Verdrag nopens de vestiging van een Internationaal Prijzenhof

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Twaalfde Conventie van Den Haag 1907

Type Multilateraal
Ondertekening 29 juli 1899 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding niet
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Bron Kamerstukken II 1908/09, 271, nr. 16
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Twaalfde Conventie van Den Haag 1907 op Wikipedia

Verdrag nopens de vestiging van een Internationaal Prijzenhof[bewerken]

  Zijne Majesteit de Keizer van het Duitsche Rijk, Koning van Pruisen:..... (volgen de namen der overige Staatshoofden.)

  Bezield met den wensch op eene rechtvaardige wijze de geschillen te beslechten, die nu en dan, in geval van zeeoorlog, over de uitspraken der nationale prijsgerechten rijsen;

  Van oordeel zijnde dat, indien deze prijsgerechten volgens de vormen door hunne wetgeving voorgeschreven moeten voortgaan recht te spreken, het van belang is dat, in bepaalde gevallen, een beroep kan aangeteekend worden onder voorwaarden die, binnen de perken van het mogelijke, de openbare belangen en de bijzondere berlangen, die in iedere prijszaak betrokken zijn, verzoenen;

  Overwegende, aan den anderen kant, dat de instelling van een Internationaal Hof, waarvan de bevoegdheid en de rechtspleging zorgvuldig zouden geregeld zijn, het beste middel is toegeschenen om dit doel te bereiken;

  Overtuigd, ten slotte, dat op die wijze de harde gevolgen eenen zeeoorlog kunnen verzacht worden; dat inzonderheid de goede betrekkingen tusschen de oorlogvoerenden en de onzijdigen beter kans hebben bewaard te blijven en dat aldus het behoud van den vrede beter verzekerd is;

  Verlangende, met dat doel, een Verdrag te sluiten, hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(volgen de namen der Gevolmachtigden)

  Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

TITEL I.[bewerken]

Algemeene bepalingen.

Artikel 1.

  De geldigheid der prijsmaking van een handelsvaartuig of van zijne lading wordt, indien het betreft onzijdige of vijandelijke eigendommen, vastgesteld voor een prijzen-rechtspraak overeekomstig dit Verdrag.

Artikel 2.

  De prijzen-rechtspraak wordt in eersten aanleg uitgeoegend door de prijsgerechten van den prijsmakenden oorlogvoerende.
  De uitspraken dezer gerechten worden in openbare zitting uitgesproken of ambtshalve ter kennis gebracht van de onzijdige of vijandelijke partijen.

Artikel 3.

  De uitspraken der nationale prijsgerechten kunnen aanleiding geven tot een beroep voor het Internationale Prijzenhof:

1°. wanneer de uitspraak der nationale prijsgerechten de eigendommen betreft van eene onzijdige Mogendheid of eenen onzijdigen particulier;
2°. wanneer de uitspraak vijandelijke eigendommen betreft en loopt over:
a. koopwaren in een onzijdig vaartuig geladen;
b. een vijandelijk vaartuig, dat in de territoriale wateren eener onzijdige Mogendheid prijs gemaakt zou zijn, in geval die Mogendheid deze prijsmaking niet tot onderwerp eener diplomatieke klacht mocht hebben gemaakt;
c. eene klacht gegrond op de bewering, dat de prijsmaking zou zijn geschied met schending hetzij van eene tractaatsbepaling van kracht tusschen de oorlogvoerende Mogendheden, hetzij van een wettelijk voorschrift door den prijsmakenden oorlogvoerende uitgevaardigd.

  Het beroep tegen de uitspraak der nationale prijsgerechten kan gegrond zijn op de overweging, dat die uitspraak niet zou zijn gerechtvaardigd hetzij wat de feiten, hetzij wat het rechtspunt aangaat.