Album der Natuur/1859/Dr. Barth's reizen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dr. Barth's reizen in het centrale gedeelte van Afrika (Vervolg en slot) (1859) door onbekend
'Dr. Barth's reizen in het centrale gedeelte van Afrika (Vervolg en slot),' werd gepubliceerd in Album der Natuur (achtste jaargang (1859), pp. 300-309. Dit werk is in het publieke domein.


[ 300 ]
 

DR BARTH'S REIZEN IN HET CENTRALE GEDEELTE VAN AFRIKA.

 

(Vervolg en slot. Zie Album der Natuur, 1858, bl. 183.)

 

 

Wij hebben den reiziger barth in Kuka of Kukaua (Koeka naar onze uitspraak) verlaten, na den dood van zijnen reisgenoot overweg in September 1852. In deze hoofdstad van Bornoe vertoefde hij nog tot den 25 November, om toen westwaarts te trekken. In den aanvang van December trok barth over de rivier Komadoeyne, die oostwaarts naar het meer Tsaad stroomt, en alzoo met den Niger niets gemeen heeft. Door de provinciën Manga en Bedde zijnen weg nemende, trok hij vervolgens noord-westelijk naar een, vroeger zelfs naauwelijks bij naam bekend district Moenio, hetgeen noordwaarts in de groote woestijn tot den 14° N.B. vooruitspringt, terwijl deze naar het oosten tusschen het meer Tsaad zich verder naar de linie uitstrekt. De hoofdstad, de residentie van den stadhouder van Moenio, is Goere, met 9000 tot 10,000 inwoners, aan de helling van eenen rotsachtigen heuvel in terrassen aangelegd. Herhaalde malen gewaagt het verhaal des reizigers van de koude nachten, die hier, in de nabijheid der zandwoestijn, in December den thermometer somtijds tot 4,5° celsius deden dalen (omtrent 40° fahr.), terwijl deze op den middag somtijds 27 tot 28° C. hooger stond, 't geen met onze warmste zomerdagen van de laatste [ 301 ] drie jaren overeenkomt. Bij Badamoeni zag de reiziger twee meren, waarvan het eene zoet, het andere zout water bevatte, en die ook door de kleur van het water kennelijk onderscheiden waren, niettegenstaande zij door eene verbinding van honderd treden met elkander zamenhingen.

In de nabijheid hiervan ligt de oude stad Mirria, die, voor de grondlegging van Sinder, de hoofdplaats van het westelijk Bornoe was. De bewoners dezer streken behooren grootendeels tot het Haoessa-ras. Sinder, de tegenwoordige hoofdplaats, vormt de verbinding van Soudan met het noorden aan de westzijde van Bornoe en wordt door karavanen, met zout en andere waren beladen, druk bezocht. In deze plaats bleef barth tot den 30 Januarij 1853, terwijl hij zich van het hem hier toegekomen geld allerlei zaken kocht, die hem, op zijne verdere reizen naar het westen, tot geschenken aan de verschillende grootere en kleinere gebieders en aanzienlijke ambtenaren konden dienen, welke hem op zijnen togt hunne bescherming moesten verleenen; geschenken zijn in al deze streken omtrent met inkomende regten en visitatiën der paspoorten in Europa te vergelijken. Door bergachtige, gedeeltelijk boschrijke en onveilige streken, gedeeltelijk door talrijk bevolkte dorpen, trok barth verder westelijk en zuidwestelijk, tot hij den 4 Februarij voor de poorten van Katséna kwam, welke stad hij vóór twee jaren reeds bezocht had, en waar hij door den stadhouder mohammed bello met allerlei afpersingen gekweld geworden en tegen zijnen zin eenigen tijd opgehouden was. Thans vond barth den stadhouder beter gestemd, en maakte hem zeer gelukkig door een paar kleine pistolen, die nu door dezen buitensporigen man gedurig werden afgeschoten, dikwerf voor het gezigt van hen, die hem ontmoetten. Van hier maakte barth de reis naar Sokoto in gezelschap van den Ghaladima (stadhouder) dier plaats, die zich toen te Katséna bevond. Op deze reis moest barth het digte en uitgestrekte bosch van Goendoemi doortrekken, waartoe een etmaal noodig was, terwijl de onveiligheid der streek niet vergunde te verpoozen, en eene stilte bij den togt gebood, die voor den inboorling van Afrika den last van den marsch verdubbelt, welke bij anders door zijn opwekkend gezang gewoon is te verligten.

