Zwarte Diamanten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
                            Zwarte Diamanten


The Big Hole

Kimberley is zo ongeveer de saaiste stad die een mens zich maar kan voorstellen. De nederzetting telt weliswaar zo’n honderdvijftig duizend zielen, maar ‘s avonds is daar bijna niemand van terug te vinden. De enkeling die er trek in heeft z’n huis te verlaten, spoedt zich dan maar naar één van de drie, naar Amerikaans model opgetrokken, hamburgerrestaurants om er iets onsmakelijks te eten. Maar verder zie je niemand op straat, niemand. En toch is Kimberley, tweehonderd kilometer ten zuid-westen van Johannesburg, een toeristische attactie. Want dagelijks landen er hier vliegtuigen vol met nieuwsgierigen, die met eigen ogen ‘The Big Hole’ willen zien. ‘s Werelds grootste, met menselijke spierkracht gegraven diepe put, waar avonturiers vroeger op zoek gingen naar het grote geluk: de diamant. De mijn is nu uitgeput, maar als toerist kun je in een schommelend stoeltje, hangend aan een onzeker kabelbaantje van punt A naar punt B en terug, om dit wonder met eigen ogen te aanschouwen. En dat was het dan weer, nog even één van de drie hamburgertenten bezocht en dan maar weer terug naar plaats van herkomst.


Joseph Oliphant

Een zestigtal kilometers ten noordwesten van Kimberley, waar de temperatuur tot ziedende hoogte op kan lopen, is Joseph Oliphant, een zwarte Afrikaner, in een op een maanlandschap gelijkend gebied bezig met het uitgraven van zijn ‘claim’ op zoek naar diamanten. Vijftien bij vijftien meter rode aarde heeft Joseph in onderhuur van zijn blinde buurman, want de zestig rand (ongeveer 35 gulden) die nodig is om dit stukje grond tot het zijne te maken, heeft hij niet. Consequentie is, mócht Oliphant een stukje diamant vinden, hij de helft van de opbrengst aan zijn buurman zal moeten afdragen. Alles gaat met de hand. Schep en pikhouweel zijn de enige gereedschappen waar Joseph het mee moet doen. Emmertje na emmertje wordt naar gelijkvloers gesjouwd, gezeefd en met water gewassen, dag in dag uit. Oliphant is vijfenvijftig jaar, maar hij ziet er zeker dertig jaar ouder uit. Dikke zweetdruppels lopen tappelings langs zijn donkere, uitgemergelde gezicht over z’n gescheurde kleren naar beneden. Z’n ogen liggen diep in hun kassen en zijn zwart/blauw omrand. Twee ondertanden heeft hij nog in z’n mond en op z’n kale hoofd ligt een wit petje die hem beschermt tegen de genadeloos brandende zon. Hij doet dit onmenselijke zware werk al vanaf z’n twaalfde jaar. Bijna z’n levenlang stond hij voor blanke bazen met een pikhouweel in deze rode aarde te beuken. Het was voor zwarten verboden zelf een claim te bezitten, maar sinds acht jaar mogen zwarten voor zichzelf werken en claims kopen bij de plaatselijke mijnbouwautoriteiten, na het overleggen van een delversplan. De kans echter dat deze kleine zwarte ‘diggers’ zullen stuiten op een ‘Schaapskop’, een diamant van om en nabij de twintig karaat, is zo goed als uitgesloten, want in de voorafgaande honderd jaar is dit gebied bijna volledig door blanke Zuid-Afrikaanse diggers uitgekamt. Het is inmiddels alweer bijna twee jaar geleden dat Joseph Oliphant in dit zelfde stukje grond stuitte op een diamantje van 2 karaat (2 bij 2 mm.), voor hem dus alle reden om door te gaan met graven. Die Schaapskop móét er zijn is zijn heilige overtuiging en het leven zal dan beter worden: “Het is een kwestie van geluk om op een diamant te stuiten, je moet het gewoon proberen mijn vriend”, verteld hij aan ons, “vorig jaar heb ik niks gevonden, maar dit jaar zal het beter worden, dit jaar gaat ‘t gebeuren, ik voel ‘t. Want ik heb God gebeden om me te helpen en ik heb goede hoop dat ik die hulp ook krijg”. Het bestaan van een zwarte Afrikaner diamond-digger is hard, bikkelhard. Bijna niets is er veranderd sinds de politieke omwenteling een paar jaar geleden, zo constateren wij. De regering van Mandela heeft nog weinig voor mensen als Joseph Oliphant kunnen doen. Wel mag hij nu naast een blanke in de bus zitten en in dezelfde supermarkt inkopen doen, maar geld voor beide mogelijkheden heeft hij niet. Op papier is alles nu gelijk, maar de achterstand van zwarten in dit land is gigantisch, bovendien worden bijna alle uitvoerende posten nog steeds door blanken bezet. Oliphant is analfabeet, maar spreekt wel vier talen. Afrikaans, Engels, Zoeloe en z’n eigen stammentaal. Als hij iets op papier moet zetten, citeert hij dat aan z’n achtentwintigjarige dochter. Ze is afgestudeerd apothekerssassistente, maar kans op werk is zo goed als uitgesloten vanwege haar huidskleur. Om haar dochter en zoon te kunnen voeden, verkoopt ze bier aan blanke diamant-diggers.


