Album der Natuur/1854/Planten van Pompeji, Lubach

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Planten van Pompeji (1854) door Douwe Lubach
'De Planten van Pompeji' werd gepubliceerd in Album der Natuur (derde jaargang (1854), pp. 16–21. Dit werk is in het publieke domein.
[ 16 ]
 

DE PLANTEN VAN POMPEJI.

MEDEGEDEELD DOOR

Dr. D. LUBACH.

 

 

Het is algemeen bekend, dat de aan de golf van Napels gelegene stad Pompeji, en de naburige steden Herculanum en Stabiae, in het jaar 79 van onze tijdrekening, onder de regering van titus, bij eene hevige uitbarsting van den Vesuvius onder asch en lava bedolven zijn. Bekend is het almede, dat bij die gelegenheid de geleerde c. plinius secundus het slagtoffer werd van zijne zucht, om die uitbarsting van zoo nabij mogelijk waar te nemen. Eeuwen lang bleven de genoemde steden begraven onder den door de uitwerpselen des vulkaans gevormden bodem; men kon zelfs niet eens met volkomene zekerheid aanwijzen, waar zij eenmaal gelegen waren. Eindelijk, in 1750, ontdekte men toevallig hare ligging,—maar het duurde nog geruimen tijd, eer men van deze ontdekking door planmatige opgravingen behoorlijk partij trok. Thans echter liggen zij, voor een groot gedeelte vrij, vooral Pompeji; men aanschouwt daar, nog frisch en ongeschonden, de huizen, de straten, de tempels, de schouwplaatsen van eene stad uit den bloeijendsten tijd van Rome; en de voorwerpen, in de woningen gevonden, de schilderijen, die nog hare wanden versieren, vergunnen ons een levendig en getrouw denkbeeld te vormen van de maatschappelijke en huisselijke toestanden van hen, die eens, door die voorwerpen omringd, leefden en werkten.

Ook voor den natuurkenner heeft die als uit het graf herrezene stad, die "stad des doods,"[1] zooals bulwer haar noemt, eene eigenaardige belangrijkheid. Er is veel, wat hem daar een' dieperen blik doet slaan in de kennis, welke de ouden hadden van de natuur [ 17 ]en hare voortbrengselen, en in de wijze, waarop zij van die kennis gebruik wisten te maken. Maar bovendien wordt hij daar in staat gesteld om, althans in het algemeen, te kunnen beoordeelen, welke de natuurvoortbrengselen waren in dat gedeelte van Italië gedurende de eerste eeuw onzer tijdrekening, en in hoeverre het verloop van zoovele eeuwen daarin verandering heeft gebragt.—Waren b.v. alle planten, die tegenwoordig in de omstreken van Pompeji groeijen of aangekweekt worden, ten tijde van haren ondergang reeds in Italië bekend? Over deze vraag vooral verspreiden de oudheden van Pompeji, in verband met hetgeen wij dienaangaande uit de schriften der Ouden besluiten mogen, veel licht. Den lezer, die in hare beantwoording eenig belang stelt, verzoek ik om met mij, onder het geleide van den Deenschen plantkundige j.f. schouw, te onderzoeken, welke van de thans in Italië algemeen voorkomende en gebruikelijke planten aan de inwoners van Pompeji al dan niet bekend waren.

 

 

Twee hoofdbronnen zijn het, waaruit men de kennis putten kan der planten, die aan de inwoners van Pompeji, Herculanum en Stabiae bekend waren. Deze zijn: de te Pompeji en in de beide andere vernielde steden gevondene schilderijen en andere voorstellingen van planten,—en de aldaar gevondene overblijfselen van planten zelve. Met het eerstgenoemde hulpmiddel moet men echter voorzigtig zijn. Natuurlijk zijn vele voorstellingen van planten zoo weinig kennelijk, dat zij niet bepaald kunnen worden, even als dit in onzen tijd ook het geval zoude zijn. En wanneer de plant al duidelijk te onderkennen is, zoo is het daarom nog niet uitgemaakt, dat zij bij Pompeji voorkwam; want dikwijls werd ook de plantengroei van vreemde landen afgebeeld. Zoo vindt men veelmalen de natuur aan de boorden van den Nijl voorgesteld: moerassige streken met den Lotus en de Egyptische boon (Nelumbium),[2] het nijlpaard, den krokodil, de ichneumon, eenden, en [ 18 ]aan den oever den dadelpalm,—b.v. in het voetstuk van het beroemde mosaïek, op hetwelk, naar men meent, alexander en darius voorgesteld zijn. Dikwijls zijn ook die voorstellingen enkel phantasie-beelden, b.v. een laurierboom, die uit een dadelpalm groeit, ja als uitlooper uit zijne wortelen voorkomt,—eene physiologische onmogelijkheid. Dit doelt misschien, gelijk tenore meent, op de zonderlinge gewoonte der Ouden, om de meest verschillende gewassen zoo digt bij elkander te planten, dat zij het aanzien verkregen als of zij slechts ééne plant uitmaakten.

