Bekende monologen uit Shakespeares werk/Now is the winter of our discontent

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Now is the winter of our discontent

Auteur William Shakespeare
Genre(s) Dramatische poëzie, monologen
Brontaal Engels
Datering 1595
Vertaler *L.Ph.C. van den Bergh (1836)
*A.S. Kok (1873-1880)
*Leendert Burgersdijk (1886)
*Jules Grandgagnage (2012)
...
Bron Vier eeuwen vertalingen,
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Dramatische poëzie.
Auteursrecht Publiek domein of CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Meer over Now is the winter of our discontent op Wikipedia

Originele tekst van Shakespeare[bewerken]

(Richard the Third, Act I, scene 1; monoloog uitgesproken door RICHARD, de Hertog van Gloster.)

Now is the winter of our discontent
Made glorious summer by this sun of York;
And all the clouds that lour'd upon our house
In the deep bosom of the ocean buried.
Now are our brows bound with victorious wreaths;
Our bruised arms hung up for monuments;
Our stern alarums changed to merry meetings,
Our dreadful marches to delightful measures.
Grim-visaged war hath smooth'd his wrinkled front;
And now, instead of mounting barded steeds
To fright the souls of fearful adversaries,
He capers nimbly in a lady's chamber
To the lascivious pleasing of a lute.
But I, that am not shaped for sportive tricks,
Nor made to court an amorous looking-glass;
I, that am rudely stamp'd, and want love's majesty
To strut before a wanton ambling nymph;
I, that am curtail'd of this fair proportion,
Cheated of feature by dissembling nature,
Deformed, unfinish'd, sent before my time
Into this breathing world, scarce half made up,
And that so lamely and unfashionable
That dogs bark at me as I halt by them;
Why, I, in this weak piping time of peace,
Have no delight to pass away the time,
Unless to spy my shadow in the sun
And descant on mine own deformity:
And therefore, since I cannot prove a lover,
To entertain these fair well-spoken days,
I am determined to prove a villain
And hate the idle pleasures of these days.
Plots have I laid, inductions dangerous,
By drunken prophecies, libels and dreams,
To set my brother Clarence and the king
In deadly hate the one against the other:
And if King Edward be as true and just
As I am subtle, false and treacherous,
This day should Clarence closely be mew'd up,
About a prophecy, which says that 'G'
Of Edward's heirs the murderer shall be.
Dive, thoughts, down to my soul: here
Clarence comes

Nederlandse vertalingen in publiek domein[bewerken]

Vertaling van L.Ph.C. van den Bergh, 1836

Uit Bloemlezing uit de dramatische Werken van William Shak(e)speare[1]

GLOSTER

Nu werd de winter van onze ongeneugt
Een heldre zomer door de zon van York,
En al de wolken, zinkend Op ons huis,
Zijn nu begraven in het hart der zee.
Ons hoofd is met den zegekrans omhuld,
’t Getande zwaard ten denkmaal opgehangen,
Ons ruw alarm verkeerd in gulle feesten,
Ons marschlied tot een dartlen dans hervormd.
De grimme krijg ontplooit het rimplig hoofd,
En nu, in steê van ’t krijgsros te beschrijden
Tot schrik des woesten vijands, huppelt vlug
De krijgsman in der schoone vrouwen zaal,
Bij ’t dartele gekweel der zoete luit.
Maar ik, - tot scherts en jokken onbekwaam,
Die ’t minzot spiegelglas niet vleijen kan,
Ik, ruw gestempeld, zonder liefdepraal,
Om voor een dartel tripp’lend kind te pronken;
Ik, die van dezen schoonen vorm beroofd ben,
Bedrogen met mijn aanzicht door Natuur,
Mismaakt en onvoleind, en vóór mijn tijd
De wereld ingezonden, naauw ten halve;
En nog zoo lam en mislijk van gedaant,
Dat mij de honden aandoen, waar ik ga; -
Ik weet in dezen flaauw gestemden tijd
Geen tijdverdrijf tot korting van den dag,
Dan in de zon mijn schaduw te beschouwen
En van mijn wangestalt te redeneren.
En zoo - mits ik den minnaar niet kan spelen
Tot korting van den schoon bespraakten dag,
Wil ik voortaan den helschen booswicht spelen
En haten de ijdle vreugden van den dag.

Vertaling door A.S. Kok, 1880[2]
Nu werd de winter van ons ongenoegen
Een heldre zomer door de zon van York,
En al de wolken die ons huis bedreigden,
In ’t boezemdiep van d’ Oceaan begraven.
Nu sieren zegekransen ons de slapen;
Gekneusde waapnen dienen tot trofeeën;
Ons barsch alarm verkeert in vreugdgeschal,
De felle marsch in lustigen galop.
Nu heeft de krijg, van aangezicht zoo grimmig,
De rimplen in het voorhoofd glad gestreken,
En stapt — in plaats van op 't gepantserd ros,
Om ‘t hart des wrevlen vijands te verschrikken -
Behendig in de kamer van een jonkvrouw,
Om ’t wellustvol genot van luitmuziek.
Maar ik — voor schalksche treken niet gevormd,[3]
Of ’t minziek spiegelglas het hof te maken;
Ik, schaars bedeeld‚ en liefdes fierheid missend,
Om ’t dartel huplend nimfjen vóór te gaan;
Ik, arm in ’t schoon van welgevormde leden,
Door grillige Natuur mismaakt van wezen,
Wanstaltig, onvolkomen, vóór mijn tijd
Hier in dit land der levenden geplaatst,
Naauw half gereed en dat zóó lam en vormloos,
Dat honden, als ’k voorbij hink, naar mij blaffen:
Ik dan, ik heb bij ’t flaauw gefluit des vredes
Geen lust in ’t geen den tijd verdrijven kan,
Tenzij mijn schaduw in de zon te zien
En zelf met mijn wanstaltigheid te spotten.
En daarom nu, wijl ik als minnaar niet
Dees dagen van gesnap er door kan brengen,
Ben ik besloten om den schelm te spelen
En de ijdele vreugd van dezen tijd te haten.
Aanslagen heb ik in ’t geheim gesmeed,
Gevaarlijk was mijn toeleg om door schandschrift,
Een profecy der dronkenschap en droomen,
Mijn broeder Clarence en den koning ’t hart
Van doodelijken haat te doen ontbranden.
Is koning Eduard zóó trouw en deegelijk,
Als ik verraderlijk en valsch en listig,
Dan moet nog heden Clarence naar den kerker,
Dewijl men heeft voorspeld, dat eens een G
Aan Eduards geslacht brengt moord en wee.
Duikt neder in mijn ziel, o gij gedachten!
Want zie, daar nadert Clarence.

