Algemeen Handelsblad/Jaargang 91/Nummer 29344/Avondblad/Tijdschriften

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tijdschriften
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 26 november 1918
Titel Tijdschriften
Krant Algemeen Handelsblad
Jg, nr 91, 29344
Editie, pg Avondblad, Derde Blad, 9
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

TIJDSCHRIFTEN.

Oude kunst.

      Dr. J. Six deelt bijzonderheden mee omtrent de voorstelling eener schilderij van Johannes Vermeer die werd afgebeeld in Les Arts (no. 62 j.g. 1917) en toebehoort aan generaal De Villestreux, wiens vader het in 1860 te Den Haag had gekocht. Op bedoelde reproductie afgaande, heeft dr. Six gevonden, dat het schilderij, een stadsgezicht van Rhenen voorstelt, het zoogenaamde Kerkplein, in den volksmond Hooge Kerkhof geheeten, met een hoek van de St. Cunerakerk. Dr. Six beschrijft de situatie uitvoerig en besluit, dat het voor de hand ligt, aan te nemeu, dat dit stuk één is van de 21 schilderijen van Vermeer, die op 16 Mei 1696 te Amsterdam werden geveild. Reproducties lichten het geschrevene toe.
      In hetzelfde nummer schrijft de heer J. W. Enschedé over Hollandsche katoendruk en sits en geeft P. C. Korteweg eenige aanteekeningen over oud Limburgsch aardewerk naar aanleiding van het hier uitvoerig vermelde opstel daarover van dr. A. Willemse.

De Stijl.

      „De Stijl” begint zijn tweeden jaargang met een inleiding van de redactie. Tevens publiceert het blad een manifest, in vier talen, dat zoodra ’t verkeer met het buitenland is hersteld, van uit verschillende kunstcentra verspreid zal worden; het luidt als volgt:
      Er is een oud en een nieuw tijdsbewustzijn
      Het oude richt zich op het individueele.
      Het nieuwe richt zich op het universeele.
      De strijd van het individueele tegen het universeele openbaart zich, zoowel in den wereldkamp als in de kunst van onzen tijd.
      De oorlog destructiveert de oude wereld met haar inhoud: de individueele overheersching op elk gebied.
      De nieuwe kunst heeft naar voren gebracht heteeen het nieuwe tijdsbewustzijn inhoudt: evenwichtige verhouding van het universeele en het individueele.
      Het nieuwe tijdbewustzijn staat gereed zich in alles, ook in het uiterlijke leven, te realiseeren.
      Traditie, dogma’s en de overheersching van het individueele (het natuurlijke) staan deze realiseering in den weg.
      Daarom roepen de grondleggers der nieuwe beelding allen, die in de hervorming der kunst en kultuur gelooven op, deze hinderpalen der ontwikkeling teniet te doen, zóó als zij in de nieuwe beeldende kunst — door natuurlijken vorm op te heffen — hebben te niet gedaan, hetgeen de zuivere uitdrukking der kunst, de uiterste consequentie van alle kunstbegrip belemmert.
      De kunstenaars van heden hebben, gedreven door éénzelfde bewustzijn over de geheele wereld, op geestelijk terrein deelgenomen aan den wereldkamp tegen de overheersching van het individualisme, de willekeur. Zij sympathiseeren daarom met allen, die, hetzij geestelijk of materieel, strijden voor de vorming van een internationale eenheid in Leven Kunst en Kultuur.
      Het orgaan „De Stijl”, dat zij met dat doel hebben opgericht, tracht bij te dragen de nieuwe levensopvatting in het licht te stellen.”
      Aan het slot van het door de schilders Van Doesburg, Huszar, Kok en Mondriaan, de architecten Van ’t Hoff en Wils en den beeldhouwer Van Tongerloo geteekende stuk wordt meewerking verzocht.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Theo van Doesburg, Robt. van ’t Hoff, Vilmos Huszar, Antony Kok, Piet Mondriaan, G. Vantongerloo en Jan Wils (november 1918) ‘Manifest I van „De Stijl”, 1918’, De Stijl, jrg. 2, nr. 1, p. 2-3.
  • Anoniem (30 november 1918) ‘Een Manifest’, De Opmerker, 53e jaargang, nummer 48, pp. 377-379.
  • J.P.M. (18 januari 1919) ‘Manifest van „De Stijl”, 1918’, Bouwkundig Weekblad, 40e jaargang, nummer 3, pp. 17-18.
  • Ad Petersen (ed.; 1968) De Stijl [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968, Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, pp. 236-237.