Wetboek van Strafregt (1867)/Wet van den 29 Junij 1854 Staatsblad 102

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Wetboek van Strafregt (1867)/Aanwijzing van artikelen Wetboek van Strafregt (1867)/Wet van den 29 Junij 1854 Staatsblad 102 Wetboek van Strafregt (1867)/Wet van den 29 Junij 1854 Staatsblad 103 >

WET,

van den 29 Junij 1854,

HOUDENDE EENIGE VERANDERINGEN IN DE
STRAFFEN OP MISDRIJVEN GESTELD.

uitgegeven den 12 augustus 1854.

Staatsbl. 102.


 Artikel 1. De doodstraf wordt door den scherpregter uitgevoerd op een schavot, door den veroordeelde met eenen strop om den hals aan eene galg vast te maken en een luik onder zijne voeten te doen wegvallen.
 Art. 13 van het Wetboek van Strafregt wordt afgeschaft.
 2. De straffen van algemeene verbeurdverklaring der goederen den schuldige toebehoorende, van het stellen onder bijzonder toezigt der hooge politie, van eeuwigdurenden of tijdelijken dwangarbeid zijn, voor zooverre zij hier te lande nog bestaan, afgeschraft.
 De dwangarbeid is en blijft vervangen:
 de eeuwigdurende door eene tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens twintig jaren;
 de tijdelijke door eene tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren.
 3. De straf van het brandmerk wordt afgeschraft.
 4. De straf van de kaak, als volgens art. 22 van het Wetboek van Strafregt de straffen van eeuwigdurenden dwangarbeid, dwangarbeid voor eenen tijd en de tuchthuisstraf (réclusion) voorafgaande, wordt afgeschraft.
 5. Waar de straf van de kaak als op zich zelve staande straf bij het Wetboek van Strafregt is bedreigd, wordt zij vervangen door eene correctionele gevangenisstraf van drie tot vijf jaren, en ontzetting van de regten in art. 8 dezer wet vermeld, voor vijf tot tien jaren.
 Indien nevens de straf van de kaak geldboete bedreigd is, wordt die met de voormelde straffen toegepast.
 6. De straf van ontzetting van burgerschapsregten (dégradation civique) wordt vervangen door eene correctionele gevangenisstraf van één tot drie jaren, met of zonder geldboete van tien tot vijf honderd gulden, en ontzetting van de regten, in art. 8 dezer wet vermeld, van vijf tot tien jaren.
 De onbepaalde straffen van confinement, correctie en ontzegging van inwoning, in bijzondere wetten bedreigd, worden vervangen door eene correctionele gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaren.
 7. De bepaling van art. 2 der wet van 28 Junij 1851 (Staatsbl. no. 68) wordt uitgestrekt tot de gevallen, waarin de regter de gevangenisstraf voor twee jaren of minder zoude hebben uitgesproken.
 8. De regten, omschreven in art. 42 van het Wetboek van Strafregt, worden vervangen door:
 a. het kiesregt;
 b. het waarnemen van alle openbare bedieningen of ambten;
 c. het zijn van voogd of curator over vreemden;
 d. het zijn van voogd of curator over eigen kinderen;
 e. het afleggen van getuigenis onder eede in burgerlijke zaken in geval van wraking;
 f. het regt om schietgeweer of wapenen te dragen.
 Het wordt den regter overgelaten de ontzetting dier regten, of sommige hunner, al of niet uit te spreken.
 De ontzetting van de waarneming van bedieningen of ambten is echter in de gevallen van artt. 5 en 6 dezer wet, en artt. 113 en 171 van het Wetboek van Strafregt alleen dan niet verpligtend, wanneer de regter art. 463 van dat Wetboek toepast.
 9. Wanneer de beschuldigde, hetzij uithoofde zijner jonge jaren, hetzij wegens dwang, bevel, billijke vrees, verleiding, bekrompenheid van verstand, de geringheid of het vrijwillig herstel des nadeels door de misdaad toegebragt, of andere verzachtende omstandigheden eene aanmerkelijke vermindering van straf mogt verdienen, kunnen de tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren en deportatie door eene correctionele gevangenis van één jaar minstens, de tuchthuisstraf van vijf tot vijftien jaren door eene correctionele gevangenis van zes maanden minstens, de gewone tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren en verbanning door eene correctionele gevangenis van drie maanden minstens worden vervangen.
 Deze correctionele gevangenisstraffen kunnen door de toepassing van art. 2 der wet van 28 Junij 1851 (Staatsbl. no. 68), en art. 7 dezer wet, niet lager dan tot de helft afdalen.
 10. Poging tot misdaad wordt gestraft met de straf volgende op die welke bij de wet tegen de misdaad zelve is bedreigd.
