Verdrag voor den toepassing op de zeeoorlog der beginselen van het Verdrag van Genève

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Tiende Conventie van Den Haag 1907

Type Multilateraal
Ondertekening 18 oktober 1907 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding 26 januari 1910
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Vervangt Derde Conventie van Den Haag 1899
Vervangen door Tweede Geneefse Conventie van 1949
Leden 35
Bron Rodekruis.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Tiende Conventie van Den Haag 1907 op Wikipedia

Verdrag voor de toepassing op den zeeoorlog der beginselen van het Verdrag van Genève

Den Haag, 18 oktober 1907

(Aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Gelijkelijk bezield met den wensch om, voor zoover het van hen afhangt, de van den oorlog onafscheidelijke rampen te verminderen;

En willende, met dat doel, op den zeeoorlog de beginselen van het Verdrag van Genève van 6 Juli 1906 toepassen;

Hebben besloten een Verdrag te sluiten met het doel het op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende Verdrag van 29 juli 1899 te herzien en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(volgen de namen der gevolmachtigden)

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1 De militaire hospitaalschepen, waaronder te verstaan de schepen door de Staten gebouwd of t bijzonder en uitsluitend met het doel om hulp te verleenen aan de gewonden, zieken en schipbreukelingen, en waarvan de namen aan de oorlogvoerende Mogendheden moeten zijn medegedeeld bij den aanvang of in den loop der vijandelijkheden, in ieder geval vóór eenige ingebruikstelling, worden geëerbiedigd en kunnen gedurende de vijandelijkheden niet worden prijs gemaakt.

Evenmin worden die schepen, met betrekking tot hun verblijf in eene onzijdige haven, gelijkgesteld met oorlogsschepen.

Artikel 2 De hospitaalschepen, geheel of ten deele uitgerust op kosten van particulieren of van officiëel erkende vereenigingen tot hulpbetoon, worden eveneens geëerbiedigd en zijn niet onderhevig aan prijsmaking, indien de oorlogvoerende Mogendheid, waartoe zij behooren, hun eenen officieelen lastbrief heeft verstrekt en hunne namen ter kennis heeft gebracht van de tegenpartij bij den aanvang of in den loop der vijandelijkheden, in ieder geval vóór eenige ingebruikstelling.
Die schepen moeten voorzien zijn van een stuk, afkomstig van de bevoegde overheid, verklarende dat zij gedurende hunne uitrusting en bij hun eindvertrek aan haar toezicht onderworpen zijn geweest.

Artikel 3 De hospitaalschepen, geheel of ten deele uitgerust op kosten van particulieren of van officiëel erkende vereenigingen van onzijdige landen, worden geëerbiedigd en zijn niet onderhevig aan prijsmaking, onder voorwaarde dat zij zich onder de leiding van een der oorlogvoerenden hebben gesteld, met voorafgaande goedkeuring van hunne eigen Regeering en met de machtiging van den oorlogvoerende zelf, en dat deze bij den aanvang of gedurende de vijandelijkheden, in elk geval alvorens eenig gebruik van het schip te maken, den naam aan zijnen tegenstander mededeelt.

Artikel 4 De schepen, die vermeld zijn in de artikelen 1, 2 en 3, verleenen hulp en bijstand aan de gewonden, zieken en schipbreukelingen der oorlogvoerenden, zonder onderscheid van nationaliteit.
De Regeeringen verbinden zich om die schepen voor geenerlei oorlogsdoeleinde te gebruiken.
Die schepen mogen de bewegingen der strijdenden op geenerlei wijze belemmeren.
Gedurende en na den strijd handelen zij op eigen risico en gevaar.
De oorlogvoerenden hebben te hunnen opzichte het recht van toezicht en van doorzoeking; zij kunnen hunne medewerking weigeren, hun gebieden zich te verwijderen, hun een bepaalden koers voorschrijven en eenen commissaris aan boord plaatsen, zelfs hen aanhouden, indien de ernst der omstandigheden het mocht vorderen.
De oorlogvoerenden schrijven, zooveel mogelijk, in het scheepsjounaal der hospitaalschepen de bevelen in welke zij hun geven.