Het eerste dorp of de eerste bewoonde plaats, die westwaarts van deze wildernis gelegen is, Gaoessoe, was toen de legerplaats van het opper[ 302 ] hoofd of den sultan van Sokoto, alioe, den zoon van bello, die uit clapperton's reize bekend is. Barth werd vriendelijk door dezen sultan ontvangen. Na eenige dagen, toen het leger opgebroken was, vertrok barth naar Woerno, de tegenwoordige hoofdstad en residentie van Sokoto, met eene bevolking van ongeveer 15000 zielen. Deze stad is digt bevolkt, maar bestaat grootendeels uit tamelijk onregelmatig geplaatste woningen of liever hutten van klei, met daken van stroo bedekt. Op de terugkomst des sultans moetende wachten, maakte barth zich den tijd ten nutte, om het op 4 uren afstand van Woerno gelegen Sokoto te bezoeken. In Mei vertrekt hij vervolgens van Woerno, vertoeft wederom eenige dagen te Sokoto, en trekt door een landschap, waar heuvelen en dalen afwisselen, naar Gando, eene door heuvels omringde stad, de residentie van een ander opperhoofd der Foella's, chaliloe. De plantengroei is hier welig en de hoeveelheid regen, die jaarlijks valt, aanzienlijk. Zoo nadert barth steeds meer en meer tot den stroom, welks loop zijne aandacht vooral tot zich trekt, den beroemden Niger, die echter door de inboorlingen nergens dus genoemd wordt, maar bij verschillende volkstammen in zijnen langen loop verschillende namen ontvangen heeft, Djoliba of Oeliba bij de Mandingo's, Kuara of liever Koeara bij de Kombori's en Eghirreoe bij de Toearegs, uit welken laatsten naam het woord Niger wel zou kunnen ontstaan zijn, dat door edrisi en leo africanus op onze kaarten gekomen is.

Na op den 20 Junij het kleine dorp Tondifoe, waar hij overnacht had, verlaten te hebben, en eene rotsachtige, met kreupelhout bedekte streek in twee uren te zijn doorgetrokken, zag barth de eerste schemering van de zilverkleurige watervlakte der rivier, en stond een uur later aan de plaats, waar hij de rivier moest overtrekken, tegenover de stad Ssai aan den anderen oever. Van Ssai af verwijderde zich echter de reiziger weder van de rivier, om westwaarts aan de zuidzijde van den Niger door Sourhay te trekken, tot aan het, zuidwaarts van Timboektoe, onder nagenoeg denzelfden meridiaan gelegen Ssarayamo, waar hij een zuidelijken arm der rivier aantrof. Een groote boot, die met eene lading zout en tabak en met eene menigte passagiers, gedurende het verblijf van barth, van Timboektoe in dit stadje aankwam, werd door [ 303 ] hem voor zijn uitsluitend gebruik gehuurd, en hierop bragt hij nu zijne, sedert hij Katséna verlaten had, vrij wat verminderde pakgoederen over, en scheepte op den laatsten Augustus op dit vaartuig in, vervuld met een vrolijk gevoel, dat hij thans op dezen stroom tot Timboektoe toe zijne reis zou vervolgen. De tak der rivier, waarop barth zich bevond, was hier en daar met eene grasplant, byrgoe genaamd, zoo bedekt, dat het niet altijd mogelijk was er door heen te roeijen, en men zich met moeite door polsstokken eenen weg kon banen. Dat byrgoe is in deze gewesten een hoofdvoeder voor paarden en runderen, en dient ook ter bereiding van een zoeten drank. Eenige mijlen verder werd het water breeder en vrijer; het gras en riet werd spaarzamer, hoewel witte waterleliën, hier en daar op de watervlakte drijvend, het bleven versieren. Kort na de stad Ssan-yome te zijn doorgevaren, vereenigde zich een westelijke arm of liever de eigenlijke hoofdrivier Majo balleo of Issa (Niger) met het water, waarover de reiziger heen roeide. Beide armen omgeven een uitgestrekt eiland, Kora genoemd.