 De poging wordt gestraft indien:
 tegen de misdaad zelve deportatie is bedreigd, met tuchthuisstraf van vijf tot vijftien jaren;
 tegen de misdaad zelve tuchthuisstraf (réclusion) of verbanning is bedreigd, met eene correctionele gevangenisstraf van één tot vijf jaren.
 De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op bijkomende straffen naast de hoofdstraf in het Strafwetboek bedreigd.
 Deze straffen worden gelijkelijk op de poging als op de daad zelve toegepast.
 11. De artt. 56, 57 en 58 van het Wetboek van Strafregt zijn afgeschaft.
 Indien iemand, na reeds te voren hetzij tot eene criminele straf, hetzij tot eene gevangenisstraf voor den tijd van langer dan één jaar, of tot eenzame opsluiting voor den tijd van langer dan zes maanden veroordeeld te zijn, geweest, andermaal wegens misdaad of wanbedrijf, daarna gepleegd, te regt staat, stelt de vroegere veroordeeling eene verzwarende omstandigheid daar, waarop de regter, behoudens de bepalingen van artt. 9 en 20 dezer wet, bij de toepassing der straf acht moet geven.
 De regter is bevoegd de straf van verbanning, tuchthuis of gevangenis zelfs met een derde boven het maximum te verhoogen.
 12. Het art. 11 is ook toepasselijk na voorafgaande veroordeeling door den militairen strafregter, doch niet anders dan in de gevallen aangeduid in de wet van 3 Maart 1852 (Staatsbl. no. 20).
 13. De doodstraf wordt veranderd in tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren, ten aanzien der misdaden van:
 1°. valsche munt, omschreven in art. 6 der wet van 24 April 1836, (Staatsbl. no. 13);
 2°. valschheid, omschreven in art. 139 van het Wetboek van Strafregt;
 3°. manslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van eene andere misdaad of een wanbedrijf, mits de manslag niet gestrekt heeft om het plegen van die misdaad of dat wanbedrijf voor te bereiden, gemakkelijk te maken of de ontdekking daarvan voor te komen.
 4°. kindermoord, voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd;
 5°. brandstichting, omschreven in de artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt, wanneer niet te voorzien was dat eenig menschenleven daardoor in gevaar kon worden gebragt.
 Art. 9 dezer wet is hier niet van toepassing.
 14. Met gevangenisstraf van twee tot vijf jaren worden gestraft:
 1°. De gewelddadigheden tegen ambtenaren en agenten, vermeld in art. 230 van het Wetboek van Strafregt, indien zij slechts bloedstorting, kwetsing of ziekte hebben voortgebragt;
 2°. de gewelddadigheden in art. 309 van dat Wetboek vermeld;
 3°. diefstal op den openbare weg, zonder geweld of bedreiging;
 4°. diefstal met braak, inklimming of valsche sleutels, op plaatsen, die niet als bewoonde huizen worden aangemerkt of daarmede gelijkgesteld;
 5°. diefstal bij nacht, door meer dan één persoon, op plaatsen, die niet als bewoonde huizen worden aangemerkt of daarmede gelijkgesteld,
 6°. diefstal, vermeld in art. 286, no. 3, van het Wetboek van Strafregt;
 7°. diefstal, vermeld in no. 4 van hetzelfde art. 386, doch alleen in het geval, dat hij is bedreven door iemand in herbergen opgenomen.
 De veroordeelden wegens de diefstallen onder nis. 3°. tot en met 7°. vermeld, kunnen worden ontzet van de regten in art. 8 opgenoemd, gedurende den tijd van vijf tot tien jaren.
 15. Art. 312 van het Wetboek van Strafregt wordt ingetrokken en de gewelddadigheid jegens wettige of natuurlijke ouders of jegens grootouders als eene verzwarende omstandigheid aangemerkt, waarop de regter behoudens de bepalingen van artt. 9 en 20 dezer wet, bij de toepassing der straf moet acht geven.
 De regter is zelfs bevoegd de tuchthuis- of gevangenisstraf met een derde boven het maximum te verhoogen.
 16. Met de straffen, in art. 401 van het Wetboek van Strafregt bedreigd, worden gestraft de in art. 388 van dat Wetboek omschrevene diefstallen van gereedschappen van landbouw, oogsten, koren- of graanstapels of hoopen, die een deel van den oogst uitmaken, in de weiden of op de akkers; steendieverijen in steengroeven; dieverijen van hout op koopen gesteld; en van visch in de vijvers, vischkommen of bewaarplaatsen van visch.
 17. De poging tot de misdaden (crimes), welke door deze wet correctioneel strafbaar worden en het kenmerk van wanbedrijf erlangen, is even als de volbragte daad strafbaar.
 De gevangenisstraf tegen wanbedrijven, in deze wet en in het Strafwetboek bedreigd, wordt echter, bij strafbare poging met een derde verminderd.
