Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Eerste titel/Zesde hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
vijfde hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, eerste titel, zesde hoofdstuk)

zevende hoofdstuk

Artikel 53[bewerken]

'Er zullen zijn civiele regtbanken in elke plaats, waar die zullen noodig geoordeeld worden.

Artikel 54[bewerken]

Zij zullen in de ſteden, vlekken en groote dorpen, uit ten minſten vijf, en ten hoogſten zeven leden beſtaan, de preſident daaronder begrepen; in kleine gemeenten nogtans, alwaar het bezwaarlijk zoude zijn vijf leden voor de civiele regtbank te vinden, zullen drie leden genoegzaam zijn.

Artikel 55[bewerken]

De leden mogen niet practiſeren voor die regtbank waarin zij zitting hebben, noch burgemeester of wethouders zijn.

Artikel 56[bewerken]

De ſchouten, of zoodanige andere perſonen, als aan het hoofd van de politie in de gemeenten zullen geplaatst worden, behooren mede tot de civiele regtbanken, en zijn aan het hoofd derzelve geſteld; doch hebben daarin geene ſtem: — de procureurs des Konings zijn tevens ſchouten in de ſteden of plaatſen, alwaar de vierſcharen reſideren.

Artikel 57[bewerken]

De calanges tot civiele boeten zullen bij de vierſcharen, als civiele regtbanken beſchouwd, gedaan worden door de procureurs des Konings, als ſchouten binnen die gemeenten, en bij de andere civiele regtbanken door ſchouten, of zoodanige andere perſonen, als aan het hoofd der politie binnen die gemeenten zullen geplaatst worden.

Artikel 58[bewerken]

De ſecretarisſen van de gemeentebeſturen zullen ook kunnen zijn ſecretarisſen van de civiele regtbanken in dezelfde gemeenten, doch zullen dan voor die regtbanken niet mogen practiſeren.

Artikel 59[bewerken]

Van de leden der regtbanken zal jaarlijks een derde gedeelte aftreden, de eerſtemaal van vijf één, en vervolgens twee, en van zeven, de laatſtemaal drie, en te voren telkens twee. In de regtbanken, welke ſlechts uit drie beſtaan, zal jaarlijks een lid aftreden.

De aftredende leden zijn weder verkiesbaar.

Artikel 60[bewerken]

De eerſte aftredingen worden door het lot beſlist, en zullen beginnen met den 1ſten van louwmaand 1811.

Artikel 61[bewerken]

De preſidenten en leden worden gekozen door den Koning.

Artikel 62[bewerken]

Ten opzigte der aanſtelling van ſchouten ſecretarisſen zal gevolgd worden, het geen deswegens bij de reglementen voor de gemeentebeſturen zal worden bepaald.

Artikel 63[bewerken]

De regtbanken oefenen, over het aan dezelve toegewezen regtsgebied, de civiel juſtitie, daaronder mede begrepen de judicature van calanges en civiele actiën, wegens boeten en breuken, onder de bepalingen bij de manier van procederen en den vijfden titel van dit boek vastgeſteld; zij oefenen tevens uit die regten en pligten, welke bij den gemelden vijfden titel zijn omſchreven.

Artikel 64[bewerken]

De tractementen of preſentie-gelden van de ſchouten, leden en ſecretarisſen van de civiele regtbanken, voor zoo verre het noodig zal zijn, om gemeld perſonen te ſalariëren, of preſentie-gelden toeteleggen, mitsgaders de tractementen van de bedienden dier regtbanken, en alle verderre kosten op de administratie van de civiele juſtitie vallende, zullen door de gemeenten betaald worden, waarover die regtbanken geſteld zijn; waartegen aan de kasſen dier gemeenten zullen worden verantwoord alle de leges, jura en ſportelen, welke bij dezelve regtbanken zouden mogen vallen.