Wetboek van Strafrecht Suriname (diefstal en stroperij)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wetboek van Strafrecht

Auteur Surinaamse staat
Genre(s) Wetboek
Brontaal Nederlands
Datering 14 oktober 1910
Vertaler Niet vertaald
Bron De Nationale Assemblée
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Wetboek van Strafrecht op Wikipedia

Wetboek van Strafrecht Suriname

Boek II Titel XXII

Diefstal en stroperij

TITEL XXII. DIEFSTAL EN STROPERIJ

Art. 370. Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Art. 371. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1o. diefstal van vee uit de weide;

2o. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorlogsnood;

3o. diefstal bij nacht in een woning of op een bij een woning behorend erf, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

4o. diefstal door twee of meer verenigde personen;

5o. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum.

Indien de in No. 3 omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in No. 4 en 5 vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren opgelegd.

Art. 372. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zich zelve of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt opgelegd:

1o. indien het feit wordt gepleegd hetzij bij nacht in een woning of op een bij een woning behorend erf, hetzij op een openbare land- of waterweg, hetzij in een spoortrein die in beweging is;

2o. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3o. indien de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;

4o. indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd; indien het feit de dood ten gevolge heeft.

Art. 373. Bij veroordeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel 46 No. 1-4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Art. 374. Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen personen, geheel of ten dele aan een ander toebehorende klei, bagger, zand, aarde, grind, puin, mestspecien, zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, biezen, troelie, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak- of sprokkelhout, ongeplukte of afgevallen boomvruchten of bladeren, te veld staand gras of te veld staande of na de oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan stroperij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste acht maanden worden opgelegd.

Art. 375. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden wordt gestraft:

1o. stroperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens, trek- of lastdieren;

2o. stroperij gepleegd onder een of meer der in artikel 371 No. 2-5 vermelde omstandigheden.

Ontzetting van de in artikel 46 No. 1-4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 376. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze Titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.

Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- en aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad der zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klachte van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.


Bron: Surinaamse Wetten en Aanverwante Wettelijke Regelingen [1]

De website van De Nationale Assemblée stelt de wetgeving beschikbaar in haar redactie tot 2005. Wetsartikelen die later werden gewijzigd worden hier op deze Wikisource [tussen haakjes] opgenomen, met vermelding van het Staatsblad waarin de wijzigende bepaling werd bekendgemaakt.