 Indien er op de poging in dat Wetboek eene mindere straf is bedreigd, wordt deze toegepast.
 18. Met de gevangenisstraf van zes dagen tot eene maand, met of zonder geldboete van acht tot vijf en zeventig gulden, wordt gestraft:
 de enkele diefstallen vallende onder art. 401 van het Wetboek van Strafregt, van
 mestspeciën;
 zoden, plaggen, heide en helm;
 te veld staand gras en veldvruchten;
 groen of ander hout, gehakt of niet gehakt;
 riet, biezen, gesneden of niet gesneden;
 gevallene bladeren;
 mos, dennenknoppen en eikels;
 mits deze enkele diefstallen zijn gepleegd noch met behulp van vaartuigen, noch met behulp van trek- of lastdieren, noch in vereeniging van meer dan vier personen.
 De poging tot de in dit artikel opgenomene diefstallen blijft even als de daad strafbaar, behoudens de slotbepaling van het voorgaand artikel.
 19. De artt. 271 laatste gedeelte, 272, 273, 274 en 282 van het Wetboek van Strafregt worden vervangen door de navolgende bepalingen:
 Die bedelende wordt gevonden in eene plaats, voor welke eene openbare inrigting tot voorkoming van bedelarij bestaat, wordt gestraft met gevangenis van veertien dagen tot zes maanden.
 De regter kan gelasten dat landloopers en bedelaars na het uiteinde der gevangenisstraf naar een bedelaarsgesticht of werkhuis zullen worden overgebragt. De last tot overbrenging is verpligtend ten aanzien van hen, die reeds eenmaal wegens landlooperij of bedelarij zijn veroordeeld.
 Veroordeelde landloopers en bedelaars, welke vreemdelingen zijn, kunnen ten allen tijde op last der regering over de grenzen worden geleid.
 20. Het art. 463 van het Wetboek van Strafregt kan worden toegepast ook dan wanneer de toegebragte schade de 25 francs te boven gaat, of tegen het wanbedrijf in het Strafwetboek slechts enkele geldboete is bedreigd.
 Het is toepasselijk in de gevallen van artt. 5, 6, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18 en 19 dezer wet.
 Het is mede toepasselijk bij eerste of latere overtredingen van politie, in het Wetboek van Strafregt voorzien, met die uitbreiding, dat de toepassing der daartegen bedreigde gevangenisstraf in geen geval meer verpligtend is.
 21. De ontzetting van regten, bedoeld in art. 8 dezer wet, vangt aan met den dag waarop het vonnis kracht van gewijsde verkrijgt.
 De tuchthuis- en gevangenisstraffen vangen aan met den dag der tenuitvoer-legging.
 Is de veroordeelde bereids in hechtenis, dan vangen zij aan met den dag der uitspraak, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in cassatie.
 Verstrijkt, hangende het hooger beroep of de voorziening in cassatie, de straftijd, dan blijft echter deze veroordeelde in hechtenis.
 Worden de oorspronkelijk opgelegde tuchthuis- of gevangenisstraffen verzwaard, zoo wordt in het geval, in het derde en vierde lid bedoeld, de laatst opgelegde straf geacht te loopen van den dag der eerste uitspraak.
 22. De vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen, vervaardigd, geschikt gemaakt, of gediend hebbende tot het plegen van een misdrijf, kan in het vonnis worden gelast.
 23. De bij artt. 205, 206 en 207 van de algemeene wet van 26 Augustus 1822 (Staatsblad no. 38) bedreigde straf van tentoonstelling op een schavot wordt afgeschaft.
  De misdrijven in die artikelen omschreven verliezen in elk geval het karakter van misdaad, en vervallen alzoo het eerste en tweede lid van art. 247 dierzelfde wet.
 De in gemelde wet bedreigde straffen blijven overigens in haar geheel.
 24. De besluiten van den Souvereinen Vorst van 11 December 1813 (Staatsblad no. 10), 9 September 1814, no. 35 (Journal officiel de la Belgique, no. 87) en 20 Januarij 1815, no. 16/1026 (Journal officiel de la Belgique, no. 118), alsmede het art. 209 van het Wetboek van Strafvordering zijn afgeschaft.
 25. De tegenwoordige wet is van toepassing ook ten aanzien der misdrijven vóór haar in werking treden gepleegd.
 De regtsgedingen, waarin de artt. 5, 6, 10, 14, 15, 16, 17 en 23 dezer wet toepasselijk zijn, en welke bij haar in werking treden krachtens arrest van teregtstelling naar de openbare teregtzitting van een provinciaal geregtshof verwezen zijn, worden aldaar in eersten en hoogstens aanleg beslist.
 Op de misdaden (crimes), welke door deze wet correctioneel strafbaar worden, is het 2de lid van art. 88 des Wetboeks van Strafvordering toepasselijk.