Artikel 5 De militaire hospitaalschepen worden onderscheiden door eene witte buitenbeschildering met eenen horizontalen groenen gang van ongeveer anderhalven meter breedte. De schepen, die vermeld zijn in de artikelen 2 en 3, worden onderscheiden door eene witte buitenbeschildering met eenen horizontalen rooden gang van ongeveer anderhalven meter breedte. De sloepen der zooeven vermelde schepen, evenals kleine vaartuigen voor den hospitaaldienst bestemd, onderscheiden zich door eene dergelijke beschildering. Alle hospitaalschepen maken zich kenbaar door, behalve hunne nationale vlag, de witte vlag met rood kruis, voorgeschreven door het Verdrag van Genève en bovendien, indien zij tot eenen onzijdigen Staat behooren, door aan den grooten mast de nationale vlag te hijschen van den oorlogvoerende onder wiens leiding zij zich hebben gesteld. De hospitaalschepen, die in het geval in artikel 4 voorzien, door den vijand worden aangehouden, moeten de nationale vlag van den oorlogvoerende, waartoe zij behooren, inhalen. De bovengenoemde schepen en vaartuigen die zich 's nachts verzekerd willen houden overeenkomstig het hun toekomend recht geeerbiedigd te worden, moeten, met toestemming van den oorlogvoerende dien zij vergezellen, de maatregelen nemen welke noodig zijn om de kleuren die hen kenmerken, voldoende te doen uitkomen.

Artikel 6 De in artikel 5 voorziene onderscheidingsteekenen kunnen zoowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog slechts gebruikt worden ter bescherming of ter onderkenning der aldaar genoemde vaartuigen.

Artikel 7 In geval van een gevecht aan boord van een oorlogsschip worden de ziekeninrichtingen zooveel mogelijk geëerbiedigd en gespaard. Deze ziekeninrichtingen en haar materieel blijven aan de oorlogswetten onderworpen, maar kunnen niet tot een ander doel worden bestemd, zoolang zij voor de gewonden en zieken noodig zijn. Evenwel heeft de commandant, die haar in zijne macht heeft, de bevoegdheid er over te beschikken, in geval zulks voor een gewichtig militair belang noodzakelijk is, mits hij van te voren de gewonden en zieken, die zich daarin bevinden, in veiligheid stelt.

Artikel 8 De bescherming aan de hospitaalschepen en aan de ziekeninrichtingen der oorlogsschepen verschuldigd, houdt op als men er van gebruik maakt tot het verrichten van voor den vijand nadeelige handelingen. Als rechtmatige reden om die bescherming niet verder te verleenen wordt niet beschouwd het feit, dat het personeel dier hospitaalschepen en ziekeninrichtingen voor de handhaving der orde en tot verdediging der gewonden en zieken gewapend is, evenmin als het feit dat zich aan boord een toestel voor radiotelegrafie bevindt.

Artikel 9 De oorlogvoerenden kunnen een beroep doen op de menschlievendheid der gezagvoerders van onzijdige handelsvaartuigen, jachten of sloepen, om gewonden of zieken aan boord te nemen en te verzorgen. De vaartuigen, die aan dat beroep gehoor geven, evenals die welke uit eigen beweging gewonden, zieken of schipbreukelingen aan boord nemen, genieten eene bijzondere bescherming en zekere vrijstellingen. In geen geval kunnen zij wegens het feit van dit vervoer worden prijsgemaakt; maar, behoudens de hun gedane beloften, blijven zij blootgesteld aan prijsmaking wegens eenigerlei schending der onzijdigheid, waaraan zij zich schuldig gemaakt mochten hebben.

Artikel 10 Het geestelijk, geneeskundig en hospitaal-personeel van ieder prijsgemaakt schip is onschendbaar en kan niet krijgsgevangen gemaakt worden. Bij het verlaten van het schip neemt dit personeel de voorwerpen en heelkundige instrumenten, welke zijn bijzonder eigendom zijn, mede. Dat personeel gaat voort zijne functiën waar te nemen zoolang zulks noodig is en het kan zich vervolgens verwijderen, wanneer de opperbevelhebber het mogelijk oordeelt. De oorlogvoerenden moeten aan dat in hunne handen gevallen personeel dezelfde vergoedingen en dezelfde soldij verzekeren, als aan het personeel van dezelfde rangen hunner eigen marine toekomt.

Artikel 11 De zich aan boord bevindende zeelieden en militairen en andere officiëel aan de zee- of landmacht verbonden personen, die gewond of ziek zijn, worden door de nemers beschermd en verzorgd.

Artikel 12 Elk oorlogsschip van eene oorlogvoerende partij kan de uitlevering verlangen der gewonden, zieken en schipbreukelingen, die aan boord zijn van militaire hospitaalschepen, van hospitaalschepen toebehoorende aan eene vereeniging tot hulpbetoon of aan particulieren, van handelsvaartuigen, jachten en sloepen, van welke nationaliteit die vaartuigen ook zijn.

