Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Eerste titel/Tweede hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
eerste hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, eerste titel, tweede hoofdstuk)

derde hoofdstuk

Artikel 8[bewerken]

De cognitie over militaire delicten en excesſen van militaire perſonen, omſchreven in het reglement van krijgstucht, of militair wetboek; de cognitie over de misdaden en delichten begaan in 's lands dienst ter zee; en de judicature:

  1. Over alle zaken, rakende den ophef der middelen te water;
  2. Over alle buiten en prijzen op zee genomen;
  3. Over ſchuldigen aan zeerooverijen in volle zee;
  4. Over zaken, rakende de pilotage;
  5. Over ambtenaren, bedienden en ſuppoosten, in zaken van convooijen en licenten, misdoende in officio;

verblijven aan alle zoodanige vierſcharen en regters, als waaraan die volgens bijzondere wetten zijn toevertrouwd.

Artikel 9[bewerken]

De regtsmagt over alle andere perſonen en zaken wordt uitgeoefend door de regters bij deze wet nader omschreven, volgens de natemelden bepalingen.

Artikel 10[bewerken]

Ten dien einde zullen 'er beſtaan:

I. Een hoog geregtshof.
II. Geregtshoven van appèl.
III. Vierſcharen.
IV. Civiele regtbanken.

Artikel 11[bewerken]

Voorts zullen 'er ook nog mogen beſtaan, regterlijke collegiën over bijzondere perſonen en zaken, als univerſiteitsvierſcharen, heemraadſchappen, dijks-collegiën, zijlvesterijen, kamers van kleine zaken, van asſurantie, van zee-zaken, van defolate boedels, van huwelijks-zaken en dergelijke, zoo verre het algemeen belang of plaatſelijke omſtandigheden dit zullen vereiſchen.

Artikel 12[bewerken]

De collegiën, bij het vorig artikel vermeld, zullen inmiddels blijven bestaan op derzelver tegenwoordigen voet.

Artikel 13[bewerken]

De manier van procederen bij elk van dezelve in gebruik, zal ook proviſioneel blijven ſtand houden, in het bijzonder ook te deze n opzigte, dat van alle vonnisſen van voorz. collegiën, waarvan tot dus verre geappelleerd konde worden aan het geregt van de plaats, waaronder zij behoorden, ook in het vervolg, zoodanig hooger beroep zal worden toegelaten tot het collegie, dat aan zoodanig geregt zal zijn opgevolgd.

Artikel 14[bewerken]

Omtrent de vernieting van dergelijke regterlijke collegiën, voor zoo verre dezelve thans beſtaan, of wel omtrent derzelver oprigting in plaatſen, alwaar dezelve niet aanwezig zijn, zal, naar gelang van zaken, bij ſpeciale wetten het noodige worden bepaald en vastgeſteld.

Artikel 15[bewerken]

De regters, openbare aanklagers en griffiers en ſecretarisſen, zullen, voorbehoudens de nader te melden bepalingen en uitzonderingen, moeten oud zijn vijf-en-twintig jaren, en inboorlingen van dit rijk, of deszelfs koloniën; zij moeten, de laatſte zes jaren vóór hunne benoemingen, gewoond hebben in dit rijk, en zullen, bij hunne eerſte aanſtelling in dezelfde regtbanken, elkander onderling niet tot in den vierden graad van bloedverwanſchap of zwagerſchap mogen beſtaan. Het vereischte van inwoning fluit de zoodanigen niet uit, die reipublicae cauſa afwezend zijn geweest.