Na een kort eind verder naar het Noorden gerigt te zijn geweest, buigt de rivier zich onder eenen regten hoek naar het Oosten. Boven deze kromming der rivier ligt aan een' engen arm de haven van Timboektoe, Kabara, in vroegere berigten ook Kabra genoemd. Hier kwam barth op den 5 September aan. Het stadje telt nagenoeg twee duizend inwoners, grootendeels van den volkstam der Sonrhay's, terwijl de beambten tot den heerschenden stam der Foelben behooren. De korte afstand van Kabara tot Timboektoe vormde, in den verwarden toestand der toenmalige regering, een niet geheel veiligen weg. Het is eene dorre zandstreek, die evenwel, bij eenen hoogen stand der rivier, gedeeltelijk door thans uitgedroogde zijarmen van den Niger doorsneden wordt.

Toemboektoe of Timbuktu, hetgeen door de Toeareg's gesticht is (in het laatst der elfde eeuw onzer tijdrekening), heeft in de geschiedenis der Afrikaansche volken eene belangrijke beteekenis, en is door zijne ligging een middelpunt des handels en der verbinding van verschillende Afrikaansche staten geworden. De groote westelijke weg der karavanen, van Marokko door de woestijn, loopt hierop ten Noorden [ 304 ] uit, en van het Zuidwesten levert de Niger eenen handelsweg met de, boven de kust van Guinea gelegen landstreken.

Men moet de belangrijkheid eener Afrikaansche landstad, gelijk ritter teregt aanmerkt, niet naar denzelfden maatstaf berekenen als wij bij eene handelstad van Europa bezigen, en dus hier ook geene talrijke schoone gebouwen, geene prachtige paleizen verwachten. Wij zien hier veeleer een voorbeeld van 't geen de handel eertijds in de staten der oudheid was, en zulke plaatsen als Timboektoe zijn der halve belangrijk voor het begrip van het verledene [1]. Voornamelijk wordt hier goud en zout in- en uitgevoerd, want de stad is slechts eene marktplaats, en bestaat door den transito-handel. Behalve in deze twee waren (hoezeer het naar onze begrippen eenigzins vreemd is goud als eene koopwaar te beschouwen) wordt ook veel handel gedreven in Goero- of kola-noten, wier aangenaam bitter het water der woestijnen smakelijk maakt, én die eenigermate de plaats der koffij vervangen.

Volgens de door Dr. petermann naar de reisrouten en afstandsmetingen van barth ontworpen kaarten, die bij het laatste deel der reisbeschrijving gevoegd zijn, zien wij nu de ligging van Timboektoe op 17° 37' N. Br. en 3° 5' W. lengte van Greenwich aangewezen. De bevolking bestaat misschien slechts uit 13000 vaste inwoners, maar wordt vooral in de wintermaanden met 5000 of meer handeldrijvende vreemden, Arabieren, Moorsche kooplieden der woestijn en Mandingo's, versterkt. De eenige merkwaardige gebouwen zijn de drie groote Moskeen; overigens zijn de woningen huizen van klei (misschien 980 in getal) en hutten van matwerk, van eenen ronden vorm. Zulk eene stad kan men niet met onze Europesche handelsteden vergelijken. Vroeger was zij nogtans aanzienlijker, en strekte zich meer naar het Noorden uit; thans heeft haar plan eene driehoekige gedaante, waarvan de grondvlakte naar de rivier (naar het Zuiden) gekeerd is.