Artikel 13 Indien gewonden, zieken of schipbreukelingen aan boord van een onzijdig oorlogsschip worden opgenomen, moeten, binnen de grenzen van het mogelijke, maatregelen genomen worden opdat zij niet meer aan de krijgsverrichtingen kunnen deelnemen.

Artikel 14 De schipbreukelingen, gewonden of zieken van eenen oorlogvoerende, welke in de handen vallen van den ander, zijn krijgsgevangenen. Aan dezen laatste staat het vrij, naar gelang der omstandigheden, te beslissen of hij hen wil houden, hen zenden naar eene haven van zijnen Staat, naar eene onzijdige haven of zelfs naar eene haven van de tegenpartij. In het laatste geval mogen de aldus aan hun land teruggegeven gevangenen gedurende den oorlog niet dienen.

Artikel 15 De schipbreukelingen, gewonden of zieken, die, met toestemming van de plaatselijke overheid, in eene onzijdige haven worden ontscheept, moeten, behoudens eene schikking in tegenovergestelden zin van den onzijdigen Staat met de oorlogvoerende Staten, op zoodanige wijze door den onzijdigen Staat bewaakt worden, dat zij niet opnieuw deel kunnen nemen aan de krijgsverrichtingen. De hospitaalkosten en die voor de internering worden gedragen door den Staat, tot welken de schipbreukelingen, gewonden of zieken behooren.

Artikel 16 Na elk gevecht worden door beide oorlogvoerende partijen, voor zoover de militaire belangen het veroorloven, maatregelen genomen om de schipbreukelingen, gewonden en zieken op te zoeken en hen, evenals de dooden, tegen plundering en slechte behandeling te doen beschermen. Zij zorgen er voor, dat aan het begraven, het overboord zetten of het verbranden der dooden een nauwkeurig onderzoek hunner lijken voorafgaat.

Artikel 17 Ieder oorlogvoerende zendt, zoodra mogelijk, aan de overheden van hun land, van hunne marine of van hun leger de militaire identiteitsteekens of stukken, op de dooden gevonden en de naamlijst der door hem opgenomen gewonden of zieken. De oorlogvoerenden houden elkander op de hoogte van de interneeringen en veranderingen, evenals van de opnamen in de hospitalen en van de sterfgevallen, die zijn voorgekomen onder de gewonden en zieken, welke zich in hunne macht bevinden. Zij verzamelen alle voorwerpen, dienende tot persoonlijk gebruik, voorwerpen van waarde, brieven, enz., die op de genomen schepen worden gevonden of die worden achtergelaten door de gewonden of zieken, welke in de hospitalen overleden zijn, ten einde ze aan de belanghebbenden door de overheden van hun land te doen toekomen.

Artikel 18 De bepalingen van dit Verdrag zijn slechts toepasselijk tusschen de verdragsluitende Mogendheden en alleen indien de oorlogvoerenden alle partijen zijn bij het Verdrag.

Artikel 19 De opperbevelhebbers der vloten van de oorlogvoerenden moeten voorzien in de regeling der bijzonderheden betreffende de uitvoering der voorgaande artikelen, evenals de niet voorziene gevallen regelen, volgens de voorschriften hunner respectieve Regeeringen en overeenkomstig de algemeene beginselen van dit Verdrag.

Artikel 20 De onderteekenende Mogendheden treffen de noodige maatregelen om hare zeemachten en in het bijzonder het beschermde personeel, met de bepalingen van dit Verdrag bekend te maken en ze onder de aandacht der bevolking te brengen.

Artikel 21 De onderteekenende Mogendheden verbinden zich eveneens om in geval van onvoldoendheid van hare strafwetten, de noodige maatregelen te nemen of aan hare wetgevende lichamen voor te stellen, om in tijd van oorlog de individueele daden van plundering en slechte behandeling van gewonden en zieken, tot de zeemachten behoorende, tegen te gaan, alsook om als ongeoorloofd gebruik van militaire waardigheidsteekenen te straffen het misbruik maken door vaartuigen niet beschermd door dit Verdrag van de onderscheidingsteekenen in artikel 5 aangewezen. Zij deelen elkander, door tusschenkomst van de Nederlandsche Regeering, de bepalingen tegen deze feiten mede, uiterlijk binnen 5 jaar na de bekrachtiging van dit Verdrag.

Artikel 22 In geval van krijgsverrichtingen tussen land- en zeemacht der oorlogvoerenden, zijn de bepalingen van dit Verdrag slechts toepasselijk op de ingescheepte krijgsmacht.

