Zaak-Zeeuwse meisjes

Uit Wikisource
(Doorverwezen vanaf Zaak-Zeeuwse zusjes)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zaak-Zeeuwse meisjes

Datum uitspraak 5 oktober 1868
Zaaknummer
Bron arrondissementsrechtbank Goes
Rechters J.J. van Deinse, president, P.J. van Voorst Vader, J.G. de Backer
Advocaat-generaal
Soort zaak strafrecht
Soort procedure eerste aanleg
Wetgeving artt. 384 jº. 381, nº. 4, 386, nº. 1, 67, al. 3 C.P. en art. 2 Wet van 29 Junij 1854 (Stbl. nº. 102)
Vindplaats W 3197, p. 3

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE GOES.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 5 October 1868.

Voorzitter, Mr. J. J. van Deinse.

Diefstal door zeer jeugdige kinderen. — Veroordeeling tot gevangenis-straf. — Oordeel des onderscheids.

 In den laatsten tijd is zooveel geschreven, zegt de Middelb. Ct., omtrent de zaak van twee zeer jeugdige kinderen, die in Oct. 1868 door een Zeeuwsche Regtbank tot gevangenzetting zijn veroordeeld, dat wij, om allen twijfel weg te nemen, meenen het best te doen, door het vonnis der Regtbank te Goes, waarop de verschillende berigten betrekking hadden, in zijn geheel mede te deelen.