De Sjeik el bakay ontving barth vriendelijk, en nam hem onder zijne bescherming, hetwelk, bij het heerschend fanatismus der bevolking, tot zijne veiligheid hoog noodig was. Daar evenwel el bakay een zeer besluiteloos en zwak karakter had, werd barth, zeer tegen [ 305 ] zijn zin, lang in Timboektoe opgehouden, en moest met den Sjeik somtijds eenigen tijd buiten de stad in eene legerplaats vertoeven.

Eerst in Mei 1854 trekt barth naar het oosten, langs den linkeroever, de noordzijde van den Niger, door Aoessa; de zuidelijke oever van den stroom wordt het landschap Aribinda genoemd. Terwijl de noordzijde aan de groote woestijn grenst, is het niet te verwonderen dat daar veel minder regen valt dan in Aribinda. Van Timboektoe stroomt de Niger eerst hoofdzakelijk oostwaarts, met eenige krommingen naar het Noorden gerigt. Het meest noordelijk punt der rivier bereikt zij op 18° N. B., digt bij 2° W. L. van Gr., meer dan 120 mijlen oostwaarts van Timboektoe bij Terarart. Hier verandert de rivier hare rigting in eene zuidoostelijke. Verscheidene grootere en kleinere eilanden vertoonen zich midden in den stroom. Een rotsachtig eiland van aanzienlijke grootte en een klip van den regteroever sluiten bij Tinalschiden de rivier binnen eene enge bedding, van naauwelijks 500 passen breedte, tusschen steile wanden in, waar de stroom zeer sterk is. Ongeveer onder den meridiaan van Greenwich wordt nu de hoofdrigting der rivier eene zuidelijke. Hier ligt Gogo of Garho, vroeger de hoofdstad van het Sonrhay-rijk, thans een dorp van omstreeks 400 hutten. Nu begint de rivier in haren zuidelijken loop zich meer en meer naar het oosten te keeren, en stroomt eindelijk tusschen 15° en 13° N. B. zuidoostelijk naar Ssai, waar barth den 30 Julij 1854 wederkwam, na eene afwezigheid van dertien maanden.

Van Ssai trok barth door Dendi en Kebbi naar Gaudo, en kwam den 24 Augustus te Sokoto terug; in Woerno vertoefde hij van den 30 Aug. tot den 4 October, trok vervolgens, eenigermate meer zuidwaarts dan bij zijne uitreize, over Gandi door het vroeger vermelde bosch van Goendoemi naar Kano terug. Van hier begaf hij zich weder naar Kuka, en had op deze reize in een bosch bij Boendi (29 Nov.) eene onverwachtte ontmoeting met Dr. vogel, die zich naar Sinder begaf. Hoe aangenaam deze gebeurtenis was, kan men ligt begrijpen, wanneer men nagaat, dat barth in meer dan twee jaren geen enkel duitsch of europeesch woord gehoord had. In een vertrouwelijk gesprek zaten weldra beide onverschrokken landslieden op den grond van het bosch neder, tot zij door de karavaan, in welker geleide [ 306 ] vogel reisde, werden aangetroffen. Na eene korte scheiding, bleven zij later nog eenigen tijd te Kuka bijeen. Hier moest echter barth nog lang na het vertrek van vogel vertoeven, om zijn in Sinder achtergelaten eigendom, waarvan de veroveraar abd e rhaman zich had meester gemaakt, gedeeltelijk terug te ontvangen. Eerst in den aanvang van Mei verliet hij deze stad in gezelschap van een Teboe-koopman, kolo, en trok nu wederom, in eene meer oostelijke rigting dan bij zijne uitreize, door de groote woestijn, en kwam den 13 Julij in Moersoek terug. Onder gewone omstandigheden kon de reiziger rekenen, dat hier alle bezwaren en moeiten van zijnen togt overwonnen waren. Maar de onderdrukking der Turksche Regering had oproerige bewegingen in deze gewesten doen ontstaan, die de reis eenigen tijd vertraagden, en barth noodzaakten, om gedeeltelijk van den gewonen weg af te wijken. Barth werd daardoor nog eenige dagen te Ssokna opgehouden, een met beplantingen van Dadelpalmen en vruchtboomen versierd stadje, welks inwoners een bijzonder dialect der Berbertaal spreken. Van hier trok hij langs eenen westelijken weg (trik el Merhoma genoemd) naar Tripoli, terwijl hij onder weg nog in het dal Wadi Semsen eene ontmoeting had met Arabische opstandelingen, van welke hij echter in vrede afscheid nam, en die hem versche kameelen verhuurden om zijne reis te bespoedigen. Zoo bereikte barth eindelijk in de laatste dagen van Augustus Tripoli, vertoefde er slechts vier dagen, stak toen met eene Turksche stoomboot naar Malta over en maakte hier wederom van eene stoomboot naar Marseille gebruik, vanwaar hij over Frankrijk zich onverwijld naar Engeland begaf; den 6 September kwam hij te Londen aan.

