De Génestet/Aan Adda

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

AAN ADDA

   Eéne is er, die mij nooit verveelt,
Wier scherts mij immer kan behagen,
Die mij mag vleien en mag plagen,
   Die met mij dweept en stoeit en speelt;
Wier blikken al mijn zorg verdrijven,
   En die, te lief, te zacht voor de aard’,
   Mij, wien zij ’t Hemeische verklaart,
Doet met deze aard’ tevreden blijven.

   Eéne is er, die ik liefkreeg, één,
En sinds dien tijd heb ik geen oogen
Voor blank gelaat of zoet vermogen
   Van andren, maar voor háár alleen.
En heb ik vreemden al geprezen,
   En speelde ik soms gedachteloos
   Met korter vlecht, of doffer roos,
Dan ’k voor haar lok had uitgelezen, –
’k Wist, dat zij niet jaloersch kon wezen.

   Eéne is er, die ik nimmer hard
Of onverschillig toe durf spreken,
Want dan zou ’t zacht gemoedje breken,
   O Liefde! van uw felste smart.
Dan zou haar oog zoo bitter krijten,
   Dat ik, nog in mijn jongsten snik,
   Mij dat lichtvaardig oogenblik
Van woeste wreedheid zou verwijten.

   Eéne is er, die ik nooit vergeet,
Ofschoon ons zee of land, óf beiden,
En weken, maanden, jaren scheidden,
   Ik deel met haar mijn lief, mijn leed.
Zeg, wilt ook gij mij dât herhalen?
   Maar doet mijn vragen u verdriet,
   Och dan, melieve! zeg het niet.
Want ’k zie het uit uwe oogen stralen
En hoor het zoo wel duizendmalen.

   Daar zijn meer verzen, lieve! als dit,
Maar één slechts, die zoo vriendlijke oogen
Houdt naar dit blaadje toegebogen;
   Die nimmer op mijn verzen vit.
Maar niemand, die in later dagen
   Nog om dit liedje denken zal
   Dan zij, die niet voor niemendal
Haar Dichter om een vers mocht plagen.
1847