Cornelis Paradijs/Grassprietjes/Aanhef

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Aanhef

Laat andren vrij gewrongen rijmen knutselen
Door hoofd noch hart geleid, –
Ik zal mijn smijdig Hollandsch niet verhutselen,
Ik wil slechts duid'lijkheid.
 
Ik zing, naar vrijen lust, van eigen leven,
Uit zuivren zieledrang:
Mijn leus is Eenvoud, Waarheid is mijn streven,
En Godsvrucht mijn gezang.
 
Wat stelt ge u, dwazen, vruchtloos op de toonen,
En ziet niet van nabij?
Zoekt óm en ín u – dáár is 't ware schoone,
En de echte Poëzij.
 
In Neêrlands roem, in Neêrlands oude deugden,
In Godgewijden lof,
In zelfgevoelde smarten, eigen vreugden,
Vind ik in mijn rijkste stof.
 
Wat zou ik knoeien, wikken, woorden tellen,
Zooals geen dichter doet?
De zangen slechts, die recht uit 't harte wellen,
Gaan recht ook tot 't gemoed.
 
Dus zal ik zingen, naar mijn hartsbegeeren,
Van eigen huis en haard,
En in ootmoedigheid den Schepper eeren,
Naar vaderlandschen aard.