Wanneer men het kort verhaal van dezen togt gevolgd heeft, en daarbij de nieuwste kaarten van Afrika raadpleegt, die vóór deze ontdekkingsreize waren uitgekomen, zal men zien niet slechts welk eene groote uitgestrektheid van het centrale Afrika door dezen reiziger doortrokken werd, maar ook hoevele streken hij het eerst onder alle Europeanen heeft bezocht, waaromtrent men geene of slechts zeer onvolledige berigten had. Door deze reis is bepaaldelijk de loop van den Niger tusschen Timboektoe en Ssai eerst bekend geworden, die op de kaarten alleen door gissingen bepaald of volstrekt niet was [ 307 ] aangewezen. Timboektoe zelve werd tot nog toe door slechts zeer weinige Europeanen bezocht. De majoor laing was er geweest, doch kort na zijn vertrek van daar als slagtoffer van zijne onderneming door de fanatieke bevolking vermoord. Dat de Noord-Amerikaansche matroos adams, die, tengevolge van eene schipbreuk, in Afrika had rond gezworven (1810), in Timboektoe was geweest, wordt door barth, misschien wel wat stellig, tegengesproken. De stoutmoedige Fransche reiziger caillé bezocht in 1828 Timboektoe, maar kon er slechts korten tijd vertoeven, en bevond zich door gebrek aan hulpmiddelen niet in staat naauwkeurige berigten in te zamelen.

Bedenkt men al de bezwaren eener reis, als van welke wij thans gewaagden, dan moet de gelukkige uitkomst onze deelneming opwekken. De geldsom, die deze onderneming heeft gekost, is zeer gering te noemen, ongeveer 10,000 daalders (V.S. 453). Was de reiziger beter ondersteund geweest, dan had hij zich uit vele moeijelijkheden gemakkelijker kunnen redden. Maar, behalve dat hij de laatste twee jaren geenen Europeaan tot togtgenoot bij zich had, moest hij ook bijkans geheel van alle berigten uit Europa verstoken blijven, waartoe het gerucht van zijnen dood, dat in Europa verspreid en algemeen geloofd was geworden, veel bijdroeg. Hij bevond zich dan te midden van halve barbaren, in slecht beheerde gewesten, waar de inwoners tegen elkander verdeeld waren, gedurig blootgesteld aan de hebzucht der bedelende grooten. Reeds het betaalmiddel, waarvan men zich bedient, om zijne benoodigdheden te kunnen inkoopen, vormt in deze gewesten eenen grooten omslag, en vermeerdert den last der pakkaadje. Nu eens zijn het repen katoen, elders vooral schelpen of liever horens (de bekende Cypraea moneta), hier koerdi genoemd (naar de taal van Haoessa), die als geld worden gebezigd. Hoewel zij in mattenzakken van 20,000 bijeengepakt waren, worden zij echter bij betaling uitgeteld! Hoeveel tijdverlies en daarenboven hoeveel ballast op de reize! Wij worden hier overigens aan eenen vroegeren toestand in Europa, in ons eigen vaderland, herinnerd, toen, volgens het kleine kroniekje van leeghwater, eijeren de gewone pasmunt waren, vóórdat in het laatst der zestiende eeuw de toevloed van zilver aanzienlijk genoeg geworden was om overal geld in omloop te brengen.