Tot de boomen, die thans veel bijdragen om de Italiaansche landschappen hun eigenaardig karakter te geven, behooren de pijnboom en de cypres. Beiden waren bij de Ouden aanwezig; daarvan getuigen de schrijvers, en ook de afbeeldingen in Pompeji, want de pijnappel wordt meermalen afgebeeld gezien; te Herculanum heeft men ook verkoolde pijnkernen gevonden. In de landschappen, die de wanden der kamers van de Pompejanen versierden, vindt men den cypres zeer dikwijls voorgesteld, en somtijds in vereeniging met den pijnboom. Eene derde soort van naaldboom, die aan de landen rondom de Middellandsche zee eigen is, de Aleppische den, vindt men ook te Pompeji afgebeeld.

Dit is mede het geval met den oleander, die thans de oevers der rivieren versiert, en met het klimop, dat muren en boomstammen bekleedt. Daarentegen zijn er twee gewassen, die heden ten dage eene beduidende rol in de Italiaansche landschappen spelen, maar die oudtijds niet in Italië groeiden. De zoogenaamde aloë, beter agave, die door hare groote, vleezige bladeren, en haren hoogen, kandelabervormigen bloemsteng, bij de landschapschilders zoo geliefd geworden is, en die men overal rondom de Middellandsche zee, zoowel aangebouwd als verwilderd, aantreft, is men aan Amerika verschuldigd, en zij kon dus den Pompejanen niet bekend zijn. De Indische vijg, uit de groep der cactusplanten, die in het oog loopt door haren bijzonderen vorm, hoofdzakelijk door hare platgedrukte bladvormige takken, eene plant, die thans in de landen aan de Middellandsche zee even algemeen is als de aloë, en even als deze verwilderd wordt aangetroffen, is ook uit [ 19 ]Amerika afkomstig. Men vindt dan ook te Pompeji even zoo weinig sporen eener afbeelding van dezen zoo eigendommelijken plantenvorm, als van de aloë.

Of er van ouds ook enkele dadelpalmen zonder rijpe vruchten in Italië werden aangetroffen, even als thans het geval is, is twijfelachtig. Wel vindt men deze boomen vaak afgebeeld; maar over het algemeen in verband met Egyptische onderwerpen, of in symbolische beteekenis. De dwergpalm daarentegen heeft toen ongetwijfeld dezelfde rol gespeeld, als thans, want theophrastus verhaalt, dat zij op Sicilië zeer algemeen was; dit nu is nog het geval, terwijl zij aan de golf van Napels slechts spaarzaam wordt gevonden.

Wenden wij onzen blik op de verbouwde planten, zoo maken de meeste reizigers, wanneer zij Pompeji bezoeken, voor 't eerste kennis met de boomwolkultuur. Digt bij de ruïnen van Pompeji vinden wij velden met de katoenstruik beplant, van welke plant hier ter plaatse de noordelijke grens voor Italië is. Van deze gewigtige plant vinden wij in de gedenkteekenen der oudheid geen spoor; uit andere bronnen weten wij, dat zij bij de Ouden slechts als eene Indische, en, volgens latere schrijvers, tevens als eene Egyptische plant bekend was, en dat eerst de Arabieren haar in de landen aan de Middellandsche zee verspreid hebben.

Eene andere plant, welke thans, middelijk, eene gewigtige kleeding-plant in Italië is, te weten als voedsel voor den zijworm, is de witte moerbezieboom. Ook deze was den inwoneren van Pompeji onbekend. In hunnen tijd werd zijde beschouwd als een allerkostbaarst uitlandsch artikel van weelde. Eerst in de zesde eeuw kwam de zijde- en moerbezieteelt naar Europa.

Onder de graansoorten bekleedde bij de oude Romeinen de tarwe den eersten rang; ook de gerst was algemeen; daarentegen ontbraken de meer noordelijke graansoorten, de haver en de rogge. Te Pompeji zijn verkoolde tarwe- en gerstkorrels gevonden. Aan eenen muur vindt men eene fraaije afbeelding van eenen kwartel, die gerstkorrels uit eene aâr pikt. Als tegenhanger van deze afbeelding vindt men een' anderen kwartel voorgesteld, die aan een aâr [ 20 ]van vogelgierst (Panicum italicum) trekt, welke plant alzoo toen ter tijd almede bekend was.

