Wetboek van Strafrecht Suriname (verval van het recht tot strafvordering en van de straf)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wetboek van Strafrecht

Auteur Surinaamse staat
Genre(s) Wetboek
Brontaal Nederlands
Datering 14 oktober 1910
Vertaler Niet vertaald
Bron De Nationale Assemblée
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Wetboek van Strafrecht op Wikipedia

Wetboek van Strafrecht Suriname

Boek I Titel VIII

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf

TITEL VIII. VERVAL VAN HET RECHT TOT STRAFVORDERING EN VAN DE STRAF

Art. 94. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens het feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de Surinaamse rechter onherroepelijk is beslist.

Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van:

1o. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

2o. veroordeling gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

Art. 95. Het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte.

Art. 96. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1o. in twee jaren voor alle overtredingen;

2o. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

3o. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4o. Vervallen.

Ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt elke der boven vermelde verjaringstermijnen tot een derde van de daar bepaalde duur ingekort.

Het recht tot strafvordering vervalt niet wanneer het betreft:

1°. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 348 en 349;

2°. een misdrijf tegen de menselijkheid en

3°. een oorlogsmisdrijf.

Art. 97. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:

1o. bij valsheid of muntschennis vangt de termijn aan op de dag na die waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is;

2o. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 338, 339 en 342, op de dag na die der bevrijding, of van de dood van hem tegen wie onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;

3o. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 551, 552 en 553, op de dag na die waarop ingevolge artikel 14 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de aldaar bedoelde registers, waaruit zodanige overtreding blijkt, ter griffie van het Hof van Justitie zijn overgebracht.

Art. 98. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem op de bij wettelijk voorschrift voor gerechtelijke akten bepaalde wijze betekend zij.

Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

Art. 99. De schorsing der strafvervolging ter zake van een prae-judicieel geschil schorst de verjaring.

Art. 100. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen waarop naar de wettelijke omschrijving geldboete, hetzij als enige hoofdstraf, hetzij nevens hechtenis is gesteld, vervalt door vrijwillige voldoening aan de voorwaarde, welke de bevoegde vervolgingsambtenaar op vóór de aanvang der terechtzitting in te dienen verzoek van de verdachte ter voorkoming van de strafvervolging mocht hebben gesteld.

Deze voorwaarde bestaat in de betaling binnen een door de ambtenaar te bepalen termijn en op een door deze aan te wijzen plaats, van een bepaalde geldsom, met of zonder uitlevering van aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen of voldoening der geschatte waarde of afstand van reeds in beslaggenomen voorwerpen. Zodanige uitlevering, voldoening of afstand wordt steeds in de voorwaarden opgenomen, indien ter zake van het feit verbeurdverklaring zou moeten volgen. Bedoelde termijn kan vóór de afloop daarvan eenmaal worden verlengd.

De te betalen geldsom bedraagt ten minste vijftig cents en ten hoogste het maximum der boete naar de wettelijke omschrijving op het feit gesteld.

Is op de overtreding naar de wettelijke omschrijving geen andere hoofdstraf gesteld dan geldboete en biedt de verdachte of beklaagde aan, binnen de door de ambtenaar met de vervolging belast te bepalen termijn het maximum der boete te betalen en de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen uit te leveren of af te staan of hun geschatte waarde te voldoen, dan zal die ambtenaar het stellen van een daartoe strekkende voorwaarde niet mogen weigeren.

In de gevallen, waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling is die verhoging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger begane overtreding volgens het eerste lid is vervallen. Ten aanzien van de toepassing van de artikelen 22 en 24 wordt het vervallen van het recht tot strafvordering volgens het eerste lid, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld.

Ten aanzien van een minderjarige persoon, die tijdens het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, geldt, bij toepassing van het derde en vierde lid, in afwijking in zover van het daarin bepaalde, als maximum der boete een bedrag van negentig gulden.

Vorenstaande bepalingen lijden uitzondering voor zoveel betreft zodanige overtredingen, waaromtrent in andere wetten voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot de voorkoming van de vervolging en het transigeren omtrent boete, kosten en verbeurdverklaring.

Art. 100a. De bevoegdheid, bij het eerste lid van het voorgaande artikel toegekend aan de vervolgingsambtenaar, komt mede toe aan de opsporingsambtenaren, indien zij een oproeping uitreiken als bedoeld in artikel 355 van het Wetboek van Strafvordering.

De te stellen voorwaarde bestaat in de betaling uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting, van een bepaalde geldsom op een plaats, aan te wijzen door de opsporingsambtenaar.

Het derde en zesde lid van het voorgaande artikel zijn van toepassing. De tweede zinsnede van het vijfde lid van het artikel is van overeenkomstige toepassing.

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, maken van de hun in dit artikel toegekende bevoegdheid gebruik volgens richtlijnen, aan te geven door de vervolgingsambtenaar.

Art. 101. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door de dood van de veroordeelde.

Art. 102. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring.

De termijn dezer verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur der opgelegde straf.

Art. 103. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht waarin hij zijn straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die der ontvluchting. Bij herroeping ener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die der herroeping.

De termijn loopt niet gedurende de bij wet bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende de tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van een andere veroordeling, in verzekerde bewaring is.

Ten aanzien van een persoon, die zich aan de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgesproken bevel bedoeld bij artikel 61, onttrekt, vangt de termijn van verjaring der hem tevens naar de bepalingen van dat artikel opgelegde gevangenisstraf aan op de dag na die waarop hij de leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt.

Art. 104. Indien vóór de tenuitvoerlegging van de straf de veroordeelde, die tijdens zijn veroordeling nog geen achttien jaren oud was, de leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, vordert hij, die met deze tenuitvoerlegging is belast, dat de rechter die de straf heeft opgelegd, de duur zal bepalen der gevangenisstraf of hechtenis of het bedrag der geldboete, op het feit gesteld, welke straffen alsdan in de plaats treden der vroeger opgelegde. Deze bepaling is niet toepasselijk ten opzichte van de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Art. 105. De voorziening in de opvoeding, ter vervanging van de uitlevering van verbeurdverklaarde voorwerpen, wordt niet uitgevoerd, wanneer de veroordeelde door van zijn wil onafhankelijke omstandigheden feitelijk verhinderd is de verbeurdverklaarde voorwerpen uit te leveren of het geldelijk bedrag, waarop zij bij de uitspraak geschat worden, te betalen.


Bron: Surinaamse Wetten en Aanverwante Wettelijke Regelingen [1]

De website van De Nationale Assemblée stelt de wetgeving beschikbaar in haar redactie tot 2005. Wetsartikelen die later werden gewijzigd worden hier op deze Wikisource [tussen haakjes] opgenomen, met vermelding van het Staatsblad waarin de wijzigende bepaling werd bekendgemaakt.