Boegwater

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken

Boegwater

Auteur Karel Poort
Genre(s) Boek (verhalenbundel)
Brontaal Nederlands
Datering 25-11-2008
Bron Het Mantelpakje (uitgeverij Aspekt, Soesterberg)
Auteursrecht
                     Boegwater


Samen met mijn toenmalige zwager, een nogal dominante oom, verre neef en een alleraardigst nichtje ging ik op weg naar het Molukse eiland Ceram, alwaar een grote schare familieleden vol verwachting op ons zat te wachten. Gevijven op elkaar gepropt in een door oom en neef zelf gebeitelde, maar veel te krappe prauw van vier meter lang, veertig centimeter breed en vanwege de broodnodige voortstuwing van het vaartuig een snorrende Johnson buitenboordmotor achterop gemonteerd.

Dageraad. Het was half vijf in de ochtend en het lekkere, oriëntaalse zonnetje zou alweer snel tevoorschijn komen vanachter het rijzige gebergte van het wonderschone eiland Saparua, vanwaar we uit het pittoreske dorpje Itawaka vertrokken. We moesten dwars over de Bandazee, een oceaan van zéker twee kilometer diep, zo had iemand ons eerder die week tijdens één der urenlange Molukse praatsessies toevertrouwd. Twee uurtjes varen was het slechts, en we waren op weg om familieleden envelopjes te gaan overhandigen op dat adembenemende Ceram. Envelopjes, geheel en al gevuld met knisperende, peperdure Hollandse dukaten, waar een deel van mijn ex-familie te aldaar vol verwachting naar uitkeek. Goed te begrijpen allemaal, gelet op het niveauverschil qua inkomstenderving tussen bezorgers en ontvangers, maar soms wordt het toch wel wat erg veel, dat bezorgen van al die waardevolle knisperingen in Molukse streken. Dus moet ik een ieder die in die contreien nog eens familiebezoekjes af gaat leggen, met klém aanraden om voor het op reis gaan een oriënterend gesprek aan te gaan met mijnheer Winthers van de afdeling hypotheken van de Rabobank en nog even snel voor het wegwezen een tweede tophypotheekje af te sluiten, want het kan allemaal aardig oplopen als je al die gevulde envelopjes bij elkaar optelt.

Maar ondertussen waren we, terwijl in het blauwgroene water onder ons het ene na het andere prachtig gekleurde koraalrif te bewonderen was, natuurlijk wél mooi in een zelf gebeitelde prauw op weg naar dat paradijselijke Ceram. En wat te denken van al die exotische, felgekleurde en dartel door het water schietende visachtigheden, onze voetjes lekker losjes buitenboord in het water kabbelend, een heerlijk zwoel windje twee tot tweeënhalf Beaufort in de rug en die gemonteerde Johnson ondertussen maar snorren en maar snorren en maar snorren. Kortom, het leven kan op sommige momenten toch echt de moeite waard zijn.

Na aankomst op dat overweldigend groene Ceram aan Zee, alwaar zeldzame papegaaiensoorten ons vanuit ontelbare kokos- en mangrovepalmen al krijsend verwelkomden, hebben we, behalve talloze huiskamertjes met breeduit redenerende ooms, kokende tantes en gewichtige neven, echter maar bitter weinig mogen zien van dat exotische Molukse eiland. Wel gastvrijheid alom, dat dan weer wel, in al die huiskamertjes. Ook veel van verse visjes namen we tot ons, en wie kan ons dat nou of afnemen of navertellen? Maar voor we het goed en wel in de peiling hadden werden we door de steeds strenger wordende oom alweer gesommeerd om ons bij zijn zelf gebeitelde prauw te vervoegen, want het was de hoogste tijd om op te stappen en terug te varen richting Saparua, alwaar ongetwijfeld een verrukkelijk kopje thee of zwarte koffie met suiker op ons zou staan te wachten. Inmiddels was er wel een strak windje drie plus op komen zetten, dat het ons lastig, zo niet bijna onmogelijk maakte de baai van Ceram uit te varen. Maar de oom vond dat echter geen enkel probleem want hij had diverse keren eerder met dat bijltje gehakt, dus zijn we op zijn aandringen dan toch maar op weg gegaan naar waar we die ochtend vroeg van waren vertrokken.