De laatste kameraad

Het is zaterdagmiddag en tergend langzaam schuift de grijze Mercedes met chauffeur van Roelof (Pik) Botha tussen traditioneel ritmisch dansende zwarte Afrikaners door. Ze zijn op weg zijn naar het Orlandostadion, waar een herdenkingsdienst wordt gehouden voor de minister van huisvesting Joe Slovo, die eerder deze week op achtenzestigjarige leeftijd aan beenmergkanker is overleden. Zingend nemen ze afscheid van hun held, die zoveel jaren voor de rechten van de zwarten in Zuid Afrika heeft gestreden. Joe Slovo en Pik Botha zaten de afgelopen zeven, acht maanden samen in het kabinet. “We ontmoetten elkaar voor het eerst toen het ANC en de regering samenkwamen op vier mei 1990. We namen tegengestelde standpunten in en ik viel zijn communistische ideologie aan. Maar Slovo was een oprecht en eerlijk mens, met veel gevoel voor humor, ondanks zijn pijnlijke ziekte de laatste tijd. Ik heb hem leren kennen als een fantastische collega, die voor zijn zaak stond”, zegt Botha naast zijn chauffeur die de limousine omzichtig door de mensenmassa manoeuvreerd, “Ondanks onze uiteenlopende inzichten hebben we toch veel respect voor elkaar gekregen de afgelopen maanden”. Slovo was communist in hart en nieren en nam het altijd voor de minder bedeelden en met name de zwarten op. De kranten schreven deze week: ‘Hij heeft lang genoeg geleefd om het eind van de apartheid mee te maken. Maar te kort om de door hem zo gedroomde eerlijke verdeling in Zuid-Afrika te zien ontstaan’. Hoe waar dat ook mag zijn, Slovo was de eerste die besefte dat zelfs het eeuwig leven voor hem niet toereikend zou zijn, om een eerlijke samenleving in Zuid-Afrika te realiseren. De zwarte bevolking van Zuid-Afrika treurt vandaag massaal om het verlies van een blanke anti-apartheidssstrijder van het eerste uur. Het stadion is bomvol en Botha loopt, ondanks zijn racistische verleden, zwaaiend naar het overwegend zwarte publiek op weg naar het ereterras, waar hij plaats neemt naast Nelson Mandela. Nadat ze elkaar hartelijk de hand hebben geschut, klinkt er ‘Lang leve de geest van kameraad Joe Slovo’, uit de speakers. Een koor van zwarte vrouwen zingt de ‘Internationale’ en een reeks aan toespraken volgt. Telkenmale worden de sprekers toegejuicht door het overladen stadion. Op hetzelfde moment luistert Joseph Oliphant, samen met zijn vriend Victor Chambalala, onder het dak van over elkaar geschoven platen ijzer naast zijn huisje, naar een ruizende en krakende transistorradio. Rechtstreeks zijn ze getuige van de herdenkingsdienst ver weg van hier. Een ijzerdraadje van een meter of vier, dat als antenne dienst doet, zorgt ervoor dat de ontvangst nog enigszins acceptabel is en hij de gebeurtenissen vanuit het Orlando-stadion kan volgen. De regen klettert op het dak, onweer dondert tussen de heuvels door. De mannen raken ontroerd van de uitzending, tranen staan in hun ogen en Joseph citeert, na de radiouitzending, zijn dochter wat feiten en wetenswaardigheden die hij zojuist heeft gehoord. Geduldig schrijft de vrouw alle woorden uit Joseph’s mond in zijn dagboek.