Daarentegen ontdekken wij geene teekeningen van de door haren vorm zoo kenbare maïs maar wij weten ook, dat men deze aan Amerika verschuldigd is. Thans wordt zij in de omstreken van Pompeji verbouwd.

Ook rijst vindt men niet; zij was toenmaals tot Oost-Indie beperkt. Ook thans nog wordt zij bij Pompeji niet verbouwd, maar wel elders in Italië. Of de Doerra of Sorgho aan de Ouden bekend was, of eerst door de Arabieren naar Europa is gebragt, is onzeker; de afbeeldingen te Pompeji geven ons dienaangaande geene opheldering.

Van peulvruchten vinden wij paardeboonen in verkoolden toestand, die volkomen op de hedendaagsche gelijken.

Op schilderijen, die keukenonderwerpen voorstellen, vindt men een bos aspergies afgebeeld, welke echter waarschijnlijk wilde zijn, die thans even als toen gegeten worden; het schijnt, dat de Ouden de gekweekte aspergie niet gekend hebben. Op andere afbeeldingen komen uijen, radijzen, rapen en eene kleine soort van kalabas voor. De Pomo d'Oro (Lycopersicum esculentum), die uit Amerika afkomstig is, kenden de Ouden niet.

De olijfboom heeft ten tijde der Pompejanen dezelfde belangrijke rol gespeeld, als thans; daarvan geven trouwens de schrijvers getuigenis. Veelvuldig vindt men olijftakken afgebeeld, en in een te Pompeji opgegraven glas heeft men ingelegde olijven gevonden die met de hedendaagsche volkomen overeenkwamen, en die nog hunnen smaak bezaten, toen zij opgegraven werden.

De ooftsoorten, die in dit gedeelte van Italië thans het meest gebruikt worden, zijn druiven en vijgen; deze vindt men ook het meest voorgesteld op de vele vruchtstukken, die op de wanden te Pompeji worden aangetroffen. De wijnstok speelde buitendien eene gewigtige rol, daar hij aan bacchus geheiligd was, en wij vinden hem dan ook in vele voorstellingen in verband gebragt met de vereering van deze godheid.

Dikwijls treffen wij ook op vrucht- en dierschilderijen peeren, [ 21 ]appelen, kersen, amandelen, pruimen, perziken, granaatappelen en mispels aan.

Sommigen hebben gemeend te Pompeji den ananas afgebeeld te vinden. Daar echter de ananas voor eene Amerikaansche vrucht gehouden wordt, zoo zou dit al. zeer opmerkelijk zijn. Doch het op eenen schotel geplaatste voorwerp, dat men voor eene ananas gehouden heeft, is naar tenore's zonder twijfel zeer gegrond vermoeden, niets dan de top van een jongen dwergpalm, welke ook thans nog op Sicilië gegeten wordt.

Van veel meer beteekenis is het gemis van den chinaasappel, van den oranjeappel, van den citroen en den cedraatappel. Het is volkomen zeker, dat men deze ten tijde van plinius in Italië niet kweekte; hij verhaalt, dat men vergeefsche moeite gedaan had om den "medischen appel" (den cedraatappel) naar Europa te verplanten. Eerst in de derde eeuw begon men dien in Italië te kweeken; de citroenen en oranjeappels kwamen later naar Europa, waarschijnlijk door de Arabieren; het laatst kwam de chinaasappel, die uit China afkomstig is, en door de Portugezen naar Europa werd gebragt.

Wij zien dus, dat sedert den bloeitijd van Pompeji de plantenwereld, in het bijzonder ten opzigte der verbouwd wordende gewassen, aanmerkelijke veranderingen heeft ondergaan, en dat, terwijl de oude inwoners van Pompeji ten aanzien van menigerlei levensgenot, en vooral van kunstgenot, zoo veel boven de hedendaagsche vooruit hadden, zij desniettemin eenige belangrijke gewassen ontbeerden, welke de vooruitgang der geographische kennis en de uitbreiding van het handelsverkeer aan hunne nakomelingen verschaft hebben. De gewigtigste onder de later bijgekomene voortbrengselen zijn rijst, maïs, katoen, zijde en oranjeappels. Italië was derhalve toenmaals nog niet


.... "das Land wo die Citronen blühn,
Im dunklen Laub die Gold-Orangen glühn."

 

 

  1. Zie Errata voor opmerking hierover (Wikisource-ed.)
  2. Zie over deze plant het opstel van den Hoogleeraar de vriese, getiteld: "Waterleliën" in het eerste deel van dit werk, bladz. 314.