 De Regtbank enz.,
 Gezien de procedure, aangelegd door het Openb. Min. bij dezelve, tegen: 1e. Maria Bek, oud negen jaren, en 2e. Geertje Bek, oud vijf jaren, beide dochters van Jacobus, zonder beroep, geboren en wonende te Baarland, aangeklaagd ter zake, dat zij zich zouden schuldig gemaakt hebben aan het gezamenlijk en in gemeen overleg zich arglistig toe-eigenen en ontvreemden te Baarland:
 1. op 20 Julij 1868, in de woning en ten nadeele van a. F. Kleynput, van eene som gelde ten bedrage van ƒ 17.50, en b. van J. Machielse, weduwe P. Bal, dienstmeid aldaar, van eene dood met kindergoed, waarin tien mutsen, een hemdrok, een voordoek en een wit katoenen hemd, en wel door middel van een raam op te schuiven en daardoor in huis te klimmen;
 2. op 31 Julij 1868, uit dezelfde woning, ten nadeele van F. Kleynput voormeld, van eene dood met eenige babbelaars, en ten nadeele van genoemde J. Machielse van eene dood met naaigoed, een zijzak en een beuk, op dezelfde wijze als het vorige feit gepleegd; en
 3. op den 1 Aug. 1868, uit diezelfde woning en ten nadeele van genoemde J. Machielse, van vijf doeken, twee mutsen, een beuk, eene schaar, eene stopnaald, garen, sajet en oude lappen, door door de deur van het varkenshok te komen;
 welke zaak bij beschikking dezer Regtbank van den 5 Sept. 1868 naar hare correctionnele zitting is verwezen; terwijl de tweede bekl. niet ter openbare teregtzitting is verschenen;
 Gelet op het tegen de tweede bekl. verleende verstek:
 Gehoord ter openbare zitting van 28 Sept. 1868 den heer officier van justitie in zijne voordragt der zaak;
 Gehoord de voorlezing door den griffier van drie processen-verbaal, opgemaakt door A. Mulder, gemeente-veldwachter te Baarland, dd. 28 Julij, 1 Aug. en 3 Aug. 1868, op den ambtseed, twee geboorte-extracten der gemeente Baarland dd. 28 Febr. 1859 en 10 Febr. 1863, en een bevelschrift dezer Regtbank dd. 5 Sept. 1868;
 Gehoord de getuigen, ten deze opgeroepen en verschenen;
 Gehoord de eerste bekl. in hetgeen zij ter harer verantwoording had bij te brengen;
 Gelet op het requisitoir van den heer officier van justitie, aan deze Regtbank overgelegd, daartoe strekkende, dat de Regtbank, overeenkomstig de artt. 384 j∘. 381. no. 4, 386, nº. 1, 67, al. 3, 52 en 55 Strafregt, art. 2 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. nº. 102), artt. 207, 216 en 270 Strafvord., de beklaagden zal schuldig verklaren aan het haar ten laste gelegde feit, en te dier zake veroordeelen tot gevangenzetting van zeven en een half jaar, solidair in de kosten van het geding, des noods te verhalen bij lijfsdwang, met bevel tot restitutie der overtuigings-stukken aan de regthebbenden, de tweede bij verstek;
 Gelet op de verdediging der eerste bekl.;
 Gelet op de remise, uitgesproken ter openbare teregtzitting van 28 Sept. ll. tot op heden;
 Overwegende, dat uit de onder eede afgelegde verklaringen der getuigen, versterkt door de volledige bekentenis der eerste bekl., voor zooveel haar zelve betreft, wettig en overtuigend bewezen is, dat de beklaagden, Maria en Geertje Bek voornoemd, wetende dat het hun eigendom niet was, en zonder daartoe verlof te hebben bekomen van den eigenaar of regthebbende, mitsdien zich arglistig hebben toegeëigend en ontvreemd te Baarland:
 1. op 20 Julij 1868, in de woning en ten nadeele van a. F. Kleynput, eene som gelds, ten bedrage van ƒ 17.50, en b. van J. Machielse, weduwe P. Bal, dienstbode aldaar, eene dood met kindergoed, waarin tien mutsen, een hemdrok, een voordoek en een wit katoenen hemd, en wel door middel van een raam op te schuiven en daardoor in huis te klimmen;
 2∘. op 31 Julij 1868, uit dezelfde woning, ten nadeele van F. Kleynput voormeld, eene dood met eenige babbelaars, en, ten nadeele van genoemde J. Machielse, eene dood met naaigoed, een zijzak en een beuk, op dezelfde wijze als het vorige feit gepleegd; en
 3∘. op 1 Aug. 1868, uit diezelfde woning, ten nadeele van genoemde J. Machielse, vijf doeken, twee mutsen, een beuk, eene schaar, een stopnaald, garen, sajet en oude lappen, door door de deur van het varkenshok te komen;
 O. dat deze feiten daarstellen: twee diefstallen in bewoonde huizen, door twee personen, door middel van inklimming, en een diefstal in een bewoond huis door twee personen;
 O. dat de schuld der beklaagden daaraan uit voorschreven bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen, en hiertegen is voorzien door na te noemen wetsbepalingen;
 O. dat, alhoewel, blijkens overgelegde geboorte-extracten, de beklaagden den ouderdom van zestien jaar nog niet hebben bereikt, evenwel uit het geregtelijk onderzoek regtens voldoende gebleken is, dat de beklaagden ten deze met oordeel des onderscheids gehandeld hebben;
 Gezien artt, 384 j∘. 381, n∘. 4, 386, n∘. 1, 66, 67, al. 3, 69, 52 en 55 Strafregt, art. 2 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. nº. 102), artt. 207, 216, 270 Strafvord., van welke door den heer president zijn voorgelezen, en welke dus luiden:
 Art. 66. Zoo, wanneer de beschuldige beneden de zestien jaren oud is, zal hij, indien het uigemaakt is, dat hij zonder oordeel des onderscheids gehandeld heeft, vrijgesproken worden.
 Art. 67. Zoo het uitgemaakt is, dat hij met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, zullen de straffen uitgewezen worden als volgt:  Indien hij in de doodstraf, de straf van eeuwigen dwangarbeid of van wegvoering naar een oord van ballingschap vervallen is, zal hij tot de straf eener tien- of twintig-jarige gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden.
 Art. 384. Met dwangarbeid voor een tijd zal gestraft worden al wie schuldig is aan dieverij, gepleegd met behulp van eenige middelen, bij het 4de hunner nummer van art. 381 vermeld.
 Art. 381, nº. 4. Met het tuchthuis zullen gestraft worden degenen, die schuldig zijn, 4º. dat zij de misdaad begaan hebben, hetzij met inklimming in een bewoond huis of dat tot bewoning dient.
 Art. 386, nº. 1. Ingeval de dieverij is gepleegd door twee of meer personen op eene plaats, die bewoond was of tot bewoning diende.
 Indien hij in de straf van den dwangarbeid voor een tijd of in die van tuchthuis vallen is, zal hij tot gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden voor een derde op het minst en voor de helft op het hoogst van den tijd, waarvoor hij tot eene dezer straffen had mogen veroordeeld worden.
 Art. 69. Indien de schuldige niet dan in eene der boetstraffen vervallen is, zal hij tot zoodanige boetstraffen veroordeeld mogen worden, als gepast zal bevonden worden, mits deze straffe beneden de helft zij van die, welke hij ondergaan zou, zoo hij zestien jaren oud ware geweest;
 Regt doende enz.,
 Verklaart de beklaagden schuldig aan de hiervoren omschreven en gequalificeerde feiten;
 Veroordeelt haar deswege ieder tot eene gevangenzetting van zeven en een half jaar en in de kosten van het deing, solidair verhaalbaar bij lijfsdwang, nader te verevenen bij staat;
 Beveelt de teruggave der overtuigings-stukken aan den eigenaar of regthebbende;
 Alles bij verstek, voor zooveel de tweede bekl. betreft.

 Aldus gedaan, gevonnisd en uitgesproken ter openbare teregtzitting te Goes, den 5 Oct. 1868, in tegenwoordigheid van den heer officier van justitie en het bijwezen van de beklaagden; bij de heeren Mrs. J. J. van Deinse, president, P. J. van Voorst Vader en J. G. de Backer. regters, en F. J. Tyndall de Veer, subst.-griffier, dewelke hebben geteekend.