Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Eerste titel/Derde hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
tweede hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, eerste titel, derde hoofdstuk)

vierde hoofdstuk

Artikel 16[bewerken]

Het hoog geregtshof van het koningrijk zal beſtaan uit negen ledeen, de preſident daaronder begrepen, en bij zich hebben een' procureur des Konings, een' griffier en een' ſubſtituut-griffier; zullende de fiscaal des Konings over de middelen te water en te lande de regtsvorderingen wegens de middelen te lande voor hetzelve doen.

Artikel 17[bewerken]

De leden, procureur des Konings, griffier en ſubſtituut-griffier, zullen moeten zijn meesters in de regten, gegradueerd op eene der univerfiteiten binnen dit rijk; voorts zullen de leden den ouderdom van den dertig jaren moeten bereikt hebben.

Artikel 18[bewerken]

Bij de aanvaarding hunner ambten, zullen zij van de practijk en alle andere ambten en bedieningen, welke hun werkzaamheden verſchaffen, of waarvoor zij bezoldigd mogten worden, dadelijk afſtand moeten doen.

Artikel 19[bewerken]

Zij zullen ook, buiten het geen uit hunne ambten bij het hof zelve voortvloeit, geene commisſiën op zich mogen nemen, waardoor zij aan het land, departement, ſtad of plaats, comptabel zouden zijn.

Artikel 20[bewerken]

De preſident wordt door den Koning aangeſteld, uit de leden van hetzelve hof of daar buiten. Bij eene andere vacature, zenden de overige leden van het hof eene nominatie van drie perſonen aan den Koning, om door hoogstdenzelven aan het wetgevend lichaam te worden ingezonden, hetwelk daaruit de verkiezing van een lid voor dat geregtshof doet.

Artikel 21[bewerken]

De Koning heeft de aanſtelling van den procureur des Konings, griffier en ſubſtituut-griffier.

Artikel 22[bewerken]

De aanſtelling van den preſident, leden, procureur des Konings, griffier en ſubſtituut-griffier, geſchiedt voor een' onbepaalden tijd, doch tot kennelijk wederzeggen.

Artikel 23[bewerken]

Het hoog geregtshof oefent over de geheele uitgeſtrektheid van het rijk zoodanige regtsmagt in civiele en criminele zaken, en in de middelen te lande, mitsgaders zoodanigs verdere regten, als aan hetzelve bij de conſtitutie en bij den tweeden titel van dit boek zijn opgedragen.

Artikel 24[bewerken]

Alle de kosten, aan het beſtaan van dit geregtshof verbonden, en op de administratie van juſtitite, bij hetzelve vallende, met alle de aankleven van dien, zullen betaald worden uit 's rijks kasſe.

Artikel 25[bewerken]

Het hof daarentegen zal aan 's rijks kasſe verantwoorden alle de boeten, amenden, leges, jura en ſportelen, welke bij hetzelve zouden mogen vallen, op zoodanige wijze, als nader zal worden bepaald.