[ 308 ] Van den kinderachtigen geest der volken, die barth bezocht, kunnen vele verhalen over de gesprekken, die hij met opperhoofden had, overvloedige bewijzen geven. Wij hebben reeds van de aan mohammed bello geschonken pistolen gewaagd. Nu eens zijn het speeldoozen, dan weder harmonika's, die de verrukking dezer Grooten opwekken, en het spelen op een Akkordion, met eenige geweerschoten gepaard, buiten de muren van het stadje Geschia, is genoeg om de bewoners met schrik te vervullen, en het verblijf van den reiziger te beveiligen. Het fanatismus der Mohammedanen noodzaakt den reiziger zich eenigen tijd tegen zijn zin als een Arabier te doen beschouwen, maar bereidt hem nieuwe gevaren, terwijl hij in Ssarayano gedrongen wordt in eene verzameling van aanzienlijken en grooten een Arabisch gebed om regen op te zenden, waarop gelukkig in den volgenden nacht een zwaar onweder volgt. Voeg bij al het genoemde nog de afmattende hitte, de ongezonde woningen, die door witte mieren en allerlei ongedierte dikwerf bijkans onbruikbaar zijn, het gemis van alle Europesche verkwikkingen en gemakken, en de vrees om te midden van vreemden, ver van den geboortegrond, als slagtoffer der onderneming te bezwijken. Wij begrijpen dan volkomen de aandoeningen van barth, toen hij Tripoli aan het einde zijner omzwervingen bereikt had, en vooral toen hij de zee weder zag, die in onzen tegenwoordigen toestand der beschaving het voorname middel van onderling verkeer der volken geworden is, een veiliger reisweg dan de landwegen der karavanen door een wijd uitgestrekt vast land. "Toen wij tot de stad naderden, die ik (zoo schrijft barth aan het slot zijns verhaals) voor vijf en een halfjaar verlaten had, en die mij in de poort van rust en veiligheid toescheen, vloeide mijn hart van vreugde over, en, na eene zoo lange reis door kale woestijnen, was de indruk, dien de rijke plantengroei in de tuinen rondom de stad op mij maakte, buitengemeen; doch nog verreweg grooter was de indruk van het aanschouwen der onmetelijke vlakte der zee, welke in het donkerste blaauw in den helderen zonneschijn voor mij lag. Het was de prachtige, in vele golven en bogten uitloopende Middellandsche zee, de wieg der Europesche beschaving, die van mijne vroegste jaren af mijn verlangen, het voorwerp van mijn ijverig onderzoek geweest was, en toen ik veilig en behouden [ 309 ] aan hare kust kwam, voelde ik mij zoozeer van erkentelijkheid jegens de Goddelijke voorzienigheid vervuld, dat ik bijkans van mijn paard was gestegen, om aan het strand tot den Almagtige mijn dankgebed op te zenden, die door alle gevaren, die mijn pad omringden, zoo wel van door godsdiensthaat mij vervolgende menschen als van een mijne gezondheid bedreigend klimaat, mij zoo zigtbaar aan Zijne hand had geleid."

 

 

  1. C. ritter, Erdkunde I. 21e Ausgabe, 1822. S. 460.