Vertaling door Leendert Burgersdijk, 1886[4]
Nu werd de winter onzer wreev'le stemming
Tot blijden zomer door de zon van York;
De zware wolken, die ons huis bedreigden,
Verzwolg de diepe schoot des oceaans.
Nu drukken zegekransen ons de slape;
Ons butsig wapentuig siert thans den wand;
Het slaggedruis vervangen vreugdegalmen,
De felle marschen zoete dansmuziek;
De krijg ontfronste 't norsch gerimpeld voorhoofd,
Bestijgt niet meer 't geharnast ros, en wekt
Geen angst in 't hart van schrikb're tegenstanders,
Maar huppelt, bij een eed'le gastvrouw, luchtig
Naar 't wulpsche welgevallen van een luit.
Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen,
Of om verliefden spiegels 't hof te maken,
Die, ruw gestempeld, liefdes adel mis,
Om een dart'le, vlugge nimf te boeien, -
Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan,
Van schoonheid stump'rig door Natuur verstoken,
Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg ter aad'ming,
Nauw half voltooid, de wereld ingezonden,
En daarbij nog verlamd en zoo mismaakt,
Dat honden, als ik hun voorbijga, bassen; -
Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien,
Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf,
Dan 't staren op mijn schaduw in de zon,
En 't heek'len van mijn eigen wangestalte;
En daarom, wijl ik niet voor minnaar deug,
Om dezen tijd van zoeten kout te korten,
Is mijn besluit genomen: 'k word een booswicht,
En zweer des tijds nietswaardig beuz'len haat.
Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid
Door dronken profecieën, briefjes, droomen,
Om bij mijn broeder Clarence en den koning
Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken;
En is de koning even waar en trouw,
Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar,
Dan wordt nog heden Clarence ingerekend,
Ter wille van een profecie, - dat G
Aan Edward's erven dood bereidt en wee. -
Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt.

Nederlandse vertalingen onder CC BY-SA licentie[bewerken]

Vertaling door J. Grandgagnage, 2012[5]
Nu is de winter van ons ongenoegen
Tot roemrijke zomer gemaakt door deze zo(o)n van York;
En al de wolken die op ons Huis wogen
Liggen nu in de diepe boezem van de oceaan begraven.
Nu zijn onze hoofden getooid met zegekransen;
Onze gehavende wapens voorgoed opgeborgen;
Krijgshaftig lawaai vervangen door vrolijk feestrumoer,
Onze vreselijke marsen worden beschaafd gedans.
De grimmige oorlogstronie is nu glad gemaakt
En in plaats van krijgspaarden te berijden
Die de zielen van de tegenstanders met angst slaan,
Trippelt hij elegant in de kamer van een dame
Op de wellustige klanken van een luit.
Maar ik, die ik niet geschapen ben voor zulk vertier,
En voor geen spiegel stil blijft staan;
Ik, die ruw gevormd ben en liefdesadel ontbeer
Om wulpse nimfen te kunnen bekoren,
Ik, aan wie de schoonheid is voorbijgegaan,
In mijn misvorming bedrogen door de natuur,
Mismaakt, onafgewerkt, te vroeg afgeleverd
In deze wereld voor mijn eerste ademteug,
Nog maar half opgebouwd, zo lelijk dat de honden
Blaffen als ik bij hen blijf stilstaan;
Ik, ik heb geen geen boodschap aan deze zwakke vrede,
Geen lust in tijdverdrijf, tenzij het bespieden
Van mijn eigen schaduw in de zon,
Of te zingen over mijn eigen misvorming;
En daarom, omdat een leven als minnaar
Voor mij niet is weggelegd in deze veelbesproken dagen,
Zal ik me als schurk bewijzen.
En de luie genoegens van deze dagen haten.
Intriges heb ik uitgespannen, gevaarlijke plannen gesmeed,
Die dronken dromen, smaad en profetieën in stelling brengen,
Om mijn broer Clarence en de koning
In dodelijke haat tegenover elkaar uit te spelen;
En als koning Edward zo waarachtig en rechtvaardig is
Als ik subtiel, vals en verraderlijk ben,
Dan zal Clarence vandaag nog de gevangenis ingaan
Vanwege een voorspelling, die zegt dat 'G'
Van Edwards erfgenamen de moordenaar zal zijn.
Duik snel, gedachten, in de diepte van mijn ziel: hier
komt Clarence.

Noten[bewerken]

  1. Tekst op Google books
  2. Tekst op Google books
  3. 'schalksche treken': waarschijnlijk een drukfout: schalksche streken ligt meer voor de hand
  4. Tekst op dbnl
  5. Bekende monologen uit Shakespeare