Red Diamond Diggers

Verderop, op een afstand van nauwelijks vijfhonderd meter van de claim van Joseph Oliphant, kijkt Sam Cloete toe hoe één van zijn enorme graafmachines steeds maar groter en dieper wordende kraters in de aarde hapt. Cloete, vijfenveertig jaar, is één van de rijkste ‘diamont-diggers’ van Kimberley. Vijftien jaar geleden besloten Sam’s vader, zijn broer en hij zakelijk uit elkaar te gaan, nadat hun garagebedrijfje tegen een faillissement was aangelopen. Sam werd diamond-digger en zocht, maar vond ook zijn grote geluk in een drietal claims, waarin hij, net als Joseph Oliphant, eigenhandig zijn pikhouweel zette. Maar het geluk lachte Sam, in tegenstelling van Joseph Oliphant wél toe, want binnen een tijdsbestek van drie maanden vond hij twee grotere diamanten. “Maar ja”, zo vertelt hij trots, “in plaats van op mijn lauweren te gaan rusten en tegen een boom te gaan zitten rentenieren, investeerde ik mijn verdiende geld in een graafmachine die voor mij het werk ging doen. Ik kocht nieuwe claims en investeerde in personeel om meer en dieper te kunnen graven”. Sam, maar vooral ook z’n vrouw Judith, kapster van origine, zijn gelovige mensen zoals zoveel blanke Afrikaners. Hij schrijft dan ook een belangrijk deel van zijn succes toe aan hogere machten. “Want, tien jaar geleden toen mijn vrouw en ik financieel volledig aan de grond zaten en geen geld hadden om zelfs maar boodschappen te kopen voor het weekend, kwamen we op een vrijdagmiddag thuis en op de aanrecht stond een grote boodschappentas gevuld met etenswaar. Tot op de dag van vandaag weten we niet waar die vandaan kwam. En korte tijd later vond ik m’n eerste grote diamant”. Inmiddels woont de familie Cloete in een meer dan riante bungalow met zwembad in een dure buitenwijk van Kimberley. Een oldtimer-Jaguar en de splinternieuwe Chevrolet Corvet staan in de garage.

We zijn een dag te gast bij Pik Botha, die na zijn functies als ambassadeur in Zimbabwe en minister van buitenlandse zaken, nu minister van mijnbouw in het nieuwe kabinet is. Hij laat ons trots, vanuit een van staal opgetrokken uitkijktoren, zijn prachtig onderhouden tuin zien. Onweer rommelt dreigend vanuit de heuvels in onze richting. “Voordat ik deze bomen, die jullie hier om ons heen zien, plantte, kon ik vanuit mijn huis in de verte Cullinan zien liggen. Daar is ooit de grootste diamant van Zuid-Afrika gevonden. Dat deed ons Zuid-Afrikaners indertijd veel en mij in het bijzonder. Die gebeurtenis gaf ons Afrikaners een gevoel van trots. Misschien is het wel daarom, vanuit de affiniteit met die gelukszoekers, dat ik nu minister van mijnbouw ben. Ik zit hier graag, hier hoog boven mijn tuin”, zegt hij met een merkwaardig Zuid-Afrikaans accent, “het geeft me een gevoel van rust en kan hier lekker in m’n eentje de dingen op een rijtje zetten”. We genieten tot op zekere hoogte met hem mee, maar ons gevoel is toch een tikkeltje ambivalent, als we het doorgroefde zwetende gezicht van de minder bevoorrechte Joseph Oliphant, vijftig kilometer verderop, steunend en beukend in zijn gehuurde claim, in gedachten voor ons zien. “Maar nu moeten we hier toch wegwezen”, zegt Botha, “want de bliksem komt dichterbij en dan wordt het levensgevaarlijk hier hoog in dit stalen huis. De kans is niet geheel uitgesloten dat we hier straks met z’n vieren worden geëlectrocuteerd”. Botha is gastvrij, maar dat is wel een beetje uit eigenbelang, want hij ziet in onze aanwezigheid een prachtig middel zijn beschadigde blazoen in het buitenland wat op te poetsen. We krijgen een rondleiding in zijn reusachtige huis die, mag het ook een onsje meer zijn, is vergroot met een aantal aangebouwde vleugels. De uit de hand gelopen bungalow heeft meer weg van een museum dan van een woonhuis, want overal hangen tropheeën aan de wand, gecompletteerd door oorkondes, schilden, foto’s en geschenken van bevriende machtigen der aarde.

