Zondagsblad van het Volksdagblad/Jaargang 1/Nummer 14/Sociologie

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sociologie. Egoïsme, Indivisualisme, Anarchisme [2]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 13 maart 1915
Titel Sociologie. Egoïsme, Indivisualisme, Anarchisme
Tijdschrift Zondagsblad van het Volksdagblad
Jg, nr, pg 1, 14, ?
Zondagsblad van het Volksdagblad vol 001 no 014 Sociologie column 1.jpg Zondagsblad van het Volksdagblad vol 001 no 014 Sociologie column 2.jpg
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

Sociologie.

Egoïsme, Individualisme, Anarchisme. 1)

(Vervolg.)

      Het volk is verraden.
      De volkswil is vernietigd.
      Weet ge wat dat beteekent? Beseft gij wel de verschrikking van deze groote waarheid; de grootste waarheid wellicht van de twinstigste eeuw? Weet ge hoe deze waarheid luiden moest? Zij moest luiden: de Diplomatie, – het Imperialisme – de Werelddiplomatie, – het Wereldimperialisme is vernietigd. Zoo was de verwachting en wat is de uitkomst?.... Het volk, het gansche volk heeft zijn Egoïsme prijsgegeven; het volk het gansche volk heeft zich, – zijn bloed, – zijne ziel, – zijne spieren, – tot voedsel gegeven aan het ijzeren monster: de werelddiplomatie.

      Het Egoïsme van het gansche volk is ten gronde gegaan of juister, het volks-egoïsme heeft zich opgelost in het nationaal-diplomatisch egoïsme.

      Zoo aanstonds zal het groote monster, dat Imperatorisch Egoisme heet, den kop boven den donkeren horizon, van waar eens de toekomst verwacht werd, opsteken; het zal den bloederigen kop opsteken, zeg ik, en grijnzen zal het boven het gebogen volk.
      Dan zal het volk bedenken, dat het zijn groote zaak verloren heeft, omdat het zijn Egoïsme niet kende.
      Het volk, dat meende, dat zijn egoïsme bestond in de kleine belangen van loon en arbeid, en zich in slaap liet wiegen door meer van het eerste en minder van het tweede te krijgen, zal na zijn vernedering, – dus te laat –, inzien dat het egoisme der diplomatie en vorsten, grooter en verder, dieper en hooger ging dan zijn eigen egoïsme.

      Het volk zal moeten beseffen dat het alleen groot en sterk kan zijn door een volks-egoïsme. Dat is ’n hoog en krachtig, ’n ver en diep egoïsme; dat is ’n individualisme van het gansche volk, van het wereldvolk.
      Dat is niet het egoïsme van kleine belangen en geschillen, noch het egoïsme van krenten en brood, van uren en stuivers, maar dat is ’n egoïsme van de ziel, van de ziel van gansch een volk; van de volksziel.
      Eerst dan, wanneer deze ziel bewust leeft en zich kennen laat, zal het volk zich zelf zijn, d.i. zal het volk individualistisch zijn.
      Want daarin juist bestaat het onderscheid tusschen egoïsme en individualisme.

      Individualisme is: handelen van uit persoonlijke gevoelens en inzichten en de onmogelijkheid deze persoonlijke gevoelens en inzichten – ten koste van wat ook – prijs te geven.

      Zoolang het volk van zijn egoïsme niet veroverd heeft, zal het zich steeds oplossen in het egoïsme van anderen.
      Daardoor, – doordat ’t volk geen individualisme bezit –, is het volk te gronde gegaan.
      Daardoor – doordat de diplomatie wèl individualisme bezit –, heeft de imperialistische diplomatie het volk vernietigd.
      Daardoor, – doordat het volk eenmaal den nek gebogen heeft –, zal het slechts met de grootste inspanning van al zijn krachten, uit zijn gebogen houding overeind kunnen komen. En het zal eerst dàn overeind komen, het zal eerste dàn zelfstandig worden, wanneer het zich ’n ijzersterk individualisme, – ’n individualisme van: „Wij, het volk..” –, veroverd heeft.

      Waarom bezitten wij geen groote volkskunst? Waarom bezitten wij geen volkswijsbegeerte? Waarom bezitten wij geene groote èn echte volksliteratuur?
      Waarom geen volkswetten?
      Waarom? Omdat het volk nooit het individualisme veroverd heeft; omdat het volk eeuwig het werktuig is geweest van een ander individualisme; een individualisme, dat zich van eeuw tot eeuw gehandhaafd heeft met pijl en zwaard met het bloed en de leugen. Omdat kunst, wijsbegeerte, literatuur, enz. uitdrukkingen van het individualisme zijn.
      Om die reden bezitten wij wel een kunst, een wijsbegeerte, een literatuur, enz. van het imperialisme.
      Om diezelfde reden blijft het volk vreemd en koud tegenover de uitdrukkingen van het imperialistisch individualisme; vreemd en koud tegenover zijn kunst, zijn wijsbegeerte en zijn literatuur.
      Op den hoogsten trap van de ladder egoïsme begint het individualisme.
      Eerst dan, wanneer alle treden van die ladder [b]eklommen zijn, kan het volk aan een revolutie gaan denken.

      Want revolutie is het uitvloeisel van individualisme of nog beter: revolutie is de botsing van twee elkaar weersprekende individualismen.

      Bij het individualisme begint de adel der zelfstandigheid.
      Bij het individualisme begint het koninkrijk van den mensch.
      Bij het individualisme begint het heilig recht tot de revolutie.

      Wee de honden, die de muilen vol hebben over volksbelangen en het ééne groote belang: het individualisme, niet leeren.
      Wee de blinden, die zich laten leiden door de slechte honden!
      Wee de verraders, die het volk willen verkoopen voor geld en brood en niet leeren den adel van het individualisme, zonder welke eigenschap van de ziel, de mensch noch evolueert, noch zelfstandig en vrij wordt.

      Het socialisme heeft het individualisme bestreden: daarin was zijn val besloten. Dat het nog dieper valle! Dat het verpletterd worde. 2)

      Het burgerlijk socialisme kon niets tot stand brengen, – het had woorden, phrasen en manke beloften –, maar het kon niets uitrichten; het was en is machteloos. Het kon alleen klein-burlijk-egoïstische belangetjes nahollen en daarover kwijlen; uren, dagen lang. Het kon beloven – maar van uit het duffe egoïsme van krenten en stuivers kan men geen overwinning beloven; de overwinning van gansch het volk.
      Daartoe is heel iets anders noodig!

      Voor elke overwinning is noodig: de adel der zelfstandigheid; het regelmatige tempo van de individualistische kracht; de heiligheid van het enthousiasme en de boven-menschelijke inspanning van den wil.

THEO VAN DOESBURG.


      1) Zie Zondagsblad no. 11 van 20 Februari.

            (Wordt vervolgd.)