Artikel 23 Dit Verdrag zal zoo spoedig mogelijk worden bekrachtigd. De akten van s Gravenhage worden nedergelegd. De eerste nederlegging van akten van bekrachtiging zal geconstateerd worden door een procesverbaal, geteekend door de vertegenwoordigers der Mogendheden die er aan deelnemen en door den Nederlandschen Minister van Buitenlandsche Zaken. De latere nederleggingen van akten van bekrachtiging zullen plaats hebben door middel van eene geschreven kennisgeving, gericht aan de Nederlandsche Regeering en vergezeld van het instrument van bekrachtiging. Een voor eensluidend verklaarde afdruk van het proces-verbaal betrekkelijk de eerste nederlegging van akten van bekrachtiging, van de in het voorgaande lid vermelde kennisgevingen, alsmede van de instrumenten van bekrachtiging, zal door de zorgen der Nederlandsche Regeering en langs diplomatieken weg onmiddellijk worden overgemaakt aan de Mogendheden, uitgenoodigd tot de Tweede Vredesconferentie, alsmede aan de andere Mogendheden, die tot het Verdrag zullen zijn toegetreden. In de gevallen in het voorgaande lid bedoeld, zal genoemde Regeering Haar tegelijkertijd doen weten den datum, waarop Zij de kennisgeving ontvangen heeft.

Artikel 24 De niet onderteekenende Mogendheden, die het Verdrag van Genève van 6 Juli 1906 hebben aangenomen, zijn bevoegd tot dit Verdrag toe te treden. De Mogendheid, die wenscht toe te treden, geeft van hare bedoeling schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Regeering, onder overmaking der akte van toetreding, die in de archieven van genoemde Regeering wordt nedergelegd. Deze Regeering doet onmiddellijk aan alle andere Mogendheden een voor eensluidend verklaarden afdruk toekomen van de kennisgeving, alsmede van de akte van toetreding, daarbij aangevende den datum, waarop Zij de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 25 Dit Verdrag vervangt, zoodra het behoorlijk bekrachtigd is, het Verdrag van den 29sten Juli 1899 nopens de toepassing op den zeeoorlog der beginselen van het Verdrag van Genève ten aanzien der betrekkingen tusschen de verdragsluitende Mogendheden. Het Verdrag van 1899 blijft van kracht ten aanzien der betrekkingen tusschen de Mogendheden, die het geteekend hebben en die niet eveneens dit Verdrag bekrachtigen.

Artikel 26 Dit Verdrag treedt voor de Mogendheden, die aan de eerste nederlegging van akten van bekrachtiging hebben deelgenomen, zestig dagen na de dagteekening van het proces-verbaal dezer nederlegging in werking en voor de Mogendheden, die later de akten van bekrachtiging nederleggen of toetreden, zestig dagen nadat de kennisgeving der nederlegging van hare akten van bekrachtiging of van hare toetreding door de Nederlandsche Regeering is ontvangen.

Artikel 27 Indien het gebeurde, dat eene der verdragsluitende Mogendheden dit Verdrag mocht willen opzeggen, wordt deze opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Nederlandsche Regeering, die onmiddellijk een voor eensluidend verklaarden afdruk der kennisgeving doet toekomen aan alle andere Mogendheden en haar daarbij doet weten den datum, waarop Zij haar ontvangen heeft. De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte der Mogendheid, die er van kennis heeft gegeven en één jaar nadat de kennisgeving er van de Nederlandsche Regeering heeft bereikt.

Artikel 28 Een register, gehouden door het Nederlandsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, wijst aan den datum der nederlegging van de akten van bekrachtiging, geschied ingevolge artikel 23, lid 3 en 4, alsmede den datum, waarop de kennisgevingen van toetreding (artikel 24, lid 2) of van opzegging (artikel 27, lid 1) zijn ontvangen. Iedere verdragsluitende Mogendheid is bevoegd kennis te nemen van dit register en er voor eensluidend verklaarde uittreksels uit te vragen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Verdrag van hunne onderteekeningen hebben voorzien.

Gedaan te ‘s Gravenhage, den achttienden October een duizend negen honderd en zeven, in enkelvoudig exemplaar, dat nedergelegd blijft in de archieven der Nederlandsche Regeering en waarvan voor eensluidend verklaarde afdrukken langs diplomatieken weg worden overgemaakt aan de Mogendheden, die tot de Tweede Vredesconferentie zijn uitgenoodigd geworden.