Gigantische draglines rijden heen en weer op het uitgestrekte winplaatsen van Sam Cloete en scheppen per dag honderden tonnen aarde in klaarstaande over-sised vrachtwagens. De gevaartes vervoeren de rode gravel op hun beurt naar onwaarschijnlijk grote schudmachines, die grote stukken steen van kleinere zullen scheiden. Via dit oorverdovende schuddende en stampende kabaal, lopen we langs een hele serie lopende banden en komen bij een wat kleinere versie van wat we zojuist hebben gezien. Vanaf daar wordt het alleen maar spannender. Een aantal zwarte werknemers wassen de aarde met water, scheppen de kleine steentjes op een zeef en brengen het tot bij de man, een neef van Sam, die met een stukje ijzer de steentjes behoedzaam op een eventuele gouden vondst inspecteert. “De man die hier de eindcontrole doet”, zo vertrouwd Sam ons toe, “moet ik voor driehonderd procent kunnen vertrouwen. Want niet alleen moet hij de hele dag heel geconcentreerd zijn werk doen, maar een stukje diamant is ook zo gestolen”. Het is hier niet elke dag goud wat er blinkt, want afgelopen week is er, na het afgraven van honderden en nog eens honderden tonnen aarde, geen enkel stukje diamant gevonden. Behalve heel hard werken, gaan geluk en bijgeloof hand in hand in het bestaan van een diamond-digger. Sam Cloete draagt dan ook altijd een rood petje op z’n werk. “Ik werk nooit zonder dit petje”, zo zegt hij, “want het dragen van zo’n petje is al jaren een traditie in deze omgeving, dat brengt geluk. De diggers werden dan ook om die reden de ‘Red Diamond Diggers’ genoemd”. Vandaag is Sam Cloete, samen met een zwarte dragline-chauffeur, bezig met het afgraven van een stuk proefgrond. Nadat enkele tonnen gravel zijn verplaatst, stapt Sam op de grijper en laat zich tot diep in de put afzakken om de aarde op eventuele diamantsporen te controleren. “De voortekenen zijn gunstig”, zo meldt hij ons even later weer gelijkvloers gekomen, “want we zijn hier gestoten op oude tunnels van diggers uit de jaren dertig. En die waren niet gek, dat kan ik je wel verzekeren”. Bovendien betreft het hier veengrond en de grond is hier bezaaid met grote brokken ronde en ovale stenen, ook al geen slechte indicatie. “Volgens mij zitten we hier goed”, lacht Sam. De komende weken zal dit dus het werkterrein zijn van Cloete en zijn werknemers, die voor gemiddeld 200 Rand per man op de loonlijst staan. De kans is volop aanwezig dat Cloete zijn vondsten binnenkort aan de diamantinkopers op de ‘zaterdagmarkt’, in het naburige Barkley zal verhandelen en zijn bankrekening flink zal laten uitdijen.


Krâb jij mà jonge

Joseph Oliphant heeft geen bankrekening. Vandaag helpt hij, tegen minimale betaling, zijn vriend Victor Chambalala, die in zijn claim niet ver van die van Joseph aan het ploeteren is. Zelfgemaakte pijp in z’n mond, diepe kraaienpoten rond zijn ogen. Joseph’s hulp is nodig hard vandaag, want er moeten brokken steen van rond de honderd kilo met pikhouwelen uit de aarde worden losgetrokken en stuk voor stuk naar boven gezeuld. Bovendien is het vandaag baby-en wasdag. Vele emmers zand worden op een, met de hand bediend schutapparaat gestort, die in het vakjargon ‘de baby’ wordt genoemd, vanwege z’n heen en weer wiegende bewegingen. Het zand wordt hier losgeschut van de steentjes, vervolgens schepje voor schepje in een roterende bak gegooid en met water gewassen. Water dat tegen betaling van drie Rand per ton, vanuit een rivier beneden naar de claim wordt gebracht door jongens uit de omgeving op een ‘donkey-cart’. Dit werk frustreert de twee mannen dagelijks, want ze zijn nu al een jaar bezig aan een gat van vijf bij vijf meter zonder iets gevonden te hebben. De gedachte dat hun buurman Sam Cloete met z’n graafmachines verderop over dezelfde afmetingen vijf minuten doet, maakt de mannen meer dan moedeloos en ziek tegelijk. De strijd is uitzichtloos en ongelijk. Bovendien zijn kleine zwarte diggers als Oliphant en Chambalala razend op de kersverse minister van mijnbouw en energie Pik Botha, want alweer een nieuwe verordening maakt melding dat de diggers alle gaten die ze door de loop der jaren hebben gegraven in dit gebied, eigenhandig moeten dichtgooien. Dat betekent voor de zwarten op z’n minst een jaar werk zonder inkomsten. “In Johannesburg in hun riante kantoren hebben ze geen idee waar ze het over hebben. Laat Pik Botha zelf maar eens komen kijken hoe we hier moeten ploeteren. Op deze manier worden de kleine zwarten weer op het niveau van dertig jaar geleden teruggezet. Het is een grof schandaal, de apartheid is hier nog volop aanwezig in dit verdoemde land”, scheldt Joseph en met weemoed denkt hij terug aan de man die het voor de zwarten opnam tot het eind, Joe Slovo. Maar toch hebben de twee mannen dagelijks hun visioenen over de twintig karaat diamant die hier ergens in hun stukje grond verborgen moet zitten. “Kom dan toch Schaapskop, kom dan toch!”, roepen ze in koor. Terwijl Victor Chambalala met een ijzeren voorwerp de wanden van zijn claim afkrabt, op zoek naar iets dat glinstert, moedigt Joseph Oliphant hem aan: “Krâb jij mà jonge, krâb jij mà!!”.


Karel Poort, 1996/2017 - Bronnen: GPD-bladen/Dagblad De Morgen, België