Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Eerste titel/Eerste hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, eerste titel, eerste hoofdstuk)

tweede hoofdstuk

Artikel 1[bewerken]

Het regt wordt in den naam en van wege den Koning uitgeoefend, hetgeen in alle vonnisſen moet worden uitgedrukt: bovendien zal aan het hoofd der vonnisſen moeten gefteld worden in naam des Konings. — De Koning behoudt aan zich het regt om, omtrent de uitvoering of executie van criminele vonnisſen, bij proviſie, ſurcheance te verleenen.

Artikel 2[bewerken]

De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, ingevolge de wet aangeſteld. — Geene politieke magt vermag de onafhankelijkheid der regters in de uitoefening van eenig gedeelte van derzelver werkzaamheden te belemmeren; alles onverminderd hetgeen bij artikel 75 van de conſtitutie van het koningrijk is vastgesteld; en onverminderd de magt van den koning, om de vervolging van ſommige misdaden te doen ophouden, wanneer het algemeen welzijn zulks vordert.

Artikel 3[bewerken]

Ingevalle eene politieke magt zich dat omtrent eenig regterlijk collegie onderwinden mogt, zal hetzelve gehouden zijn, daarvan dadelijk kennis te geven aan het gouvernement, ten einde daarin de noodige voorziening zoude kunnen worden gedaan.

Artikel 4[bewerken]

Alle de regters, officiers en justiciers, zullen elkander onderling alle mogelijke hulp en onderſteuning toebrengen tot bevordering der juſtitie, zoo in het nemen van informatiën als in het vervolgen en arresteren van misdadigen, zonder hier van eenige kosten of jura boven de gewone en noodzakelijke uitſchotten, in rekening te mogen brengen.

Artikel 5[bewerken]

Zij zullen verder elkanders requiſitoriën, in alle gevallen waar die te pas komen, reſpecteren, zonder dat belofte van reciprociteit en acte van non-prejudicie noodig zullen zijn.

Artikel 6[bewerken]

Ingevalle iemand grieven heeft tegen eenige regterlijke dispoſitie, zal hij deze kunnen inbrengen bij zoodanigen regter, als bij de wetten van hooger beroep is bepaald; ten welken einde over elke zaak wee vonnisſen of uitſpraken zullen kunnen gaan, een ter eerſter inſtantie, en een bij hooger beroep, onder de uitzonderingen bij de manieren van procederen opgeteld.

Artikel 7[bewerken]

Ook zullen de handelingen, dispoſitiën, en vonnisſen van alle regterlijke collegiën, openlijk ſtrijdig met de wetten, betreffende de adminiſtratie van juſtitie en den vorm van regspleging, kunnen vernietigd en buiten effect geſteld worden door het hoog geregtshof.