ten aanzien van de gewonden of de zieken van het andere leger, die haar toevertrouwd mochten zijn.

Artikel 15 Het Verdrag van Genève is toepasselijk op de zieken en gewonden, die op onzijdig grondgebied zijn geïnterneerd.

Hoofdstuk III – Van de onzijdige personen[bewerken]

Artikel 16 Als onzijdigen worden beschouwd de onderdanen van eenen Staat, die geen deel neemt aan den oorlog.

Artikel 17 Een onzijdige kan zich niet op zijne onzijdigheid beroepen:

  • a. indien hij vijandelijkheden tegen een oorlogvoerende pleegt;
  • b. indien hij daden pleegt in het belang van een oorlogvoerende, in het bijzonder indien hij vrijwillig dienst neemt in de gelederen der krijgsmacht van eene der Partijen.

In zoodanig geval wordt de onzijdige niet harder door den oorlogvoerende behandeld, tegenover wien hij de onzijdigheid niet in acht heeft genomen, dan, wegens hetzelfde feit, een onderdaan van den anderen oorlogvoerenden Staat zou kunnen worden behandeld.

Artikel 18 Als daden in het belang van een der oorlogvoerenden in den zin van artikel 17, letter b, worden niet beschouwd: a. de leveringen gedaan of de leeningen gegund aan een der oorlogvoerenden, mits degeen die levert of leent noch op het grondgebied van de andere Partij, noch op het door deze bezette grondgebied woont en de leverantiën niet van dat gebied afkomstig zijn; b. de diensten, in zaken van politie of burgerlijk bestuur bewezen.

Hoofdstuk IV – Van het spoorwegmaterieel[bewerken]

Artikel 19 Het spoorwegmaterieel, dat afkomstig is van het grondgebied van onzijdige Mogendheden, hetzij het aan die Mogendheden of aan particuliere maatschappijen of personen toebehoort, en dat als zoodanig te herkennen is, kan door een oorlogvoerende slechts in die gevallen en in die mate worden gerequisitionneerd en gebruikt, waarin eene gebiedende noodzakelijkheid het eischt. Het wordt zoodra mogelijk naar het land van herkomst teruggezonden.
De onzijdige Mogendheid kan eveneens, in geval van noodzaak, in eene behoorlijke mate het materieel dat van het grondgebied van de oorlogvoerende Mogendheid afkomstig is, terughouden en gebruiken.
Eene vergoeding wordt over en weer betaald naar verhouding van de gebruikte hoeveelheid materieel en den duur van dat gebruik.

Hoofdstuk V – Slotbepalingen[bewerken]

Artikel 20 De bepalingen van dit Verdrag zijn slechts toepasselijk tusschen de Verdragsluitende Mogendheden en alleen indien de oorlogvoerenden alle Partijen zijn bij het Verdrag.

Artikel 21 Dit Verdrag zal zoo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.
De akten van bekrachtiging zullen te 's-Gravenhage worden nedergelegd.
De eerste nederlegging van akten van bekrachtiging zal geconstateerd worden door eene procesverbaal, geteekend door de vertegenwoordigers der Mogendheden, die er aan deelnemen en door den Nederlandschen Minister van Buitenlandsche Zaken.
De latere nederleggingen van akten van bekrachtiging zullen plaats hebben door middel van eene geschreven kennisgeving, gericht aan de Nederlandsche Reegering en vergezeld van het instrument van bekrachtiging. Een voor eensluidend verklaarde afdruk van het proces-verbaal betrekkelijk de eerste nederlegging van akten van bekrachtiging, van de in het voorgaande lid vermelde kennisgevingen, alsmede van de instrumenten van bekrachtiging, zal door de zorgen der Nederlandsche Regeering en langs diplomatieken weg onmiddellijk worden overgemaakt aan de Mogendheden, uitgenoodigd tot de Tweede Vredesconferentie, alsmede aan de andere Mogendheden, die tot het Verdrag zullen zijn toegetreden. In de gevallen in het voorgaande lid bedoeld, zal genoemde Regeering haar tegelijkertijd doen weten den datum, waarop Zij de kennisgeving ontvangen heeft.

Artikel 22 De niet ondertekeenende Mogendheden zijn bevoegd tot dit Verdrag toe te treden.
De Mogendheid, die wenscht toe te treden, geeft van hare bedoeling schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Regeering, onder overmaking der akte van toetreding, die in de archieven van genoemde Regeering wordt nedergelegd.
Deze Regeering doet onmiddellijk aan alle andere Mogendheden een voor eensluidend verklaarden afdruk toekomen van de kennisgeving, alsmede van de akte van toetreding, daarbij aangevende den datum, waarop Zij de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 23 Dit Verdrag treedt voor de Mogendheden, die aan de eerste nederlegging van akten van bekrachtiging hebben deelgenomen, zestig dagen na de dagteekening van het proces-verbaal dezer nederlegging in werking en voor de Mogendheden, die later de akten van bekrachtiging nederleggen of toetreden, zestig dagen nadat de kennisgeving der nederlegging van hare akten van bekrachtiging of van hare toetreding door de Nederlandsche Regeering is ontvangen.

Artikel 24 Indien het gebeurde, dat eene der verdragsluitende Mogendheden dit Verdrag mocht willen opzeggen, wordt deze opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Nederlandsche Regeering, die onmiddellijk een voor eensluidend verklaarden afdruk der kennisgeving doet toekomen aan alle andere Mogendheden en haar daarbij doet weten den datum, waarop Zij haar ontvangen heeft.
De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte der Mogendheid, die er van kennis heeft gegeven en één jaar nadat de kennisgeving er van de Nederlandsche Reegering heeft bereikt.

Artikel 25 Een register, gehouden door het Nederlandsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, wijst aan den datum der nederlegging van de akten van bekrachtiging, geschied ingevolge artikel 21, lid 3 en 4, alsmede den datum waarop de kennisgevingen van toetreding (artikel 22, lid 2) of van opzegging (artikel 24, lid 1) zijn ontvangen.
Iedere verdragsluitende Mogendheid is bevoegd kennis te nemen van dit register en er voor eensluidend verklaarde uittreksels uit te vragen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Verdrag van hunne onderteekeningen hebben voorzien.

Gedaan te 's-Gravenhage, den achttienden October een duizend negen honderd en zeven, in enkelvoudig exemplaar, dat nedergelegd blijft in de archieven der Nederlandsche Regeering en waarvan voor eensluidend verklaarde afdrukken langs diplomatieken weg zullen worden overgemaakt aan de Mogendheden, die tot de Tweede Vredesconferentie zijn uitgenoodigd geworden.