Maar helaas, voor we goed en wel de baai uit waren gevaren was onze prauw al zo ongeveer tot de helft toe volgelopen met binnen spetterende boegwateren en besloot de oom om dan toch maar rechts om keert te maken. Eenmaal weer vaste grond onder de voeten was ik, ondanks het zo goed als onoverkomelijke taalprobleem, met onmiddellijke ingang en behulp van handen, voeten en uiterst merkwaardige bekken-trekkenrijen begonnen om een werkloos liggende speedboot te organiseren die het ons qua terugvaart naar dat beeldschone Saparua een stuk makkelijker zou gaan maken, en zónder binnenstromende boegwateren dit keer. Maar de oom liet mij via mijn zwager weten dat hij al vele jaren van de natuur was en die speedboot van mij dus helegaar niet nodig, want hij wist alles, maar dan ook echt álles van de standen van de zon, de maan, de sterren en vanzelfsprekend ook van de stand van de wind op dat moment. En, oreerde hij vrolijk verder, moest ik me als volstrekt onwetende uit het Wilde Westen voorál geen zorgen maken, want het kwam binnen een halfuur weer helemaal in orde met de sterkte van die wind. Binnen een halfuurtje konden we dus weer vertrekken en die, oh zo, handige en werkloos liggende speedboot van mij moest maar snel weer worden afbesteld.

En inderdaad, na een halfuur zijn we, ondanks heftig tegenstribbelen mijnerzijds, dan alsnog vertrokken. Ik legde me er dáárom maar bij neer om mijn toch al zo fragiele familiebanden niet onherstelbaar te doen beschadigen, met dit verschil dat het strakke windje drie plus inmiddels wel was aangewakkerd tot een roterend briesje vierenhalf à vijf Bft. Maar de oom kende dat qua natuurkenner allemaal al, want dat ging namelijk áltijd zo met die veranderlijke wind van hem.

Eenmaal voor de tweede keer die vervloekte Ceramse baai uitgevaren, begon vanwege de steeds heftiger wordende tegenwind de Johnson achterop de prauw wel langzaam maar gestaag van een snorrend gesnor in een grommend gegrom over te gaan omdat de boegwateren het de motor én het eigenhandig gebeitelde vaartuigje, dat inmiddels gevaarlijk begon te krikken en te kraken, al heel snel onsmakelijk lastig maakten. Dus kon er, zoals veel eerder die dag, van een ontspannen, met voetjes in het water en koraal en visjes kijkende terugreis naar Saparua geen énkele sprake meer zijn, want het inmiddels doldrieste zeewater sloeg niet alleen te pletter op de motor en het smalle bootje, maar evenzogoed op onze volledig doorweekte lichamen en liep met bákken tegelijk het te veel nauwe schuitje binnen terwijl het jakkeren van de wind steeds meer toenam, schuimkoppen op de golven almaar groter werden, de zwermen fregatvogels boven ons in de lucht, verstandig als ze waren, een veilig heenkomen in de bergen hadden gezocht, en ons hachelijke verblijf op de Ceramzee van minuut tot minuut onaangenamer werd, hoewel we de hemel, en stiekem ook onszelf een heel klein beetje, op onze blote knietjes dankten dat we des morgens zo slim waren geweest een flink aantal van die handige conservenblikjes mede te nemen om al dat binnengutsende zeewater te doen hozen, hozen en nog meer te doen hozen teneinde ons aardse toeven, als het een heel klein beetje mee zou zitten, nog een uurtje op te kunnen rekken.

In de tussentijd was het lekkere zonnetje veranderd in een fel rode vuurbal en maakte zoals elke dag maar weer eens aanstalten om verstoppertje te gaan spelen achter het oranjebruin gekleurde gebergte rechts naast ons, wat, ondanks onze onophoudelijke hozerijen, echter niet wegnam dat zich op mijn netvlies een heuse op de Nederlandse televisie vertoonde speelfilm begon af te spelen. Een levensechte speelfilm over een zinkende onderzeeër met een dappere, edoch reddeloos verloren bemanning die helemaal aan het eind van de film linea recta naar de kelder zou verdwijnen. En zo zou het ons ook vergaan. Binnen nu en enkele uren. Of minuten.

En de stormende boegwateren bleven maar binnengutsen en binnengutsen en we kwamen zelfs conservenblikjes tekort om die prauw, inclusief ons gevijven, nog enigszins drijvende te houden. Ondertussen liet ook de gemonteerde Johnson, nadat hij eerder al van een snorrend gesnor in een grommend gegrom was overgegaan, nu toch wel ernstig sputterende geluiden klinken in de inmiddels pikkedonker geworden Molukse nacht. En hij hád het niet meer, mijn natuur voorspellende ex-oom, net zoals wij het ook niet meer hadden. Hetgeen ons, in gedachten en ieder voor zich, deed besluiten om alvast maar afscheid te gaan nemen van alles wat ons dierbaar was, want dat we straks een verschrikkelijke verdrinkingsdood zouden beleven daar leek niet meer aan te ontkomen.

Vraag me niet hoe we uiteindelijk dat thee- en koffiedrinkende Saparua, zonder de ondertussen geheel uitgevallen Johnson motor maar mét onze gezamenlijke doodsangsten, na een uur of zes, zeven hozend en zwoegend varen dan toch hebben weten te bereiken, want dat weet bijna niemand, maar dat staat ongetwijfeld in een der ongeschreven natuurlessen over de zon, de sterren, de maan en veranderlijke wind van mijn destijdse oom te lezen.

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Boegwater&oldid=69801"