De Génestet/Aan zee

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vreemdelingen

II. Aan zee

Mooi visschersmeisje, roei
Uw bootje naar het land,
En zet u naast mij neer,
Uw handjen in mijn hand.

Vlij, aan mijn boezem, vlij
Uw kopje, rust in vreê,
Wees toch niet bang voor mij,
Gij zorgloos kind der zee!

Mijn hart is als uw zee!
’t Heeft storm en ebbe en vloed;
Ook paarlen vindt gij, diep,
Maar diep in mijn gemoed.